cover big

Moskouse ‘herinneringen’ van een formidabele fabulant

Frans Denissen

Over Het bal in het Kremlin van Curzio Malaparte (vert. Jan van der Haar)

De Arbeiderspers, 2017,
ISBN 9789029506946 / 255p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-05-2017

Bookmark and Share

Het bal in het Kremlin van Curzio Malaparte is een roman; daarover mag geen twijfel bestaan. Het staat zo op het voorplat en de titelpagina, en op het achterplat is sprake van een ‘autobiografische roman’. Al in de eerste zinnen van zijn inleidende hoofdstuk gebruikt Malaparte zelf de term, maar dan zo dat die meteen wordt geproblematiseerd:

In deze roman, een getrouw portret van de marxistische adel van de USSR, van de communistische haute société van Moskou, is alles echt: de mensen, de gebeurtenissen, de dingen, de plaatsen. De personages zijn niet aan de fantasie van de auteur ontsproten, maar naar het leven getekend, elk met zijn eigen naam, zijn eigen gezicht, zijn eigen woorden, zijn eigen daden.

En een paar regels verderop:

De hoofdfiguur, de held, van deze roman is geen individu, man of vrouw, maar een sociaal lichaam: en wel de communistische aristocratie die de plaats van de Russische aristocratie van het oude regime had ingenomen […].

Met de eerste zin is niet veel aan de hand: het begrip ‘roman’ is inmiddels zo uitgedijd dat ook niet-fictionele verhalen zonder intrige en zonder ontknoping erin kunnen worden ondergebracht. Bij de tweede en de derde geciteerde zin kan een fors aantal vraagtekens worden geplaatst. ‘Niet aan de fantasie van de schrijver ontsproten’: om deze bewering te beoordelen, leggen we Het bal in het Kremlin naast de twee belangrijkste biografieën van Curzio Malaparte, nom de plume van Kurt Erich Suckert (1898-1957): L’arcitaliano. Vita di Curzio Malaparte (2008) van Giordano Bruno Guerri en – let op de veelzeggende titel – Malaparte, vies et légendes (2011) van Maurizio Serra. Daaruit blijkt dat Malaparte, een fascist van het eerste uur en op dat moment directeur en sterreporter van de grootste Italiaanse krant La Stampa, eigendom van de familie Agnelli die ook de FIAT-fabrieken bezit, in 1929 gedurende enkele weken – niet méér – op reportage is geweest in Moskou. De artikelen die hij daaruit meebrengt, zijn zo enthousiast over de Sovjet-Unie en haar sinds kort onbetwiste leider Jozef Stalin dat ze bij zijn werkgever én bij Benito Mussolini (als oud-journalist altijd één en al aandacht voor de pers) in het verkeerde keelgat schieten. Wanneer hij met Techniek van de staatsgreep ook nog een boek schrijft met zijn eigenzinnige kijk op de Russische Revolutie, wordt hij ontslagen en krijgt hij een publicatieverbod aan zijn broek (het boek zal in 1931 in het Frans in Parijs verschijnen).

Maar Het bal in het Kremlin is geschreven (en onvoltooid gebleven) in de tweede helft van de jaren veertig en ondertussen had Malaparte al door heel wat politieke waters gezwommen: van fascist naar antifascist naar opnieuw, weliswaar ‘lastig’, fascist naar agent van de geallieerden. (Dat hij, zoals hij schrijft, ‘tijdens de tirannie van Mussolini en Hitler lange tijd in fascistische gevangenissen heeft gezucht’ mag met een dikke korrel zout worden genomen). Na 1945 wordt hij lid van de communistische partij, maar al heel vlug – een Jantje Contrarie is hij heel zijn leven gebleven – komt hij in aanvaring met partijleider Palmiro Togliatti.

