cover big

Systeemfout

Erwin Jans

Over onbalans van Bart Van der Straeten

Vrijdag, Antwerpen, 2014,
ISBN 9789460012648 / 88p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-11-2014

Bookmark and Share

onbalans heet de debuutbundel van Bart Van der Straeten (1979). De inhoudstafel maakt echter snel duidelijk dat we de ‘onbalans’ niet moeten zoeken in de opbouw van de bundel. Integendeel, de bundel is hecht gecomponeerd en zijn structuur staat in het teken van een formeel evenwicht. onbalans bestaat uit zes cycli van respectievelijk drie, vier, negen, negen, vier en drie gedichten. In vijf van de zes cyclustitels wordt het aantal gedichten expliciet vermeld: ‘drie hellingen’, ‘vier poëtica’s’, ‘negen infinitieven’, ‘vier eilanden’, ‘drie oorlogen’. De negen gedichten van de cyclus ‘breek en sprak’ hebben als titels: ‘breek 1’ tot ‘breek 6’ en ‘sprak 1’ tot ‘sprak 3’. Ook de afzonderlijke gedichten getuigen van een strakke, uitgepuurde bouw: geen hoofdletters, weinig woorden, korte regels, een elliptische syntaxis. Niet als louter formeel spel, maar als de uitdrukking van een bepaalde visie op het schrijven.

Dit is geen lyrische poëzie, geen stem van een ik die zijn singuliere gevoelsleven uitzingt (‘de groeve / gevoelsafval’). Het is evenmin een poëzie die het moet hebben van een eigenzinnige observatie van de concrete werkelijkheid (‘in de grond is het leven eenvoudig. / je moet het zien met eigen ogen’) of een barok spel met woorden (‘de woorden zijn gretig / de woorden zijn ziek / zij zoeken genezing’). In Van der Straetens poëzie is het wit even belangrijk als het woord. Dat hebben vormgever en uitgever goed begrepen. De bundel heeft een volledig witte kaft en de gedichten staan enkel afgedrukt op de rechterpagina. Maar als er zoveel ‘vorm’ wordt aangebracht, dan wijst dat ook op iets wat in bedwang – in balans – moet worden gehouden. De titels ‘hellingen’ en ‘oorlogen’ bijvoorbeeld verwijzen expliciet naar twee situaties van verloren evenwicht, terwijl de cyclus ‘breek en sprak’ suggereert dat ook de poëzie, het ‘spreken’, iets met ‘breken’ te maken heeft.

onbalans is geen eenvoudige lectuur, precies omdat de gedichten zo minimaal zijn. Het wantrouwen tegenover de woorden is groot en tegelijk zijn woorden de enige materiële tekens waarop de dichter een beroep kan doen. Het wit en de stilte die woorden omringen, kunnen evengoed diep mysterie als gebakken lucht zijn. In haar studie Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de moderne poëzie (2006) doet Yra van Dijk uitgebreid onderzoek naar de functie van het wit bij dichters als Leopold, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff en Hans Faverey. Wanneer bezwijken woorden onder het gewicht van het onuitgesprokene en het gesuggereerde? Wanneer wordt van woorden te veel gevraagd? De grens tussen de ‘essentie’ en ‘nietszeggend’ is vaak flinterdun en een leeg blad is soms niet meer dan een leeg blad. Ook naar die omslag in de balans kan de titel verwijzen.

De bundel opent met een kort gedicht dat we moeilijk anders dan als een programmaverklaring gelezen kunnen lezen. Niet in de laatste plaats vanwege de imperatief:

je moet alles
op de helling zetten

tot het begint
te schuiven

en dan weer zachtjes
kantelen

De onbalans wordt eerst veroorzaakt en dan weer ongedaan gemaakt. Dat lijkt nog te wijzen op een grote controle over evenwicht en onevenwicht, maar het is de vraag of de rest van de bundel dit optimisme bevestigt. Een vluchtige blik op het laatste gedicht, dat je onwillekeurig leest als een conclusie, maakt duidelijk dat dat inderdaad niet het geval is:

de oorzaken
achter de linies

in hoofde waarvan

de heerszucht
het woeden
de woede

systeemfout

De titel van de laatste cyclus, ‘drie oorlogen’, doet het ergste vermoeden. Achter de strakke vormen van deze poëzie gaat een permanente strijd schuil.

