Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Klassieker kan het haast niet, ook in de pejoratieve zin van het woord: koek die je aan moderne tafels niet meer kunt serveren. De avonturen van Telemachus door François Fénelon (1651-1715), gepubliceerd in 1699, is een roman van de oude stempel. Al bij de eerste pagina’s druipt de moralisering ervan af en de roman houdt dat een slordige vierhonderd pagina’s consequent vol. Een jongeman wordt door een onkreukbare wijze de ene zedenles na de ander in de maag gesplitst en ondanks de obligate avonturen – want jawel, het is een avonturenroman – loopt het, voorspelbaar, allemaal in de grootste perfectie af.
En toch. Zet je over het eigengereide Franse zeventiende-eeuws stijleigen heen, laat je op sleeptouw nemen door de voortreffelijke vertaling (en dat kán, ik kan ervan getuigen), en gegarandeerd komt een vraag bij je op die je leeshonger onvermoed een ware boost geeft: wat als Donald Trump dit zou lezen? En ook: Wat als de jonge Donald dit boek door zijn vader in handen was geduwd? Wat als wat hij daar las, bij hem was aangeslagen?
Die vraag maakt de roman in een handomdraai verpletterend actueel, urgent zelfs. Jazeker, Fénelons Telemachus is een conservatief boek, conservatief christelijk, geschreven door een auteur die, ondanks zijn uitgesproken katholiciteit, eeuwenlang bovenaan de leeslijst stond (en her en der nog steeds staat) van zijn streng protestantse, ‘evangelicale’ en andersoortige achterban. Het boek barst van christendom, het bulkt van machomacht, maar precies in die hoedanigheid biedt het een weerwoord tegen de perfide machtspolitiek en het onwelriekende geflirt met religie waaraan Trump en zijn bende zich te buiten gaan.
Fénelon
Maar eerst: wie is François de Fénelon? Een telg uit een verarmd Zuid-Frans adellijk geslacht, die als simpele abbé (priester) toch carrière maakt en al snel een positie weet te verwerven aan het hof van Versailles. Hij wordt onder meer vertrouweling van Madame de Maintenon, de officieuze echtgenote van Louis XIV. En Maintenon wás religieus. Ze had Louis verleid op de enige wijze waarop je een oververhitte womanizer echt voor je kunt winnen: door uit vroomheid niet met hem naar bed te gaan. En ze werd inderdaad zijn vrouw, zij het als officieuze ‘echtgenote van de linkerhand’. Onder haar invloed evolueerde Versailles in korte tijd van adellijk ‘bordeel’ tot dito ‘klooster’. De harde, door Maintenon gedirigeerde vroomheid die er heerste, was duidelijk van féneloniaanse signatuur.
Centraal stond er de pur amour. Leven werd gedefinieerd als God liefhebben en dat hoorde je te doen met ‘zuivere liefde’: een liefde wars van elke vorm van eigenliefde, amour propre. Dat liefdespad is er een van steeds harder opgevoerde zelfpijnigingen. Tot idealiter de vrome Godminnaar helemaal ‘zelfloos’ wordt en hij of zij niets anders meer is dan ‘offer’, in Fénelons termen ‘holocauste’, een ‘allesbrand’: een aan de Almachtige opgedragen brandoffer dat geen resten nalaat. (Ik schreef er een lang hoofdstuk over in mijn Zelfloos, Amsterdam: Sjibbolet, 2017.)
Dus, nog eens, christelijker dan de auteur van Telemachus kun je je niet indenken. Maar tegelijk is Fénelon de auteur van de scherpste contemporaine aanval op het absolutisme van Louis XIV. Dat absolutisme trof alle lagen van de bevolking, uiteraard de arme boeren en ambachtslui, maar evengoed de in de ‘luxeflat’ Versailles gevangengehouden hogere adel. De minste politieke kritiek werd in de kiem gesmoord. Literaire genieën werden hielenlikkende propagandaschreeuwers. Met een vingerknip van Louis werd de vermaarde tragedieschrijver Racine historiographe du roi, lees: fabulator des konings.
Niets daarvan bij Fénelon. Zijn Lettre à Louis XIV is een onverbloemde kritiek op – inderdaad – de amour propre van de koning, op zijn tomeloze ijdelheid en, nog meer ad rem, op het schrijnend verwaarlozen van zijn ware functie: er zijn voor zijn volk. Dat volk is er niet voor de koning, de koning is er voor het volk: zo staat het er in niet mis te verstane bewoordingen.
