cover big

Hoe kwetsbaar is de democratie?

Frank Albers

Over Dat gebeurt hier niet van Sinclair Lewis (vert. Irene Paridaans, Joost Pollmann & Jan Willem Reitsma)

Lebowski Publishers, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789048840021 / 446p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 29-07-2017

Bookmark and Share

Het gebeurt niet zo vaak dat commerciële mainstreammedia aandacht besteden aan een roman van tachtig jaar geleden. Dus was het best opmerkelijk dat er het voorbije jaar in The Guardian, The New York Times, Time Magazine, The Washington Post, The New Yorker en elders stukken verschenen over It Can’t Happen Here, een roman uit 1935 van de Amerikaanse schrijver Sinclair Lewis. Het repertoiretheater van Berkeley in Californië bracht het boek vorig najaar op het toneel en bij Lebowski is nu zelfs een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen. Vanwaar die plotseling hernieuwde belangstelling voor een vergeten boek? Het antwoord is simpel: Donald Trump.

Culturele zelfkritiek

In de ogen van velen is Donald Trump een gevaarlijke gek. Een incompetente, narcistische, seksistische brulboei. Trekpop van het grootkapitaal. Keffende schoothond van de sinistere, extreemrechtse Steve Bannon. Een demagoog en een populist die mensen, klassen en staten tegen elkaar opzet en de wereldvrede in gevaar brengt. Als het zo doorgaat, lees je dan in bezorgde kolommen, gaat Amerika nog echt lijken op de fascistische dictatuur die Lewis opriep in zijn dystopische roman It Can’t Happen Here. Zo’n vaart zal het niet meteen lopen, maar een week na Trumps verkiezing was Lewis’ roman op Amazon wel uitverkocht.

Sinclair Lewis (1885-1951) was de eerste Amerikaanse schrijver die de Nobelprijs voor literatuur won (in 1930). Die bekroning dankte hij aan zijn eerste, buitengewoon succesvolle satirische romans Main Street (1920) en Babbitt (1922), en in mindere mate aan de latere romans uit dat eerste decennium van zijn schrijverschap, Arrowsmith (1925), Elmer Gantry (1927) en Dodsworth (1929). Tijdens zijn laudatio op 10 december 1930 prees de permanente secretaris van de Zweedse Academie Lewis’ kritiek op de zelfgenoegzaamheid en het provincialisme van de doorsnee blanke Amerikaan uit de middenklasse. Zijn lofzang ging vooral over Babbitt, een tamelijk plotloze roman waarin Lewis het ideaal van ‘an American popular hero of the middle class’ hard onderuithaalde. Het hoofdpersonage, de immobiliënagent George F. Babbitt, is het prototype van de oppervlakkig gelukkige, in materieel opzicht geslaagde zakenman die zich netjes aan de regeltjes houdt – de juiste auto, de juiste wijk, de juiste vrouw – en alles doet wat de terreur van het conventionele burgermanbestaan voorschrijft. Lewis portretteerde hem met een dodelijke precisie: ‘He seemed prosperous, extremely married and unromantic.’

Zo treffend was Lewis’ typering van Babbitt als de radicale conformist uit de Amerikaanse middenklasse in de jaren twintig, dat de naam Babbitt zich heeft losgezongen van de roman en een begrip is geworden dat ook buiten de roman om betekenis heeft. In het welopgevoede deel van de Verenigde Staten weten mensen wat je bedoelt als je het over een Babbitt hebt, zoals ze ook weten wat je bedoelt als je het over een Lolita of een Gatsby hebt. En wie het niet weet, vindt in het woordenboek deze definitie van een Babbitt: ‘a person and especially a business or professional man who conforms unthinkingly to prevailing middle-class standards.’

Tijdens zijn laudatio maakte de secretaris van het Nobelprijscomité nog een erg interessante, algemenere opmerking: ‘The new great American literature,’ zei hij, ‘has started with national self-criticism.’ Dat lijkt me een zeer juiste observatie. Als er iets is wat vrijwel alle grote Amerikaanse romans kenmerkt en onderling verbindt, is het wel een kritische houding ten aanzien van de aannames, de idealen, de funderingen van de seculiere religie die gemeenzaam the American Dream wordt genoemd. Van The Scarlet Letter (1850) en Moby-Dick (1851) tot Beloved (1987) en The Corrections (2001): altijd gaat het in grote Amerikaanse romans over Amerika, niet op chauvinistische, euforische toon, maar, inderdaad, als een vorm van culturele zelfkritiek.

