cover big

Postuum eerherstel

Ilse Logie

Over Zama van Antonio Di Benedetto (vert. Aline Glastra van Loon)

Lebowski Publishers, Amsterdam, 2017,
ISBN 9048837571 / 287p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 29-06-2017

Bookmark and Share

De oorspronkelijk in 1956 verschenen roman Zama van de Argentijnse auteur Antonio Di Benedetto (1922-1986) is wereldwijd aan een gestage opmars bezig. Dat komt vooral door de Engelse vertaling van Esther Allen, die vorig jaar bij de onafhankelijke Amerikaanse uitgeverij Archipelago Books uitkwam.

Niemand minder dan J.M. Coetzee wijdde er in The New York Review of Books een paginagroot artikel aan, dat de allure had van een heus schrijversportret. Hij noemt Di Benedetto onomwonden ‘A Great Writer We Should Know’ en plaatst hem op dezelfde voet als Albert Camus en Franz Kafka.

De timing van de Engelse vertaling heeft dan weer te maken met de verfilming van Zama door de Argentijnse regisseur Lucrecia Martel, die internationaal doorbrak met het experimentele La ciénaga (The Swamp, 2001).

Lebowski brengt de roman nu in het Nederlands, met op de cover een verwijzing naar een ander vergeten meesterwerk: John Williams’ Stoner (1965). De vertaling is van Aline Glastra van Loon en het verhelderende voorwoord van Maarten Asscher.

We zien hier hetzelfde patroon als bij de receptie van Roberto Bolaño: om een Latijns-Amerikaanse auteur buiten het Spaanse taalgebied te lanceren, moet die worden gelinkt aan andere beroemdheden en liefst een tot de verbeelding sprekend leven hebben geleid. Bolaño werd ten tonele gevoerd als een heroïneverslaafde beatnik, Di Benedetto als slachtoffer van de Argentijnse dictatuur.

In zijn geval is dat helaas de trieste waarheid: de in 1922 geboren auteur werd op de dag van de staatsgreep van Jorge Videla – 24 maart 1976 – opgepakt vanwege zijn journalistieke werk bij de krant Los Andes. Anderhalf jaar zat hij vast en werd hij brutaal gefolterd. Toen hij op aandringen van collega-schrijvers als Ernesto Sabato en Heinrich Böll werd vrijgelaten, was hij een gebroken man. Terwijl zijn werk voordien in binnen- en buitenland werd bekroond, kon hij tijdens zijn ballingschap in Madrid nauwelijks het hoofd boven water houden. In 1986 stierf hij.

Los van marketingstrategieën is het geheel terecht dat Di Benedetto alsnog eerherstel krijgt. Naast Zama, dat samen met El silenciero (1964) en Los suicidas (1969) een trilogie vormt, schreef hij prachtige verhalenbundels als Mundo animal (1953), Cuentos claros o Grot (1957) en Absurdos (1978).

Vruchteloos wachten

Zama speelt zich af in 1790. Don Diego de Zama is een hooggeplaatste ambtenaar van de Spaanse kroon, gestationeerd in een niet met name genoemde stad – duidelijk Asunción, de hoofdstad van het huidige Paraguay. Aan het begin van de roman heeft Zama een zware vernedering moeten slikken. Ooit was hij provinciegouverneur (corregidor) met een eigen district. Maar toen de Spanjaarden onder de Bourbon-dynastie het koloniale rijk centraliseerden, mochten in Amerika geboren afstammelingen van Spaanse onderdanen, de zogenaamde criollos, geen belangrijke functies meer bekleden. Zama werd gedegradeerd tot juridisch adviseur en overgeplaatst naar een uithoek, ver weg van zijn gezin in Buenos Aires. Vervuld van melancholie blikt hij terug op de gerespecteerde corregidor die hij ooit was. Tegelijk fantaseert hij over de brief die hem per schip zal bereiken en die het verlossende bericht zal brengen van een prestigieuze aanstelling in Santiago de Chile, Lima of Buenos Aires of, nog hoger op zijn verlanglijst, Spanje. De hele roman is doordrenkt van dit vruchteloze wachten op een grootse lotsbestemming die uitblijft.

Dat dit een veel voorkomend thema is in de Latijns-Amerikaanse literatuur, bewijzen klassiekers als De kolonel krijgt nooit post (1973) van Gabriel García Márquez of De put (1987) van Juan Carlos Onetti. Het heeft wellicht te maken met de perifere geopolitieke situatie van Latijns-Amerika en de enorme uitgestrektheid van het subcontinent.

