cover big

Doelgroepliteratuur

Gijsbert Pols

Over Stadsliefde, scènes in Parijs van Adriaan van Dis

Augustus, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789045705163 / 288p.

(2) reactie(s) - geplaatst op 30-01-2012

Bookmark and Share

Fausto geloofde in een betere wereld. Wie niet in die dagen? Alles zou anders worden. Vooral ver weg, waar volken nog in knechtschap leefden. Ik verkeerde in die kringen, bij toeval, omdat ik een in Parijs wonende schrijver vertaalde die ook in de bevrijding geloofde. Ik wilde vooral mijzelf bevrijden.

Jaha, zo kolossaal narcistisch wordt het alleen bij Van Dis. En ook voor de vetste kitsch kunnen we nog altijd bij good old Adriaan terecht: vertellen hoe de brandweer de bejaarde overbuurvrouw in een lijkenzak afvoert, terwijl je net aan het verhuizen bent en er dan ‘Partir c’est mourir un peu’ als titel boven zetten ... Je kunt je er over opwinden, je kunt je er niet over opwinden. Het kan natuurlijk niet, maar daar gaat het hier niet om.

Merk

Het gaat er om dat Adriaan van Dis helemaal geen literaire schrijver is. Van Dis is een literair merk. Een literaire schrijver is iemand die boeken maakt. Dat doet Van Dis helemaal niet. Van Dis ontwikkelt een vertoog – in dit geval over Parijs – dat vervolgens gemedialiseerd wordt, in boeken natuurlijk, maar ook in artikelen, op de televisie, enzovoort. Als Van Dis bijvoorbeeld op de televisie opduikt, dan praat hij niet over zijn nieuwe boek Stadsliefde, maar produceert hij anekdotes, grapjes en opinies over Parijs die ook in Stadsliefde aan bod komen.

Een paar voorbeelden: de anekdote over de donkere jongen die in de Parijse metro door de politie gedwongen wordt de Marseillaise te zingen; het curieuze weetje dat Sarkozy, voordat hij president wilde worden, pleitte voor overheidssubsidies op het bouwen van moskeeën; de observatie dat kunstenaars vanwege de hoge huren Parijs verruilen voor Berlijn; de schampere opmerking over werkeloosheidscijfers die kunstmatig laag worden gehouden; het dedain over schlemielige lijstjes met culturele en historische wapenfeiten waarmee blank Europa een nationale identiteit probeert te construeren – Van Dis schrijft het in Stadsliefde en zegt het, in vrijwel dezelfde bewoordingen, bij Pauw en Witteman.

Hetzelfde discours werd bovendien al eerder gemedialiseerd in de tijdschriften En France, Ons Erfdeel en Leeftocht en in het Boekenweekgeschenk Onder het zink - Un abécédaire de Paris (2004), wat Van Dis in de verantwoording van Stadsliefde verkoopt als gedeeltelijke herschrijving van eerder gepubliceerd materiaal. Dat is het niet, zeker voor wie ook de roman De wandelaar (2007) heeft gelezen: overal gaat het over hetzelfde Parijs, worden dezelfde observaties gemaakt, duiken dezelfde figuren op en worden dezelfde inzichten geformuleerd. Het is als met de iPhone: hetzelfde product wordt steeds weer in een nieuwe versie opnieuw verkocht.

Werk

Natuurlijk is het zo dat we in een kapitalistische wereld leven waarin we allemaal gedwongen worden onszelf als een merk te zien, ook als we boeken schrijven. Maar voor een literaire auteur is dat een noodzakelijk kwaad, of tenminste een middel: hij zal zijn werk als product beschouwen voor zover de verkoop ervan hem in staat stelt om eens lekker op vakantie te gaan en vervolgens met frisse moed een volgend werk te gaan schrijven.

Bij Van Dis is het middel echter doel geworden. Zowel als geheel en in zijn afzonderlijke elementen constitueert Stadsliefde primair het merk Adriaan van Dis. Het enige verband tussen wat hij schrijft over het Franse hoofddoekjesdebat, afvallen, clochards, de gentrificatie in het elfde arrondissement, Strindberg, illegale bokswedstrijden, rellen in de banlieues, trappen, angst voor terroristische aanslagen in de metro, Héloïse en Abélard, opgezette dieren en de Salon International d’Agriculture is namelijk .... dat het allemaal door Van Dis opgeschreven wordt. Een goed voorbeeld is de volgende passage, waarin hij beschrijft hoe een verdronken clochard uit de Seine wordt opgevist:

Een vrouw in bontjas, vlaggend met haar nachtpon, herkende hem, het was háár clochard: il est de chez nous. Ze drong zich naar voren, wilde naar het water, werd tegengehouden. Ze begon te huilen, steeds harder. Haar stem kaatste tegen de kademuren. Sinds die wanhopige echo weet ik hoe hard en kaal de muren van de Seine zijn.