Let wel, die Lettre is Louis XIV met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zelf onder ogen gekomen, maar wel zijn vrouw, Madame de Maintenon. Langs haar moest Fénelons kritiek in ’s konings politiek binnensijpelen. Een rechtstreekse brief aan Louis zou voor Fénelon desastreus geweest zijn.
Niet dat Fénelons carrière verder vlekkeloos is verlopen. Die kreeg een flinke knauw, en wel precies door zijn ideeën over de pur amour. Daarover was medio jaren negentig van de zeventiende eeuw een ongezien verhit publiek debat ontstaan – de zogeheten querelle du quietisme. Op het moment dat het Louis ter ore kwam hoe sterk Fénelons aandeel daarin was, had hij hem nog maar even daarvoor tot aartsbisschop van Cambrai benoemd. Die benoeming werd van dan af de facto een verbanning naar Cambrai. Voor Fénelon werd Versailles verboden terrein, wat zoveel wil zeggen als dat hij politiek doodverklaard werd.
En dat was hij voordien niet. Helemaal niet. Via Madame de Maintenon en andere ‘religieuze’ hovelingen was zijn invloed in Versailles behoorlijk groot geweest en dat werd in 1689 bezegeld met zijn benoeming tot ‘Précepteur du Duc de Bourgogne’. Hij werd met andere woorden verantwoordelijk voor de opvoeding van Louis’ kleinzoon, de tweede in lijn om hem op te volgen. Het is in die hoedanigheid dat hij in 1794 Les aventures de Télémaque schrijft, een soort ‘vorstenspiegel’, een roman bedoeld als leidraad voor de Bildung van zijn vorstelijke pupil.
Telemachus
In De avonturen van Telemachus bouwt Fénelon verder op Homeros’ epos over Odysseus, de schranderste der Griekse helden, die na het tienjarige beleg van Troje nog eens tien jaar op zee moest zwerven vooraleer hij zijn thuisland Ithaca bereikte. In de eerste zangen van de Odyssee gaat Telemachus, zijn zoon, op zoek naar zijn vader. Fénelons boek is een romanlange uitwerking van dit thema.
Op zijn zoektocht over de Griekse zeeën wordt Telemachus bijgestaan door Mentor. In dat mannelijke personage gaat niemand minder dan de godin Athena schuil. Als ‘précepteur du fils d’Ulysse’ bereidt hij/zij in woord en daad de jonge vorstenzoon voor om straks een waardige opvolger van zijn vader te zijn. De eerste pagina’s zetten meteen de toon. Net zoals het schip van zijn vader, loopt ook dat van Telemachus te pletter tegen de klippen vóór het eiland van Calypso. Die ontvangt volgaarne het gezelschap en zet meteen haar vallen uit om de net aangespoelde mooie jongeling te verleiden. Tevergeefs. Telemachus weerstaat de verleiding, geïnstrueerd als hij is door Mentor die hem leerde dat ‘schipbreuk en dood minder vreselijk zijn dan de genoegens die de moraal ondermijnen’.
Die ‘moraal’ is het eigenlijke onderwerp van het boek. Het betreft een ‘aristocratische’ moraal, een moraal die Telemachus tot ‘heerser’ moet maken. Maar daarvoor moet hij eerst en vooral zichzelf leren beheersen en er dus toe komen zich door niets of niemand te laten verleiden. En hij moet vooral leren – het is een leidmotief in de hele roman – zich in elk geval niet te laten verleiden door datgene waar heersers voortdurend aan worden blootgesteld: vleierij – de pluimstrijkerij van zogeheten ‘getrouwen’ die leven van de macht die ze van hun heerser krijgen (lees: plukken).
Als je dit in de loop van het verhaal voor de zoveelste keer leest, komt er vast een punt van verzadiging en is de neiging groot het boek opzij te leggen. Maar uitgerekend op dat moment schopt die overjaarse roman je pardoes in je eigen tijd. Dan schelt in je oren plots de lawine aan gevlei die je dag in dag uit te slikken krijgt wanneer de huidige Amerikaanse president nog maar eens de headlines van het journaal bezet houdt.
