cover big

Schrijven voorbij het oeuvre

Sven Vitse

Over Practicum of het steriele schrijven van Willy Roggeman

het balanseer, Aalst, 2009,
ISBN 9789079202041 / 323p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-01-2010

Bookmark and Share

In de vroege jaren vijftig was het tijdschrift Tijd en mens het orgaan van de literaire vernieuwing in Vlaanderen, met auteurs als Jan Walravens, Hugo Claus en Louis Paul Boon. Het duurde niet lang voor het oog van de redactie viel op het prille werk van Willy Roggeman, een student Germaanse Talen met een bijzondere voorkeur voor Duitse expressionistische dichters. In Practicum of het steriele schrijven haalt de auteur herinneringen op aan zijn eerste schrijfsels. In zijn tweede jaar stuurde Roggeman een verhaal in voor een wedstrijd: ‘een verhaal’, zo schrijft hij, ‘waardoor ik in het adressenboekje van Jan Walravens terechtgekomen ben’. Een ander jeugdwerk, geschreven in 1953, ‘kwam bij Louis Paul Boon terecht. Hij eiste het op voor Tijd en mens.’

In de decennia die daarop volgden, behoorde het werk van Roggeman – poëzie, essays en proza – tot de top van de Vlaamse letteren. Een achterflap uit de jaren zestig noemt Roggeman zonder blikken of blozen ‘een uitzonderlijk talent, zoals er zelfs in de Franse of de Duitse literatuur slechts enkele voorkomen’, een talent dat bovendien van groot belang is ‘voor de ontwikkeling van het literaire denken en het literair besef’. Verkooppraatje of niet, deze woorden zeggen iets over de status die deze schrijver destijds genoot. Ze maken het des te moeilijker om te geloven dat van Roggeman vanaf de jaren tachtig nog maar heel weinig in druk verscheen.

In Practicum zien we de auteur heel even piekeren over de onuitgegeven typoscripten die zijn ladekasten vullen. Ze zijn ‘hem vreemd geworden’, maar ze hebben nog niet ‘de vrijheid’ van het gepubliceerde boek. Ze blijven in een soort vagevuur tussen auteur en lezer hangen, want zodra de aantekeningen gekopieerd zijn, bijvoorbeeld in een typoscript, krijgen zij volgens Roggeman ‘hun ware tekstdimensie’. Zij beginnen met andere woorden te betekenen, ze zijn klaar voor receptie en interpretatie. Een onuitgegeven typoscript doet dat echter zonder lezers. Gelukkig biedt de nieuwe Aalsterse uitgeverij het balanseer nu voor een erg belangrijk manuscript verlossing.

Na het Opus

Practicum werd geschreven in de periode 1981-1986. Roggeman schreef het gros van zijn gepubliceerde proza tussen de late jaren vijftig en de vroege jaren zeventig. Hij maakte indruk met erudiete essays over Kafka en Benn, vormvernieuwend verhalend proza en hybride, vaak poëticale aantekeningenboeken. Roggeman publiceerde niet zomaar boeken, hij schreef een opus, het Opus Finitum meer bepaald. Tot op de dag van vandaag blijft een deel ervan ongepubliceerd. Hij schreef aan een in zichzelf besloten oeuvre in de veronderstelling ongeneeslijk ziek te zijn. Toen hij dat na een ingrijpende operatie in 1978 niet langer was, begon hij aan het schrijven-na-het-opus. Vorig jaar verschenen bij het balanseer al de gedichtencyclus Cadenas en de fascinerende kroniek Betoverende katastrofe. En nu is er dus Practicum of het steriele schrijven, het dossier van pijn en onrust, het verslag van een ziek lichaam.

Zeggen dat het om een nieuw boek van Roggeman gaat, zou dus niet helemaal accuraat zijn. De aantekeningen waren ook helemaal niet als boek bedoeld. De auteur schreef ze, zo beweert hij, om zijn door fysiek ongemak geplaagde hand te oefenen; elke aantekening een veldslag in de strijd tegen het zieke lichaam. In het groots opgezette Opus wilde Roggeman, volgens zijn vaak geciteerde formule, ‘het nihil van het bestaan transcenderen’. Die artistieke, zelfs ‘metafysische doelgerichtheid’ ontbrak aan Practicum, dat immers louter gymnastiek van de hand genaamd wil zijn. De ‘practicumbladen’, aldus Roggeman, ‘verschillen precies van het boek door de afwezigheid van telos’.

Pagina 1000 van het manuscript naderend, constateert de auteur enigszins verrast dat de tekst door zijn interne samenhang en thematische consistentie alsnog een boek blijkt te zijn. En hoewel de aantekeningen ongeveer een kwarteeuw oud zijn, biedt dit boek de Roggemanlezer ook echt iets nieuws. Die lezer krijgt immers voor het eerst inzage in de cahiers waaraan Roggeman werkte na de cesuur van 1978.