Wanneer hij Het bal in het Kremlin schrijft, is hij volop bezig met zijn laatste grote omslag: die naar de christendemocratie, die in de daaropvolgende decennia Italië zou regeren, en naar zijn ultieme bekering tot het katholicisme (hij was door zijn Duitse vader protestants opgevoed). En dus moest radicaal worden afgerekend met de bolsjewieken, die in dit boek worden afgeschilderd als één gedegenereerde bende profiteurs, parvenu’s en perverten. Al schonk hij bij testament zijn villa op Capri dan weer aan het China van Mao Zedong. Het tekent het vat vol tegenstrijdheden dat Malaparte altijd is geweest.

Dat de hoofdfiguur van Het bal in het Kremlin ‘een sociaal lichaam’ zou zijn, met name ‘de communistische aristocratie’ in Moskou anno 1929, is nogmaals een ‘alternatieve waarheid’. De enige hoofdfiguur in deze roman, zoals in alle teksten van zijn hand, is Malaparte. Alle andere personages dansen in dit wervelende bal om hem heen. Als je de ik-verteller mag geloven, was hij in die luttele weken dat hij in Rusland heeft verbleven voor iedereen die in die wereld van tel was een goede bekende, op Stalin na dan, die hij enkel in zijn open Rolls Royce voorbij ziet rijden. Maar de andere toenmalige kopstukken van het regime, van wie de meesten niet veel later voor Stalins vuurpeloton het leven zouden laten, leggen stuk voor stuk in lange gesprekken hun ziel voor hem bloot: Anatoli Loenatsjarski, Lev Kamenev, Lev Karakhan, maarschalk Aleksander Jegorov, en méér nog hun echtgenotes, met wie hij blijkbaar moeiteloos in gesprek raakt. Plus een sterballerina als Marina Semjonova en een schrijver als Michail Boelgakov.

De merkwaardigste ontmoeting van allemaal is echter die met prins Lvov, die in 1917 kortstondig aan het hoofd had gestaan van de voorlopige Russische regering. Op een wandeling met zijn collega-schrijver Boelgakov komt de ik-persoon ‘een oude heer’ tegen die diep zuchtend een enorme vergulde fauteuil op zijn hoofd torst, op weg om die op de vlooienmarkt te gelde te maken. De beschrijving van de fauteuil in kwestie en van de drager ervan zijn uiterst gedetailleerd: het levert een van de meest beklijvende passages van het boek op. Het gesprek dat zich tussen beiden ontspint, neemt ruim zes bladzijden in beslag. In de loop ervan pakt Malaparte zelfs de fauteuil van de sukkelachtige oude man over en zet hem op zijn eigen hoofd. Alleen: prins Lvov was al in 1925 overleden, Malaparte kan hem onmogelijk hebben ontmoet.

Ook zijn verhaal over de dichter Vladimir Majakovski zit chronologisch vreemd in elkaar. Op bladzijden 86-91 gaat hij met hem in discussie over de taak van de dichter in een communistische maatschappij.

Een paar dagen later deed Marika [de zestienjarige polyglotte die hem door het regime als gids was toegewezen] de deur open en deelde mee dat Majakovski ’s morgens vroeg op zijn kamer met een pistoolschot in zijn mond zelfmoord had gepleegd.

Hij gaat met haar, na daarvoor van volkscommissaris Loenatsjarski toestemming te hebben gekregen, naar de kamer waar het drama zich heeft afgespeeld:

Ik wil graag aan zijn papieren, aan zijn persoonlijke spullen, aan zijn kamer vragen of zijn dood vredig, gelukkig was; of hij tot zelfmoord werd gedreven door angst of door hoop; of hij zelfmoord heeft gepleegd omdat hij niet in God geloofde, of omdat hij dat wel deed.

Alleen: Majakovski stapte uit het leven in april 1930, toen Malaparte al lang weer weg was uit Moskou en toen Loenatsjarski al een tijd eerder was afgetreden als volkscommissaris. ‘Ik kan alleen schrijven over de dingen die ik gezien en beleefd heb,’ heeft hij beweerd. Niet dus.