Knap zijn de gebalde scènes waarin de hoofdfiguur datgene wat hij gadeslaat op zijn eigen frustratie betrekt. Een van de keren dat hij naar de rivier op weg is in de hoop post te mogen ontvangen, wordt zijn aandacht getrokken door een dode aap die op het water dobbert:

Op de kleine golf en de draaikolken die geen uitweg vonden dreef een dode aap, nog intact en onaangetast, punctueel heen en weer. Het water, aan de rand van het bos, had altijd genood tot de reis die hij nooit gemaakt had toen hij nog een levende en geen levenloze aap was. Het water wilde hem meevoeren en voerde hem mee, maar de palen van de gammele steiger hielden hem tegen en daar bevond hij zich, op het punt om te vertrekken en nee. En daar bevonden wij ons. Daar bevonden wij ons, op het punt om te vertrekken en nee.

De aap zit klem, net zoals de verteller zelf. En dat besef brengt de gedachtemolen op gang, het eindeloze gepieker. Iets verderop ziet hij een vis spartelen tegen de stroom die hem op de wal wil werpen. De rivier speelt een centrale rol in het boek. Op een abstracter niveau wordt ook de hoofdfiguur gekenmerkt door vloeibaarheid, door een gebrek aan vastheid en door een besluiteloosheid die haaks staat op de dadendrang uit zijn vorige leven.

Een andere voorbeeld van Zama’s lethargie is de tergend trage beschrijving van de giftige spin die het hoofd nadert van een man die naast hem ligt te slapen. Zama weet hoe gevaarlijk dat is, maar doet niets, kijkt alleen gebiologeerd toe hoe de spin afdaalt over het voorhoofd van de man, met haar poten uitgestrekt over zijn rechterwang en daarna over zijn nek kruipt.

Gevangene van zijn fantasie

Zama treedt op als verteller, waardoor we de hele roman lang in zijn hoofd vertoeven, en al snel beseffen dat zijn perceptie van de realiteit vertroebeld is door verbittering, zelfspot en paranoia. Om zijn leven draaglijk te maken, vlucht hij in erotische hersenspinsels. Hij wordt verliefd op Luciana, de vrouw van een grootgrondbezitter uit de streek, en als hij haar niet kan krijgen op Rita, de dochter van zijn gastheer. Zama klampt zich vast aan ratio en orde, aan wetteksten, koloniale regels en etiquette, maar desondanks ontspoort hij.

In deel twee, dat een sprong maakt naar 1794, dient Zama onder een nieuwe gouverneur en is hij steeds meer de gevangene van zijn fantasie, die tot uiting komt in een associatieve droomlogica.

In het derde deel, dat zich in 1799 afspeelt, is Zama helemaal aan lager wal geraakt. Door geldproblemen moest hij intrekken in een armetierig pension, waar hij ten prooi valt aan hallucinaties. Om zijn laatste greintje zelfrespect te redden, besluit hij mee te doen aan een strafexpeditie tegen de bandiet Vicuña Porto. De expeditie wordt een debacle. Zama raakt zwaar gewond, maar komt aan het einde tot inkeer. Interessant is ook de evolutie van de stijl: naarmate de hoofdpersoon de controle verliest, worden de zinnen laconieker. De dood van een aantal manschappen ontlokt hem het volgende staccato:

Ik bedacht dat we ze zouden moeten begraven.
Daar zouden ze blijven, aan de voet van de heuvel, onder een kruis en een steen.
De wind zou het kruis omblazen. Daarna zou iemand die steen meenemen.
Vlakke grond.
Niemand.
Niets.

Di Benedetto was niet afkomstig uit de hoofdstad Buenos Aires, maar uit Mendoza in de provincie Cuyo. Samen met onder anderen zijn tijdgenoot Juan José Saer (1937-2005) gaf hij literair gestalte aan de verbeelding van het Argentijnse binnenland. Saer heeft bewonderend over Di Benedetto geschreven, en zijn eigen magistrale roman El entenado (in het Nederlands verschenen als De ooggetuige (1994)) vertoont frappante overeenkomsten met Zama. Ook al is de stof die ze behandelen verweven met hun afkomst, geen van beiden waren het lokale schrijvers: ze zochten aansluiting bij internationale stromingen als het existentialisme en de Nouveau Roman. De ooggetuige en Zama zijn geen heimatliteratuur en evenmin historische romans in de traditionele zin van het woord, al spelen ze zich af ten tijde van de Spaanse kolonisering. Daarvoor zijn ze niet realistisch genoeg en zijn hun hoofdpersonages te onbetrouwbaar.