Na herlezing van pakweg 800 pagina’s manuscript merkt de auteur op: ‘Het prettige van dit practicum is dat ik stellig vaak hetzelfde herhaal zonder dat dit mij bij het schrijven stoort. (…) Deze 810 bladen moeten een verdomde monotonie vertonen, gesteld dat zij door iemand zouden worden gelezen’. Dát zij ooit zullen worden gelezen, staat blijkbaar niet vast, al wijst de auteur elders op de noodzaak van ten minste een imaginaire lezer, van de waan dat de tekst gelezen wordt. Welnu, de bladen zijn gelezen, en merkwaardig persistent als zij zijn, ‘verdomd monotoon’ zijn zij allerminst.

Ik heb in elk geval geen vloeken moeten onderdrukken: Practicum is een intrigerende en intelligente bundel aantekeningen en een belangrijke aanvulling op het al gepubliceerde werk van de auteur. Roggeman wisselt als vanouds variaties op een poëticaal statement af met soms geagiteerde leesnotities. De lezer volgt de auteur in zijn lectuur van Valéry, die hij ‘ook in zijn meest toevallige bladzijden nog boeiender vind[t] dan de hele Nederlandse letterkunde’. Het werk van Dostojewski heeft hij gedurende deze hele periode bij de hand, en ook Musil, Kant, Nietzsche, Carl Einstein en de Kafkastudie worden uitvoerig van inzichtelijk commentaar voorzien. Muzikaal lijkt Bach het pleit te winnen: het lucide contrapunt biedt de luisteraar een vorm van ‘verticalisme’, een gestrekt been in het nu van ‘de zich ontwikkelende muziek’. Het existentieel equivalent hiervan is niet min: ‘het onbekende van het voorbij het leven in het ogenblik neutraal te ervaren’.

Daarnaast, en enigszins verrassend, leest Roggeman trouw de Kronieken van Menno ter Braak, zowat de enige Nederlandstalige auteur die ter sprake komt. De man van het in zichzelf besloten, autonome artefact herinnert zichzelf eraan ‘Ter Braak in 1955 als een leermeester [te hebben] gelezen, een maître à penser. Rond 1958 was het je duidelijk dat je op bepaalde beslissende punten tot diametraal tegenovergestelde standpunten was gekomen inzake artisticiteit, maar je hebt Ter Braak nooit afgewezen’. Alle aantekeningen over Ter Braak lijken samen zelfs een soort hommage te vormen.

Het steriele schrijven

Er zijn twee thema’s waarnaar dit practicum obsessief terugkeert: het steriele schrijven na het opus en de ik-problematiek. De steriele schrijver doet ‘al het mogelijke’ om ‘het constructieve schrijven waarmee hij een kwart eeuw bezig is geweest uit de weg te gaan’. Schrijven was voor Roggeman steeds een gevecht tegen de entropie, tegen het onafwendbare verval, een poging om het nihil te transcenderen in een kunstding, gesloten als een kei. Een belangrijke inspiratiebron daarbij was de Artistikopvatting van Nietzsche: enkel het kunstwerk kan het nihilisme nog overwinnen. De beelden zijn er nog wel, wanneer Roggeman over het opus opmerkt dat het ‘verticaal in het moment’ staat, en daardoor ‘een organische situatie [transcendeert]’. Na het opus, daarentegen, laat de auteur zich ‘op het nihil (…) meedrijven’. Dat nihil is het verraad van het lichaam, de aftakeling van het dier, de pijn waarin de auteur met een zekere gelatenheid zijn meerdere, zijn obstakel, maar impliciet ook een beetje zijn inspiratiebron moet erkennen.

De strijd tegen het nihil speelt zich op het fysische niveau af, het doel – als dat er al is – is van fysiologische aard: ‘het weerleggen van de chaos en de paniek die in ‘l’animal’ voortdurend op de loer liggen’. Het streven naar autonomie moet hij dan ook opgeven: de tekst wordt niet langer door zijn interne noodzaak voortgestuwd, maar vooral door de impulsen en blokkeringen van het lichaam. De auteur ervaart ‘een directe samenhang tussen het functioneren van het biologisch organisme van het subject en de continuïteit van deze niet op een einde gerichte tekst’.

De fysieke toestand, of een verandering daarin, zal een einde aan het practicum maken, niet de artistieke logica van het autonome artefact. Dit is schrijfarbeid ‘zonder metafysische tactiek (…) zeer fysiologisch bepaald (…); het naakte gevecht van animal en conscience’. De geest heeft veel van zijn pluimen verloren, ‘de autonomie van het geestelijk niveau’ is het jaar 1978 niet ongeschonden doorgekomen. De fysieke problemen hebben het blinde vertrouwen dat de woorden ‘in de passende structuur’ springen aangetast. Aan het opus-schrijven lag ‘een onbeperkt vertrouwen’ ten grondslag, ‘een vorm van hybris die ik kwijtgeraakt ben’. Het schrijven na het opus is een schrijven zonder ‘middelpunt’, een schrijven dat een ‘middelpunt moet creëren uit hetgeen ontbreekt’. Toch is de ambitie opvallend: Practicum is geen gemakzuchtig egodocument. Het is een onderzoek naar de mogelijkheden van de taal, ‘het bevestigt denkmogelijkheden in taal’.