In Italië is Curzio Malaparte tijdens en na zijn leven met alle denkbare epitheta bedacht: aartsleugenaar, gladjanus, kameleon, mythomaan, exhibitionist, narcist, arrivist… Zelf noemde hij, die met de Duitse nationaliteit was opgegroeid en op zijn zestiende als vrijwilliger in Frankrijk tegen de Duitsers ging vechten, zich aarts-Italiaan. De meeste biografen en literatuurhistorici die over hem geschreven hebben, deden dat met een mengeling van fascinatie en afkeer. Maar over één ding bestaat de laatste jaren nog weinig discussie: dat hij in de eerste plaats een schrijver is, dat het charlataneske van zijn figuur lang dit inzicht in de weg heeft gestaan, en dat boeken als Kaputt en De huid mijlpalen zullen blijven in de geschiedenis van de twintigste-eeuwse Italiaanse literatuur. Zoals Voyage au bout de la nuit (1932) en Mort à crédit (1936) van zijn generatiegenoot Louis-Ferdinand Céline dat zijn in de Franse literatuur, ondanks de afschuw voor sommige van diens standpunten en handelingen.

In Malaparte’s oorspronkelijke intentie had Het bal in het Kremlin een drieluik moeten gaan vormen met Kaputt en De huid: de kroniek van het roemloze en uiterst bloedige failliet van de grote ideologieën die Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw hebben beheerst – nationalisme, fascisme, nazisme, communisme. Zoals de twee vorige romans kent ook Het bal in het Kremlin geen plot of temporeel verloop: eerder gaat het om een aaneenschakeling van scènes, portretten, dialogen, sfeerscheppingen, mijmeringen, dat alles gelardeerd met erudiete verwijzingen. En ook de expressionistische stijl is vergelijkbaar, met zijn talrijke woordelijke herhalingen, groteske hyperbolen, gedurfde metaforen – een stijl die er helemaal op gericht is de bourgeois te epateren. Het verschil is echter dat de schrijver deze derde roman op een bepaald moment heeft losgelaten om zich op een reeks toneel- en filmprojecten te storten. Daardoor is het onduidelijk hoe het boek er in zijn definitieve versie zou hebben uitgezien. Vooral zou het ongetwijfeld een sterker slot hebben gehad, terwijl het nu met een beschrijving van de tot ontbinding overgaande mummie van Lenin in zijn mausoleum als een kaarsje uitgaat.

Dit belet niet dat Het bal in het Kremlin een aantal ronduit schitterende passages bevat, die zó in een Malaparte-bloemlezing terecht zouden kunnen. Zoals die met een hoog komisch gehalte over de verwijfde pedofiele dandy Florinski, een relict van het ancien régime, die het onder de nieuwe heersers tot hoofd Protocol van het Volkscommissariaat voor Buitenlandse Zaken heeft geschopt en in een ouderwetse koets door Moskou rijdt. Of zoals de beschrijvingen van het grauwe Moskou dat popelend op het losbarsten van de lente wacht. Die maken dat het boek nog steeds torenhoog uitsteekt boven veel middelmatigs en routineus dat de laatste jaren uit het Italiaans is vertaald.

Jan van der Haar (1960) heeft zich al jaren in het werk van Malaparte vastgebeten: als ik goed geteld heb, is dit de zesde vertaling van zijn hand, en het dient gezegd: de schrijver had zich geen betere vertaler kunnen wensen. Bovendien verwent hij de lezer in dit geval nog met een informatief nawoord waarin hij behoedzaam, bijna tussen de regels, wat vraagtekens plaatst bij de historiciteit van Malaparte’s herinneringen, een notenapparaat met de vertaling van de vele anderstalige – vooral Franse – citaten (Malaparte koketteerde graag met zijn talenkennis) en een register van de ontelbare personen en personages die in het boek defileren.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?