cover big

Oefenboek voor beginnende ideologiecritici

Marc De Kesel

Over Voor God & geld. Gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden van Katharina Van Cauteren en Fernand Huts

Lannoo, Tielt, 2016,
ISBN 9789401437349 / 335p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-09-2016

Bookmark and Share

Voor God & geld is niet de catalogus maar ‘het boek bij’ de gelijknamige tentoonstelling die nog tot 1 januari 2017 loopt in het Gentse Caermersklooster. Een ‘boek bij’, inderdaad, zo lees je op de losse pagina die achteraan is ingeschoven. De titelpagina zegt het nog specifieker:

een twee-eiig tweelingboek waarin twee auteurs eigenzinnig hun visie geven op de sociale, economische, culturele en religieuze ontwikkelingen in de middeleeuwse Zuidelijke Nederlanden en aan de hand van dezelfde inhoudelijke ingrediënten elk een eigen ei leggen.

Geen catalogus dus. Al is het dat natuurlijk ook. De tentoongestelde schilderijen, voorwerpen, landkaarten, prenten en artefacten staan er allemaal keurig in afgedrukt, netjes vergezeld van uitleg en commentaar. De tentoongestelde collectie is absoluut de moeite waard. Een wat hybride verzameling, dat wel, maar juist omdat het vele minder gekende schilderijen en andere artefacten betreft, des te interessanter. Maar het ‘boek bij’ gaat inderdaad niet in de eerste plaats over de getoonde objecten, maar – zo lezen we in de ondertitel – over ‘de sociale, economische, culturele en religieuze ontwikkelingen in de middeleeuwse Zuidelijke Nederlanden’.

Gaat de tentoonstelling zelf daar trouwens ook niet over? ‘De gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden’, luidt daar de ondertitel. Het is een tentoonstelling met een boodschap. Exacter, het is er een bij een boodschap, want die laatste primeert overduidelijk.

En daar – zacht uitgedrukt – wringt het, ook wat het boek betreft. Ideologischer kan het haast niet: kunst en kunstgeschiedenis worden ingezet om er een onverkort eenduidige boodschap bij het hedendaagse publiek in te rammen. De mens van vandaag is in wezen een ‘ondernemer’ en de loop der eeuwen heeft er hard aan gewerkt om dat wezen aan de oppervlakte te krijgen: in de ondernemer openbaart zich het doel van de geschiedenis. En waar is de historische herkomst van die ‘ultieme mens’ te situeren? Nergens anders dan hier bij ons: in Vlaanderen, in Brabant, in Henegouwen. Daar is men zich al tijdens de donkere middeleeuwen als ondernemer gaan manifesteren en heeft men zodoende het kapitalisme uitgevonden. Is er iets waarover wij Vlamingen vandaag trotser kunnen (lees: moeten) zijn? In deze toonaard is heel het boek gecomponeerd.

Dat Fernand Huts (1950), de auteur van het ‘tweede boek’ zoiets schrijft, valt nog wel te begrijpen. De man is CEO van Katoen Natie, kunstverzamelaar (het is rond zijn collectie – die van de zogeheten Phoebus Foundation – dat boek en tentoonstelling zijn opgebouwd), en bovendien mecenas en ‘alziend oog’ (aldus de bijsluiter) van het hele project. Maar ook voor een topondernemer en amateurhistoricus is het niet verboden om, wanneer hij zich aan geschiedschrijving waagt, tegenover zijn studieobject een kritische afstand te bewaren. Noblesse oblige, ook in dezen. Nee, het kapitalisme is geen uitvinding van de middeleeuwse Vlaamse en Brabantse steden, zoals Huts zo stellig beweert. Waar die steden al snel groot in werden, tegelijkertijd (of iets later) met de Italiaanse steden (niet zonder invloed van de pas met de kruistochten ontdekte stedelijke cultuur van de Oriënt), was een markteconomie. En je moet echt het oeuvre van de Franse historicus Fernand Braudel niet doorgeworsteld hebben om te weten dat markteconomie en kapitalisme niet hetzelfde zijn, en dat wat zich in de middeleeuwen in het graafschap Vlaanderen ontwikkelde geen ‘spiritus capitalisticus’ was, zoals de auteur ons met een al te onhandig zelf gefabriceerd latinisme wil doen geloven.