In het geval van Zama neemt de vervreemding zulke proporties aan dat de roman aansluit bij de belangrijkste traditie in het Plata-gebied, namelijk die van de in de psychoanalyse gewortelde fantastische literatuur, met vertegenwoordigers als Jorge Luis Borges, Silvina Ocampo, Horacio Quiroga, Julio Cortázar, Felisberto Hernández en María Luisa Bombal. Hoewel het er vaak mee verward wordt, staat dit genre ver af van het beroemd geworden magisch realisme: anders dan bij pakweg Gabriel García Márquez, die het onwaarschijnlijke aannemelijk wil maken, is het de auteurs van fantastische verhalen erom te doen het verontrustende in de werkelijkheid naar boven te brengen.

Beschaving en barbarij

In Argentinië wordt Zama in die context gelezen. Evengoed kan de roman worden geïnterpreteerd zoals Coetzee dat doet: als een existentieel drama met universele draagwijdte dat handelt over de eenzaamheid van de mens.

Maar Zama is ongetwijfeld ook een postkoloniale roman over de Latijns-Amerikaanse identiteit. Diego de Zama is een in Amerika geboren creool met Spaanse wortels, die de hele roman lang worstelt met zijn plaats in de samenleving. Zijn probleem is dat hij zijn Amerikaans-zijn niet kan accepteren. Vandaar dat hij voortdurend met zichzelf in de knoop ligt en hunkert naar alles wat onbereikbaar is. Zo begeert hij alleen Spaanse vrouwen, omdat hij de Europese cultuur superieur acht aan die van de Nieuwe Wereld. Luciana belichaamt voor hem dat ideaalbeeld. Anders dan de inheemse of mestiezenvrouwen, roept ze beelden van raffinement in hem op. Hij associeert haar met Europa, met:

sneeuw, vrouwen die er verzorgd uitzien omdat ze niet overdadig transpireren en die in brandschone huizen wonen omdat er geen enkele vloer van aarde is. Ontklede lichamen in verwarmde vertrekken met haardvuur en tapijten.

Hoewel hij zelf Amerikaan is, kan hij Amerika niet anders zien dan via de blik van de kolonisator.

Met deze zoektocht naar zijn identiteit komt hij in het reine in deel drie, waarin hij de ‘beschaving’ de rug toekeert om de confrontatie aan te gaan met het door indianenstammen bewoonde binnenland – met zijn Heart of Darkness. Pas wanneer hij die ‘wilde’ component in zichzelf erkent en de mythe van Europa overboord gooit, grijpt er een symbolische wedergeboorte plaats.

Voor de vierde keer wordt Zama aan het eind bezocht door de raadselachtige blonde knaap van twaalf die dienstdoet als zijn geweten. Pas dan ziet Zama zijn dwaling in en wordt hij zich bewust van de enorme kracht en vitaliteit van Amerika. In deze roman zinderen talloze andere teksten na waarin deze tegenstelling tussen beschaving en barbarij wordt gethematiseerd, een discours dat de Latijns-Amerikaanse literatuur de hele negentiende eeuw lang heeft beheerst.

Vertaalster Aline Glastra van Loon stond voor een aartsmoeilijke opdracht. Di Benedetto schrijft in een heel eigen idioom: zijn weerbarstige taal is een mengsel van moderniteit (veelvuldig gebruik van de ellips, verwrongen syntaxis, lyrische uitschieters) en archaïsering – die verband houdt met de tijd waarin de roman speelt, maar ook met de invloed van het gesproken Spaans uit de provincie Cuyo.

Het is dus een soort kruisbestuiving tussen Samuel Beckett en de Spaanse Gouden Eeuw. Als vertaalster van Javier Marías is Glastra van Loon een en ander gewend, maar hier had ze doortastender mogen ingrijpen in de tekst. Sommige passages zijn zo letterlijk weergegeven dat ze onbegrijpelijk worden. Zinnen als: ‘De vrouw had zich geërgerd aan het voorstel en don Ignacio zei dat ze haar eigen huis wilde houden om op een gerieflijke wijze de persoon te ontvangen die vóór de dood van haar ouders niemand als haar broer had gekend’ zijn te plechtstatig.

Ook de omgang met koloniale termen of inheemse woorden uit het Guaraní is halfslachtig. Het is niet duidelijk waarom bepaalde lengtematen en ambtelijke titels wel werden behouden en andere niet. Maar wat goed dat Lebowski dit werk heeft uitgegeven, zodat ook de Nederlandstalige lezer het eindelijk leert kennen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?