De passage doet me denken aan een homevideo die ik ooit zag, gemaakt door een ver familielid dat met zijn Mercedes door Death Valley was gereden. Onderin het beeld was steeds het beroemde sterretje te zien en zo werd de woestijn één grote projectie voor het automerk.

Doelgroep

Het is een interessante vraag waarom deze tamelijk schaamteloze exposure zo gretig aftrek vindt. Een mogelijke verklaring is dat Van Dis door elke ervaring, elke opinie, elke anekdote zo nadrukkelijk aan zichzelf te relateren de werkelijkheid tot een commensurabel geheel vormt. Het Parijs van Van Dis is uitermate behapbaar, zeker voor de doelgroep waar hij op mikt. Binnen het lezend publiek in Nederland en Vlaanderen zullen weinig mensen te vinden zijn die ongegeneerd in korte broek bij de Eiffeltoren in de rij gaan staan. Van Dis bedient hun zelfbeeld met verve, onder meer door Anja en Paul op te voeren. In het gastenboek van de Saint-Nicolas-du-Chardonnet, een bedevaartsoord van verstokte Franse royalisten, pent dat Hollandse paar tussen uitroepen als ‘Vive la Reine’ en ‘La Republique c’est la Merde’ de opmerking ‘Leuk kerkje’ neer.

Ook wat Van Dis over het Lido bericht is perfect op maat gesneden voor een publiek dat graag naar Parijs gaat, maar daar onder geen beding als toerist herkend wil worden: bussen domme Chinezen, Russen en Amerikanen die veel te veel geld aan champagne uitgeven, wezenloze glimlachen van rondborstige danseressen en heel veel show. Hetzelfde publiek ziet voorts bij Van Dis zijn vooroordelen over het Franse cultureel snobisme bevestigd, zal zich gerustgesteld voelen door de menselijke zwaktes die Van Dis aan de dag legt bij het onder controle houden van zijn gewicht en zal instemmend knikken als het leest dat die Shakespeare toch zo’n groot psycholoog was.

Verder kietelt Van Dis zijn doelgroep met alleraardigste weetjes: dat het beroemde middeleeuwse liefdespaar Héloïse en Abélard bijvoorbeeld vier keer werd herbegraven, al naar gelang de progressiviteit van het regime gescheiden of samen, en de laatste keer als publiciteitsstunt voor de nieuwe begraafplaats Père-Lachaise, dat is toch een cultureel kapitaaltje waarmee je je small talk aanzienlijk kunt verrijken. En als je kunt vertellen dat de encyclopedist Diderot onder ‘katholicisme’ vermelde: ‘zie kannibalisme’, dan kom je op de betere tuinfeestjes ook heel behoorlijk uit de hoek.

De doelgroep waar Van Dis met Stadsliefde op mikt zal zich ook kunnen vinden in het beeld van Parijs als navel van de globalisering. We hebben het hier namelijk niet over mensen die zich verongelijkt terugtrekken achter de dijken, in de hoop dat de globalisering wel aan Holland voorbij zal trekken. Integendeel: deze consumenten laten zich graag door Van Dis uitleggen dat het hoofddoekje in Frankrijk pas een politiek onderwerp werd nadat het dragen ervan aan verregaande wettelijke restricties werd onderworpen. En de doelgroep zal even graag willen horen dat het hele debat begon met het onvermogen van een paar leraren verstandig te reageren op twee meisjes die uit puberale geldingsdrang besloten zich te sluieren.

Het is een sociaal bewogen publiek dat Van Dis aanspreekt. Het zal zich moeiteloos kunnen verplaatsen in de oudere vriend die Van Dis bezoekt met het plan om alsnog alle restaurants langs te gaan die zijn vader hem aanbeval toen hij, lang geleden, voor het eerst naar Parijs ging. Als die vriend na een vrolijke culinaire avond de kok wil gaan bedanken, treft hij een keuken aan die wordt bemand door mensen zonder verzekering, zonder papieren en zonder rechten. Het restaurantfestijn wordt prompt gedwarsboomd door een staking, waar de vriend echter alle begrip voor heeft. Als hij er echter een donkere ober op aanspreekt, begint die een tirade over illegalen die de markt ondermijnen. De vriend wil vervolgens zijn solidariteit in de restaurantkeuken laten blijken en komt er uit met een blauw oog.