Al moet je Huts wel nageven dat hij de ‘misdadige’ oorsprong van die genoemde ‘spiritus’ niet onvermeld laat. Over de eerste lijfeigenen die ‘ervanonder trokken’, schrijft hij dat zij zich redden door ‘hier en daar iets te stelen of te roven en het daarna, met een ontkiemend zakelijk instinct, voor veel geld aan de man te brengen.’ Hij haalt er zowaar Friedrich Nietzsche bij en citeert: ‘Handelaar en piraat waren gedurende een grote periode één en dezelfde persoon’. Spijtig dat hij verderop nergens op het idee komt dat die kwalijke facetten van de ‘kapitalistische’ ‘startberoepen’ enig verband zouden kunnen houden met de graaicultuur die onze hedendaagse economie tot algemeen aanvaard waarmerk van groot CEO-schap heeft verheven. Maar goed, hij laat dit aspect tenminste niet geheel onvermeld.

Dit kan niet gezegd worden van het andere, het eerste, van dit ‘twee-eiig tweelingboek’. In ideologische schriftuur moet ‘prof. dr.’ Katharina Van Cauteren (1981) (tevens curator van de tentoonstelling) niet onderdoen voor de man van wie ze in de inleiding tot het boek nochtans suggereert dat de kloof tussen haar en zijn visie op het onderwerp zo diep bleek dat ze daarom besloten hebben om, binnen hetzelfde volume, elk een eigen ‘boek’ te schrijven. In haar behandeling van de opstand in onze contreien onder leiding van Willem van Oranje aan het eind van de zestiende eeuw, laat ze zich bijvoorbeeld ontvallen:

Een republiek is het enige alternatief. Van de burger, voor de burger. Eeuwen van groeiend stedelijk bewustzijn en burgerlijke macht hebben onvermijdelijk naar dit punt geleid.

‘Onvermijdelijk’? Dat een historica zich in dergelijke termen uitdrukt, is een pijnlijke zaak. Geschiedenis kent geen deterministische logica, historisch gezien is niets onvermijdelijk, ook de ‘burger’ en het kapitalisme niet. Trouwens, vooraleer de burgerij de macht in Europa werkelijk zal overnemen (het republikeins experiment boven de Moerdijk kent geen navolgers in de zeventiende en achttiende eeuw, en evolueert trouwens na verloop van tijd naar een monarchie), wordt het wachten op de Franse Revolutie, en met het implementeren daarvan op mondiaal vlak zijn we nog dagelijks bezig. We kunnen ons in ons politiek (inclusief economisch) beleid het best niet op de ‘onvermijdelijke’ logica van de geschiedenis beroepen.

Van Cauteren houdt ervan over het verleden te spreken in metaforen van nu. Het Antwerpen van de zestiende eeuw met zijn uitgeverijen, schilder- en prentkunstateliers heet bij haar al snel het ‘Hollywood aan de Schelde’. Op zich is er niets mis met dergelijke actualiserende metaforen, maar als ze al te vaak een historiografisch verhaal gaan sieren, ondersteunt dit alleen maar het idee dat het vroeger allemaal al was zoals het vandaag in een veel betere editie is geworden. Dit versterkt nog Van Cauterens ideologisch vertoog.

Haar analyse bestrijkt een periode die loopt van de tiende/elfde eeuw (opkomst van de steden in onzen contreien) tot eind zestiende - begin zeventiende eeuw (de ondergang van die steden en de verschuiving van het economisch leven naar boven de Moerdijk). Maar die vijf of zes eeuwen worden in haar verhaal al snel een massief blok, dat ze bovendien al te vaak met de term ‘middeleeuwen’ aanduidt. Nergens wordt het eind van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw als ‘renaissance’ onderscheiden, wat zonder meer correcter zou zijn. Een ‘burger’ van 1580 is heus geen middeleeuwer uit 1380 meer en staat al helemaal ver af van een ‘burger’ uit 1080.

Het gebruik van ‘middeleeuwen’ en ‘middeleeuwse mens’ valt des te sterker op wanneer men een blik werpt op de schilderijen en het ander beeldmateriaal in het boek. Het overgrote deel daarvan dateert met name uit de vijftiende, zestiende en zelfs zeventiende eeuw. Niet meteen illustraties van de middeleeuwse mens.