Daardoor ga je Mentors ‘christelijke’ uitlatingen meteen anders lezen. Bijvoorbeeld die over de vorst die vorst is omdat God hem de zorg over zijn volk heeft toevertrouwd. En dat hij dat dus niet is omdat God hem een volk schonk om hem in die hoedanigheid te eren. De vorsten die Telemachus’ pad kruisen, tonen maar al te vaak hoe het niet moet. Ze blijken te zijn vergeten dat ze mens zijn, net als hun onderdanen. Maar tegelijk, zo stelt Mentor, moeten ook die onderdanen beseffen dat er iets in hen is dat blijkbaar om een vorst vraagt. Als hij het over vorst en onderdaan heeft, is de vrome Fénelon bij momenten raak down to earth – zoals hier, in de woorden van Mentor:
[…] eerlijk gezegd zijn ook de mensen zeer te beklagen omdat ze moeten geregeerd worden door een koning die ook maar een mens is zoals zij, want je zou eigenlijk goden moeten hebben om de mens in het gareel te krijgen. Maar koningen zelf zijn evenzeer te beklagen, want ze zijn maar mensen, dat wil zeggen zwak en onvolmaakt, en moeten regeren over die onnoemelijke hoeveelheid verdorven, bedrieglijke mensen.
Verlichte cultuurkritiek
Fénelon komt bij momenten sterk in de buurt van het denken dat pas in de volgende eeuw zijn volle omvang en impact zal kennen. Als Telemachus in zijn zwerftocht Baetica aandoet (de Romeinse naam voor wat later Andalusië zal heten), wordt de lezer op pagina’s lange onversneden natuuradoratie getrakteerd, en dit opgediend met even onversneden hard cultuurpessimisme. Alsof je ongemerkt in een tekst van Jean-Jacques Rousseau bent terechtgekomen. De inwoners daar zijn ‘wijs geworden door enkel naar de natuur te kijken’ en ‘alles wat ze produceren is collectief bezit’. Sterker nog: zoiets als een regering is hen vreemd. Ze kennen geen heersers, geen vorsten. ‘Wat een waanzin […] om je geluk te zoeken in het regeren over anderen.’
Inderdaad, de romancier Fénelon ontpopt zich hier als een ware Verlichtingsauteur avant la lettre. En inderdaad, zo zal hij ook door de generatie van de Verlichting worden geapprecieerd. Van bij zijn eerste verschijnen kent Les aventures de Télémaque een enorm succes en beleeft in de loop van de achttiende eeuw herdruk na herdruk. De meest onvrome politieke denkers van de Verlichting hebben er zich gretig aan gelaafd. D’Alembert (samen met Diderot de man achter de Encyclopédie) neemt hem op in de reeks Éloges die hij schrijft over auteurs die hij bewondert. En het heeft weinig gescheeld of de kist met de resten van de kerkelijke prelaat uit het Ancien Régime werd door de leiders van de Franse Revolutie bijgezet naast het graf van Rousseau en Voltaire in het Panthéon.
Hoe de link te denken tussen de Fénelons ondraaglijk christelijke pur amour-spiritualiteit en zijn volstrekt unzeitgemäße kritiek op de absolutistische monarchie, nota bene zijn broodheer? Fénelons kritiek was moraliserend. Maar misschien is onze tijd zelf te moraliserend om die vraag überhaupt maar in zijn volle draagwijdte te kunnen stellen. Zeker omdat ons bij te stellen idee van christendom ertussen zit. De meest antiwereldse religiositeit gaat gepaard met een ongekend scherpe, ‘verlichte’ kritiek op de heersende politiek, en dit in naam niet van een hemelse maar aardse wereld, een wereld die een heel andere kant opgaat dan de theocratieën die spoken in de hoofden van heel wat hedendaagse rechts georiënteerde politieke cultuurcritici.
Het is hier niet de plaats om die vraag naar de link tussen Fénelons ‘conservatieve’ pur amour-vroomheid en diens ‘verlichte’ politieke kritiek de ruimte te geven die ze verdient. Maar het voortreffelijke werk dat de vertalers hebben geleverd en door de uitgeverij wereldkundig is gemaakt (waarvoor dank, ondanks de fouten die er toch zijn ingeslopen, zo erg zelfs dat men er een erratum-pagina heeft moeten inschuiven), zorgt ervoor dat die vraag toch ergens op de agenda van onze tijd blijft staan.
In 1766 publiceerde een zekere Louis-Auguste een bundel met politieke en morele maximes geplukt uit Les aventures de Télémaque. Hij deed dat met het oog op ‘de dag dat het ongeluk [malheur] hem zou overkomen te moeten regeren’. Twaalf jaar later zal deze Louis-Auguste inderdaad regeren: als Louis XVI.
Of het veel zou hebben geholpen als ook de jonge Trump zo’n bundel maximes had samengesteld, is nog maar de vraag. Maar die vraag zit wel in je kraag als je straks door de De avonturen van Telemachus zult dwalen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.