Lewis past in die traditie. Ook zijn oeuvre drijft op een haat-liefdeverhouding met de Amerikaanse cultuur. Ook in zijn romans steken de idealen van de Amerikaanse cultuur – democratie, vrijheid, gelijkheid – schril af tegen de feiten: armoede, geweld, racisme. ‘I love America, but I don’t like it,’ zei Lewis ooit. Die prachtige boutade vat de ambivalentie van zowat het hele literaire pantheon van Amerika prima samen. Toch behoort Lewis in dat pantheon niet tot de echte topschrijvers. Hij heeft nooit de status verworven die de auteurs van voornoemde romans wel hebben bereikt. Dat heeft, denk ik, te maken met een gebrek aan romaneske verbeeldingskracht. Lewis’ proza is vaak nogal stellig en uitleggerig, van een didactische drammerigheid die de lezer geen wereld voorhoudt, maar een these, een argument, een overtuiging. In het beste geval noem je zulke boeken ideeënromans, maar bij Sinclair wil de roman weleens bezwijken onder de ideeën. In filmtaal: misschien was Sinclair Lewis eerder een documentairemaker dan een filmregisseur. Misschien leek hij meer op Michael Moore dan op Stanley Kubrick.

Fascisme in Amerika

Ook in Dat gebeurt hier niet overstemt de filosoof-essayist de romancier. Ook hier gaat het om literatuur niet als ontroering of vermaak of schoonheid, maar als waarschuwing. Pas maar op, zo luidt de duidelijke boodschap, of Amerika verwordt tot een fascistische dictatuur! Die waarschuwing was aan het begin van de jaren dertig niet vrijblijvend of frivool. De beurskrach van 1929 markeerde het einde van de Roaring Twenties en het begin van de Great Depression. Duizenden banken gingen in een paar jaar tijd over de kop. De Dow Jones kelderde. Alles zakte, viel of daalde behalve de werkloosheid: die steeg naar vijfentwintig procent. In zo’n crisisklimaat verliezen grote delen van een bevolking niet alleen banen, geld en eigendom, mensen raken ook hun vertrouwen in de democratie kwijt. Dat was toen niet anders dan nu. Een langdurige en verstrekkende crisis is een uitstekende voedingsbodem voor populisten en andere rattenvangers, die een economisch getergde en politiek verweesde bevolking verleiden met simplistische nepoplossingen. De opkomst en aantrekkingskracht van het fascisme en het nazisme in Europa zijn vaak genoeg in dit perspectief geanalyseerd.

Ook in Amerika vatte een deel van de bevolking in de jaren dertig sympathie op voor het fascistische gedachtegoed. De German-American Bund bijvoorbeeld, propageerde openlijk het nazisme en telde toch algauw enige tienduizenden leden. Charles Coughlin, een katholieke priester uit Detroit, had een razend populair radioprogramma waarin hij elke week radicale, anticommunistische, antisemitische tirades hield. Zo mocht Coughlin graag verkondigen dat de Grote Depressie het gevolg was van een samenzwering van Joodse bankiers. Miljoenen luisteraars bereikte hij, en die schreven hem gemiddeld tachtigduizend brieven per week. Coughlin was ook een groot voorstander van een isolationistisch beleid.

Minstens even controversieel was Huey Long, eerst gouverneur van Louisiana en daarna senator, een excentrieke volksmenner die met populistische anti-establishmentspeeches grote massa’s in vervoering bracht. Hij ging tekeer tegen de elites, beloofde de economisch getroffen middenklasse een beter leven dankzij grote infrastructuurwerken en een radicale fiscale herverdeling, én hij zorgde goed voor zichzelf en de zijnen. ‘He also used fraud, coercion and violent intimidation to enrich himself and his inner circle,’ schreef Newsweek eerder dit jaar nog. Of Long nu werkelijk een fascist was, daarover bestaat onenigheid. Maar hij was ongetwijfeld een van de meest autoritaire, populaire demagogen van zijn tijd, volgens Franklin Delano Roosevelt ‘one of the most dangerous men in America’. In augustus 1935 kondigde Long aan dat hij het in de presidentsverkiezingen van 1936 wilde opnemen tegen Roosevelt. Zo ver is het niet gekomen, want op 8 september 1935 is de populaire senator door de zoon van een politieke tegenstrever in Baton Rouge (Louisiana) doodgeschoten.

Deze Huey Long is de belangrijkste politieke inspiratiebron geweest voor Dat gebeurt hier niet. Hoofdpersonage is ene Berzelius ‘Buzz’ Windrip, een Democratische senator uit de Midwest die het in 1936 opneemt tegen Roosevelt, en wint. (In werkelijkheid werd Roosevelt in 1936 met een overdonderende meerderheid herkozen.)