Het ‘steriele’ schrijven dat Roggeman hier beoefent, is trouwens niet per se strijdig met de artistieke doelgerichtheid van het autonome artefact. In het werk van Mallarmé vindt Roggeman een voorbeeld van de steriliteit van het kunstwerk: ‘Optimale creativiteit resulteert in het totaal steriele product. Die steriliteit schept op haar beurt de creatieve autonomie van het product’. Steriel wordt de tekst wanneer hij zich onthoudt van inhoud en effectbejag: de steriele tekst gaat nergens over, is idealiter betekenisloos, zonder extern doel en wijst alle retorische trucs af. Roggeman weigert de ‘trucage’ van ‘verhalend proza’ en ‘verworven schriftuurmiddelen’ met nog meer overtuiging dan voorheen, en wijst er tegelijk op dat zijn taal conventioneler wordt.

In Practicum heet dit steriele schrijven een louter fysiologische activiteit te zijn. Dit ideaal bereikt de auteur nooit – of naar eigen zeggen, ‘slechts zelden’ – temeer omdat hij blijft pendelen tussen de wil om inhouden te weigeren en de angst om zijn tekst onvoldoende heldere contouren te geven. Ook in de laatste dagboekaantekeningen van André Gide ziet Roggeman een post-opusschrijver aan het werk: hij bevindt zich ‘voorbij het oeuvre’ en wil louter nog wat schrijven omdat hij ‘niet kan leven zonder de manuele feitelijkheid van pen en papier’.

Ook de problematiek van het ik krijgt een stevige voet in het fysieke. In De goddelijke hagedisjes schreef Roggeman al dat ‘de mythe van het IK (…) een niet legbare puzzel [is]’. In Practicum wordt deze puzzel gelegd met behulp van de terugkerende figuur Dagoelash en met de tot personage geobjectiveerde HIJ van de auteur als derde persoon. De drang naar ‘de ik-bevestiging’ of het ‘ik-besef’ – die in de late jaren 1960 het gefragmenteerde ik nog sterk bezighoudt, lijkt in Practicum minder urgent. Misschien omdat de tegenkrachten sterker geworden zijn.

Niet de filosofie en de psychoanalyse onttakelen het ik, het is het zieke lichaam zelf dat ‘de leugens van de ik-constante’ onderuit haalt. Het organisme glijdt uit ‘het vertrouwde assenstelsel’ van tijd en ruimte, het falende geheugen ontmaskert de continuïteit van het ik in verleden, heden en toekomst als een luchtspiegeling. Het ik is een veranderlijke, het bestaat slechts in het moment, in de spelingen van het lichaam en de omgeving. Daartegenover staat de persoonlijkheid, de getrukeerde projectie van een constant ik – het ‘spel der persona’s’, het spel van de maskers.

De mens blijft geloven in een eenheid, ‘al is die eenheid het nulniveau (…) van het ik’, maar de hevige duizelingen, de geheugenstoornissen en het terugkerende ‘gevoel middendoor gesneden te zijn’, laten weinig heel van ‘het unieke van het individu’. Als al de schijn van een stabiel ik ontstaat, dan is die alleen te danken aan een cocktail van medicijnen die het lichaam, het verraad van het karkas, onder controle houdt. Meer dan van het bewustzijn is de toestand van het ik afhankelijk van het weer: de ‘verhouding ik en meteorologische toestand’ is ‘de enige die met zekerheid kan worden onderzocht’. Zelfs het lezen en het denken hebben hun continuïteit verloren, omdat het verzwakte geheugen niet meer in staat is de indruk van een continue tijdsbeleving in stand te houden. De eertijds zo geroemde ‘homoïostase’ is in post-opustijden in het beste geval een chemische constante geworden.

In zijn nawoord merkt de auteur op dat we ‘de ‘rapporten’ van het fysieke nulniveau’ niet als een vorm van ‘narcisme’ mogen lezen. Dat zijn ze inderdaad niet: meer dan de schrijver staan in deze aantekeningen de mogelijkheidsvoorwaarden van het schrijven ter discussie. Dát dit boek er is gekomen, is op zich al fascinerend. Het klopt wel dat Roggeman vaak op dezelfde spijker slaat, vooral op poëticaal vlak, en de grote aandacht voor allerhande fysieke ongemakken en voor het weer kan sommige lezers misschien storen. In dit dossier van ziekte zijn deze schijnbare gebreken echter zonder meer functioneel.

Dit werk eist een toegewijde lezer, die bereid is om zich open te stellen voor het parallelle universum van zijn auteur. Die lezer zal daarvoor ruimschoots beloond worden. Practicum heeft niet de urgentie en de poëtische dichtheid van het Opus, maar daar staat tegenover dat het een toegankelijker werk is. Het resultaat is een must voor wie het werk van Roggeman heeft gevolgd, en een ideale kennismaking voor hopelijk talrijke nieuwe lezers.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?