Op naar het museum

Evenwel biedt Van Dis uit de politieke aporie die hij hier blootlegt geen uitweg. Dat kan hij ook helemaal niet. Want om zijn product commensurabel te houden, moet hij zich op het beslissende moment terugtrekken. Met een gemoed vol oprechte empathie, en frustratie en verdriet soms, maar de conclusie is toch steeds weer dat het sociale onrecht dat de globalisering veroorzaakt niet bestreden kan worden. Voor zijn doelgroep, die vooralsnog tot de winnaars van de globalisering gerekend kan worden, is dat een conclusie die gemakkelijk te slikken is.

Zeker omdat Van Dis zijn doelgroep ook nog compensatie levert. Want in een wereld waarin de politieke impasse niet meer doorbroken kan worden, acht Van Dis nog wel degelijk geluk mogelijk is. Dit geluk situeert hij in het museum. Van Dis vertelt bevlogen over zijn speurtocht naar het bed van de negentiende-eeuwse prostituee van stand Lucy Delabigne, beter bekend (uit de roman van Zola) als Nana, die eindigt in het Musée des Arts Décoratifs, waar hij zich samen met de halve staf over een oude foto buigt. Uitgesproken lyrisch is ook de beschrijving van de badkamers en de keuken van de tot museum benoemde villa van de Turks-Joodse bankiersfamilie De Camondo. ‘Heelte’, zegt hij er letterlijk te zoeken.

Om het gebrek aan dergelijke heelte in het dagelijkse leven van Parijs te compenseren, ontwikkelt Van Dis een musealiserende blik. Contemporaine Franse literatuur komt in zijn vertoog bijvoorbeeld niet voor – zelfs Houellebecq doet niet mee –, alleen de grote namen uit het verleden duiken op, over wie dan volmaakt steriele kennis wordt aangeleverd: over Proust lezen we dat hij madeleines at, dat hij ratten de ogen uitbrandde en dat hij aan de boulevard Haussmann woonde, over Zola dat hij over de zelfkant van de samenleving sprak. De Nederlandse literatuur kent hetzelfde lot, want over Couperus krijgen we te horen dat hij in de koets zijn vingers uit het raam stak om zijn handen mooi wit te krijgen. Kortom, de cultuur wordt geneutraliseerd in de vitrinekast.

Die neutralisatie biedt troost: de uitholling van de Franse agrarische cultuur, de vriendelijke mevrouw van de buurtsuper die pensioneert, de zelfmoord van de revolutionaire muzikant die à propos de zoon van een Boliviaanse grootgrondbezitter bleek te zijn, Van Dis beheerst het allemaal door er in zijn vertoog een monument voor op te richten. Het enige concrete engagement dat Van Dis aan de dag legt is een donatie voor de wederopbouw van een afgebrand museum met opgezette dieren – het animal cops-affect, zullen we maar zeggen.

No future

Nu moet ook voor dat beperkte engagement respect opgebracht worden, zeker omdat er van musealisering een pacificerend effect uit kan gaan. De Duitse kunstenaar en theoreticus Bazon Brock wees er al eens op dat Mustafa Kemal, beter bekend als Atatürk, door de Hagia Sophia tot museum uit te roepen een eeuwenlang dispuut tussen christenen en moslims beëindigde. Voor die neutralisatie werd evenwel een hele hoge prijs betaald, namelijk: de toekomst. Want na het museum komt er niets meer.

Maar Van Dis heeft heel goed begrepen dat hij zijn doelgroep geen toekomst hoeft te bieden. Het goede leven is in deze tijd buiten ons bereik gekomen, maar dankzij een nostalgische terugblik houden we het nog even vol. En mocht het echt te veel worden, dan drukken we op het uit-knopje. De laatste waarheid komt bij Van Dis tussen haakjes:

(Ik wil al jaren een pistool, om op mijn oude dag keurig zelfmoord te kunnen plegen. Een loodpil, bij gebrek aan die van Drion.)

Bij deze doelgroep moet je niet willen horen, vind ik.

2 reacties

Ja, dat weet ik. Weet u dat het begrip ‘mierenneuken’ volgens een oordeel van de politierechter uit 2005 als niet per se beledigend geldt? En omdat u reclame voor de prachtsite rond1900.nl maakt, ben ik bijna dankbaar voor deze reactie.

  • Door Gijsbert Pols
  • gepost op
    01-02-2012, om 2:17:30

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?