Opmerkelijk: vele jaren later zou ook Philip Roth een ‘counterfactual history’ schrijven die begint met de verkiezing van een fictieve president. In The Plot Against America (2004) is het de beroemde vliegenier en antisemiet Charles Lindbergh die in 1940 Roosevelt verslaat, in Dat gebeurt hier niet is het dus deze Windrip, een man met Trumpiaanse allure:

De senator was vulgair, een halve analfabeet, viel eenvoudig te betrappen op openlijke leugens en huldigde bijna idiote ‘ideeën’ [...]. Hij wapperde met zijn armen, sloeg op tafels, vonkte uit krankzinnige ogen [...] maar hij koerde ook als een zogende moeder, smeekte als een smachtende minnaar, en tussen die trucs door vuurde hij koel en minachtend cijfers en feiten op zijn publiek af – cijfers en feiten die onontkoombaar waren, ook al waren ze, zoals vaak het geval was, volslagen onjuist.

Hij draagt zelfs ‘een felrode das’!

De belangrijkste tegenstem in Lewis’ dystopie is Doremus Jessup, hoofdredacteur en eigenaar van een krant in Vermont. Het is Jessup die zijn welgestelde, zelfgenoegzame medeburgers waarschuwt: ‘Er is geen land op de hele wereld dat zo hysterisch of zelfs kruiperig kan zijn als Amerika. [...] Er is in de hele geschiedenis nog nooit een volk geweest dat zo rijp was voor een dictatuur als het onze!’ En dat is dus precies wat in dit boek het geval is, in weerwil van wat Doremus’ vrienden denken.

Een totalitair Amerika?

Windrip wordt verkozen op basis van een radicaal programma, genaamd ‘De vijftien overwinningspunten voor de Vergeten Mannen’. Daarin pleit hij onder meer voor de totale nationalisering van het bankwezen, van ‘alle mijnen, olievelden, waterenergiecentrales, nutsbedrijven, transportmiddelen en communicatiemiddelen’. Niemand mag meer dan vijfhonderdduizend dollar per jaar verdienen, niemand mag meer dan twee miljoen dollar erven. Negers mogen niet meer stemmen; alle vrouwen moeten weer aan de haard, ‘hun onvergetelijke heilige plichten als huisvrouw en moeder’ vervullen. Communisme, socialisme en anarchisme zijn verboden. En aan ieder gezin belooft kandidaat Windrip een gegarandeerd minimuminkomen van vijfduizend dollar per jaar.

Eenmaal verkozen kondigt de nieuwe president prompt de staat van beleg af. In Washington breken rellen uit, ‘recalcitrante Congresleden’ vliegen achter de tralies, overal in het land worden opstanden en stakingen ‘bloedig neergeslagen door de Minute Men’, Windrips brutale privémilitie, door Lewis veelzeggend vernoemd naar de vrijheidsstrijders uit de koloniale oertijd van Amerika. Per decreet schaft de president alle staten af, liberale rechters in het Hooggerechtshof (so-called judges?) worden simpelweg vervangen door gezagsgetrouwe fluimen, en ook de traditionele politieke partijen gaan op de schop, voortaan bestaat er alleen nog ‘de Amerikaanse Corporatieve Staats- en Patriottische Partij’.

Verbanningen, verklikkingen, huiszoekingen, boekverbrandingen, martelingen, concentratiekampen – uitgebreid en gedetailleerd beschrijft Lewis hoe Amerika verwordt tot een heuse totalitaire staat, zoals Hannah Arendt die later zou definiëren in The Origins of Totalitarianism (1951). Lewis geeft het typische van deze vorm van dictatuur erg goed weer:

de alomtegenwoordige angst, het vreesachtig ontkennen van geloof [...], ’s avonds laat het plotselinge gebonk op de deur, de politie die binnenvalt, het slaan, de huiszoeking, de obscene opmerkingen tegen de angstige vrouwen, [...] de bewakers die voor de grap net naast een gevangene schieten die denkt dat hij wordt geëxecuteerd, het eenzame afwachten wat er gaat gebeuren totdat de mensen gek worden en zich verhangen… [...] Je kon je niet meer in een openbare gelegenheid vertonen zonder je af te vragen welke spionnen je in de gaten hielden. De hele wereld bleef dus thuis en schrok van elke voetstap op straat, elk telefoontje en elke tik van een klimoprank tegen het raam.

Maar uiteindelijk gaat ook in het rijk van Buzz Windrip het licht uit. Hij wordt van de macht verdreven door zijn enige echte politieke vertrouweling Lee Sarason, een Steve Bannonachtige figuur die op zijn beurt door een kolonel wordt doodgeschoten. Journalist Doremus vlucht naar Canada, waar vandaan hij als spion zal terugkeren om in de Amerikaanse Midwest het verzet tegen de dictatuur in de Verenigde Staten te steunen. Dit gebeurt allemaal in de laatste veertig pagina’s van deze in de Nederlandse vertaling ruim vierhonderdveertig bladzijden tellende roman, wat de indruk wekt dat Lewis er na vierhonderd pagina’s zelf genoeg van had. Wellicht was hij ook gehaast: Lewis schreef Dat gebeurt hier niet tussen mei en augustus 1935, de zomer waarin Huey Long steeds populairder en machtiger werd.