Van der Straetens poëzie heeft onmiskenbaar een sterk contemplatief en bij momenten zelfs meditatief karakter. Zoals het tweede gedicht, dat de formulering van een oude oosterse wijsheid zou kunnen zijn: ‘er is niets / in de vulkaan // dat niet eigen is / aan de vulkaan // of aan de hitte / die eraan ontspringt’. Dit klinkt als een spirituele aanvaarding van wat een vulkaan is, mét al zijn destructieve kracht: balans en onbalans in één, rust en uitbarsting. Het derde en laatste gedicht van de eerste cyclus maakt van de onbalans een affirmatieve existentiële keuze: ‘met de borst opgetrokken / de kin vooruit // op het einde / van de wip gaan staan // en springen / onbalans’. Maar wat zijn de consequenties van zo’n sprong?

De titel van de tweede cyclus – ‘vier poëtica’s’ – lijkt een antwoord te suggereren op het niveau van het schrijven. Maar betreft het vier verschillende poëtica’s of vier andere verwoordingen van dezelfde poëtica? In het derde gedicht, ‘ahmedinejad’, gaat het over een profetische retoriek: ‘luister naar de kracht van de profeet / hij heft de kromstaf voor zijn volk’. Verderop in het gedicht staat er: ‘uit de smidse / klonk een lied. ik had te volgen.’ Is dit een poëtica van de verleiding? Het eerste gedicht, ‘het was’, opent met een mythische tijd: ‘het was in de dagen zonder regen’. Er is sprake van een zwaar pak in het water, dat echter niet zwaar genoeg is om te zinken: ‘men zag een pak / en het water stond stil / het donkere water’. Is dat een beeld voor de poëzie? Het gedicht als een pak op het water waar men niet bij kan: ‘men heeft de zwaarte in zich geborgen / is aan de dorstige oevers gaan staan’. Een poëtica van het mysterie? Het tweede gedicht van de cyclus, ‘en de bomen’, is veel aardser: ‘het hier en het nu / en de bomen // meer in de grond is er / niet, […]’ Positieve woorden als ‘het schone’, ‘het grote’ en ‘het hoge’ worden verbonden met wankelen, neervallen, verdwaasd kijken, ‘bezwijken van angst en verwachting’. Een poëtica van de ontnuchtering: ‘hopen, // en heilloos herhalen // dat alles gezegd werd, moet worden, / de vrede bewaren, de wereld / haar woorden ontnemen, de wolven / doen zwijgen’. Het laatste gedicht is dan weer optimistischer: ‘er is een grootheid / die benaderbaar is’. De poëtica lijkt heen en weer geslingerd te worden tussen profetische hoogmoed, mysterie en heilloze alledaagsheid, om een tijdelijk evenwicht te vinden in de mogelijkheid van een zekere perfectie: ‘wat gezegd moet worden / kan juist gezegd worden’.

De kern van de bundel bestaat uit de twee cycli van negen gedichten, ‘breek en sprak’ en ‘negen infinitieven’. In de gedichten ‘breek’ 1-6 komen de onbalans en de breuk in een relatie aan bod, in een mengeling van wreedheid en tederheid:

ik heb je volkomen gemaakt
je hebt me in vrede gebroken
je kunt met mij of zonder mij verder

toe, breek nu, wees teder
ik heb je nog nooit zo geschonden,
zo bleek in de ochtend gezien

Maar het afscheid lijkt ook de dimensie van een religieus vaarwel te krijgen, al is ook hier dubbelzinnigheid troef:

er wachtte een ijzeren hemel,
tot ons sprak een ijzeren god.
zijn stem gaf ons voedsel.

we wetten de messen, scherpten de tanden.
we droegen zijn lichaam op handen.
we gisten en misten zijn naam.