De decalage tussen Van Cauterens verhaal en de getoonde werken doet trouwens nog een ander tekort oplichten in haar historische relaas. Voor de auteur is het duidelijk dat de burger zich sinds zijn verschijnen in de middeleeuwen gestaag heeft losgemaakt van God. Hij zou zich, in zijn keuze voor handel en gewin, steeds meer hebben geëmancipeerd van zijn religie. ‘“God” rijmt niet op “geld”’, heet het in het voorwoord. De auteur beschrijft de middeleeuwse burger als ‘de luis in de pels’ van het heersende religieuze wereldbeeld, dat ‘hersenspinsel […] van Kerk en adel’. ‘In de economische hoogdagen van Vlaanderen, Brabant en Henegouwen is de kiem gezaaid voor de vrije burger die zich losmaakt uit het goddelijk keurslijf van de drie standen.’

Maar wat laten al de getoonde en besproken schilderijen en prenten zien? Is er één schilderij waarop iemand God en religie de rug toekeert? Het gros ervan biedt een onvervalst religieuze voorstelling. En dat de opdrachtgever zich op heel wat van die heilige taferelen laat portretteren, betekent geenszins dat hij daarmee een kritische noot wil plaatsen bij zijn religie, laat staan er afstand van wil doen. Om het met een bekend, maar om begrijpelijke redenen niet in de tentoonstelling opgenomen voorbeeld duidelijk te maken: wanneer in 1430 Judocus Vijdt zichzelf samen met zijn vrouw Elisabeth Borluut door Jan van Eyck op het door hem bestelde schilderij Het Lam Gods (1432) in volle vroomheid laat afbeelden, is dat voor deze stinkend rijke patriciër uit Gent een welgemeende daad van religieuze devotie, die geenszins te reduceren valt tot het louter afkopen van een plaats in het hiernamaals.

Wanneer een eeuw later burgers van zijn stand dat wel zo zien en zich daarom tot de Hervorming van Maarten Luther of Johannes Calvijn bekennen, dan doen ze dat evenmin uit mindere vroomheid. Als iets hen voor het geld zal doen kiezen en hen nog hechter aan de markteconomie zal binden dan voordien, is het precies hun nieuwe vroomheid – met name hun zuivere vroomheid, zuiver opdat die verbiedt het zielenheil bij God af te kopen. Hun kritiek op de religie is helemaal geen kritiek tegen de religie, integendeel, zij heeft alleen een meer waarachtige religie op het oog. Juist hun geloof in God zal hen dus verbieden iets van God af te kopen; het verdiende geld kan in hun ogen niet langer afvloeien naar de religie, het kan ook niet meer heerlijk opgefeest worden, want ook dat zou van weinig eerbied voor God getuigen. Het geld kan met andere woorden nergens anders meer naartoe dan naar investeringen die nog meer geld opleveren, geld dat ook op zijn beurt weer nergens naartoe kan dan naar weer nieuwe investeringen, enzovoort.

Pas dit is kapitalisme: een economie waarbij de winst zo ongeveer nergens anders voor gebruikt kan worden dan voor het kapitaliseren van zichzelf. Kapitalisme dateert dus niet uit de middeleeuwen, maar vindt zijn herkomst in de wending die de markteconomie begint te maken in de zeventiende eeuw, daarbij sterk (maar niet uitsluitend) geholpen door een nieuw religieus (protestants, met name puriteins) mensbeeld dat in die tijd, hoewel vanuit de marge, toch steeds ruimer zijn effecten zal gaan sorteren. Een stelling die Max Weber uitvoerig heeft uitgewerkt in zijn bekende boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme (vertaling, 2012) en die Huts met één zin naar de prullenbak denkt te kunnen verwijzen. Maar eens te meer: hem moet je nageven dat hij die stelling tenminste nog het vermelden waard vindt; bij de academische auteur is er geen spoor van te vinden.

Voor God & geld moet je lezen als een willekeurig historisch boek uit de vroegere DDR of de Sovjet-Unie: als schoolvoorbeeld van een ideologische verdraaiing van de geschiedenis.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?