Het boek verscheen in oktober en was meteen een bestseller: driehonderdtwintigduizend exemplaren. Ook de toneelversie die een jaar later in première ging was bijzonder succesvol. Van Boston en New York tot Chicago en Los Angeles zagen ruim een half miljoen mensen een van de eenentwintig (!) verschillende bewerkingen die tijdens de jaren nadien door het land trokken. Pikant detail: de MGM filmstudio in Hollywood was al begonnen met een verfilming van de roman, maar blies dat project af onder druk van Nazi-Duitsland.

Populisme als stresstest

Is Lewis’ roman nu werkelijk ‘the Classic Novel that Predicted Trump’ zoals The New York Times begin dit jaar kopte? Dat lijkt me zwaar overdreven. Natuurlijk zijn er opvallende gelijkenissen. Natuurlijk denk je aan Trump als je leest hoe Lewis in het hierboven geciteerde fragment Windrip portretteert – vulgair, halve analfabeet, schaamteloze leugenaar en drager van rode stropdassen. Windrips programma heet ‘De vijftien overwinningspunten voor de Vergeten Mannen’. En wat zei Trump onlangs nog in een speech? ‘I got elected to serve the forgotten men and women of our country.’ Lewis stelt presidentskandidaat Windrip voor als ‘het masker en de bulderende stem en zijn satanische secretaris Lee Sarason als het brein erachter.’ Natuurlijk doet Sarason aan Steve Bannon denken. Zo is Sarason de ghostwriter van Windrips enige boek, ‘deels biografie, deels economisch programma en deels lompe exhibitionistische opschepperij’. Dat boek heet in de roman Zero Hour. In 2010 bracht Steve Bannon een angstaanjagende documentaire uit over de oorzaken van de economische crisis in tijden van globalisering. Titel: Generation Zero. Treffend en akelig allemaal, maar tegelijk ook onbeduidend, denk ik.

Het grootste verschil tussen Trump en Windrip ligt in hun programma. Trump is namens de Republikeinen verkozen, Windrip is een Democraat. Windrips programma is een raar amalgaam van extreem socialistische ideeën (nationalisering, basisinkomen, loonstop, restricties op erfdelen) en rabiaat racisme, antisemitisme en seksisme. Trump mag dan een pussygrabber zijn, zo bont als Windrip heeft hij het vooralsnog niet gemaakt. Lewis’ schrikbeeld was een nationaalsocialistische dictatuur in Amerika, en dat is toch net iets anders dan wat Trump en Bannon voorstaan.

Niettemin werpt Lewis’ dystopie een vraag op die in het Amerika van vandaag – en ook daarbuiten – wel degelijk urgent is. Die vraag luidt: is een democratie sterk genoeg om het mentale én institutionele sloopwerk van een populistische demagoog te weerstaan, te overleven, te overwinnen? Populisme als een stresstest voor de democratie. Lewis was er niet gerust op dat het in Amerika in de jaren dertig goed zou aflopen. Hij heeft bewust een karikatuur geschetst, denk ik, om zijn landgenoten te waarschuwen dat niets van alles wat wij beschaving noemen ooit definitief verworven is. Politiek alert en strijdbaar blijven is de boodschap, het kan allemaal zomaar misgaan. Die boodschap gaat natuurlijk ten koste van de roman, die veel te expliciet, te uitgesponnen, te leerstellig en te didactisch is om althans deze romanlezer te kunnen bekoren. Maar ook in de jaren dertig vonden de meeste critici al dat de betekenis van Dat gebeurt hier niet eerder politiek dan literair was.

Helemaal aan het eind lijkt Lewis dan weer te willen suggereren dat het rechtgeaarde en onverschrokken individu uiteindelijk altijd sterker is dan welk infaam regime ook. Terwijl de dictatuur van Windrip en zijn volgelingen explodeert in een estafette van bloedvergieten en vergelding – het lijkt wel Macbeth in Noord-Korea – bereidt journalist Doremus clandestien de opstand tegen het regime voor. De laatste zin van Lewis’ roman is bijzonder curieus en had zo uit een of andere sociaal-realistische roman kunnen komen: ‘En nog steeds rijdt Doremus door in het rode licht van de opgaande zon, want een Doremus Jessup kan niet sterven.’

Zo eindigt een van de zwartste dystopieën uit de Amerikaanse literatuur toch weer met een bevestiging van het geloof in de kracht van het individu. Shit happens maar de droom is onsterfelijk.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?