Het besef van dat gemis leidt tot het meest cynische gedicht van de bundel, ‘sprak 1’, waarin een folteraar aan een gefolterde vraagt of hij weet hoe het is werkelijk alleen te zijn: ‘en ze keken elkaar aan / folteraar / gefolterde // en ze wachtten samen op de lach’. ‘sprak 2’ en ‘sprak 3’ lijken het menselijke helemaal uit te wissen: ‘er was voor de lach / en er was na de lach / en de zee bleef kalm’, maar ook: ‘en om de haverklap // de zilvermeeuw / en de verantwoording’. De zee mag dan onverschillig zijn, de mens kan dat niet.

De cyclus ‘negen infinitieven’ is een confrontatie met de breuk bij uitstek, het moment dat geen kanteling meer toelaat: de dood – ‘het slotakkoord’, zoals het in het eerste gedicht heet. Het meest uitzichtloos wordt dit geformuleerd in het aan de dichter en criticus Jeroen Mettes (1978-2006) opgedragen ‘wetten’:

men zal zijn geweest
restfractie
tekst voor de rouwdienst
een wekker die afgaat

[…]

versmelting van letters
verwerking van vetten
strottenhoofd ruis

Het leven als een vetverwerkingsmachine. Het spreken als een oefening in ruis. Meer is er niet. En toch zijn er ook hier momenten van hoop: ‘soms toont zich een antwoord / volkomen bewoonbaar // men bouwt aan / een letterlijk huis’. Het spreken loopt hier niet fataal uit op ‘ruis’, maar op een ‘huis’: ‘zo is ook wijsheid / een vorm van beschutting’.

‘vier eilanden’ en ‘drie oorlogen’ zijn opnieuw dramatische cycli in de eigenlijke zin van het woord: vol conflicten, beweging, spanning en strijd. Met het eigen hoofd (‘uit de echoput / hoofd’), met de eigen emoties (‘zoals de groeve / gevoelsafval // in mij weegt’), met de vaders (‘voorvader wankel / wankele vader’). In ‘vier eilanden’ duikt opnieuw de zee op, de anonieme kracht die nu naar binnen lijkt te slaan: ‘kerend, kermend / geluid / van de zee’. Het laatste gedicht van de cyclus is een soort gebed, een smeekbede van de dichter aan de poëzie om er niet door opgeslokt en gedood te worden en om te mogen blijven vechten:

woord,
leef niet

in de plaats
van mij
laat mij

met u
vechten
u bevechten

Geen toeval dus dat de bundel eindigt met de cyclus ‘drie oorlogen’. Die oorlog heeft al vanaf het eerste gedicht gewoed. Alles is strijd in deze poëzie. Met de elementen, met de landschappen, met de geliefde, met de god, met de dood, met het woord: ‘hoe / nu hier // dit bestaan / te bestendigen // ontsnappingsroute / strijdershart’. Zijn de laatste twee verzen twee mogelijke antwoorden op de vraag die in de eerste versregels wordt gesteld? Strijden of ontsnappen? Of is de strijd precies de ontsnapping? Hierboven citeerde ik al het laatste gedicht van de bundel, dat eindigt met het woord ’systeemfout’. Hoe ontsnap je daaraan als je deel uitmaakt van het systeem? Dan blijft er misschien alleen een ‘strijdershart’ over, met alle dubbelzinnigheid die deze term in dit geopolitieke klimaat in zich draagt.

Net voldoende woorden? Net te weinig? Wat er ook van zij, onbalans is een sterk en authentiek debuut. Het werk van een dichter die zijn taak ernstig neemt. Dit is poëzie die traag gelezen en veel overdacht moet worden, want er staat meer niet dan wel. Niet alleen de schrijver, ook de lezer loopt daarbij een groot risico. Hij kan te weinig lezen in de woorden die de dichter hem aanreikt, maar evengoed te veel en zichzelf beginnen te projecteren in de zwarte tekens op het witte blad. Ook tussen die uitersten moet de lezer een balans zoeken, in het besef dat de ‘onbalans’ wellicht het laatste woord heeft.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?