cover big

Tovenaarsleerlingen

Erwin Jans

Over Stemvork van Jan Lauwereyns en Arnoud van Adrichem

Essays, gedichten, vertalingen

Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2010,
ISBN 987 90 8684 059 5 / 362p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 09-12-2011

Bookmark and Share

Overgenomen uit De Leeswolf

Het geheel is vaak meer dan de som van de delen. Dat is zeker het geval met Stemvork, een collectief werkstuk van Jan Lauwereyns en Arnoud van Adrichem. Het is een opvallend en hybride boek geworden, niet eenvoudig te klasseren. En dat was duidelijk ook de bedoeling van de schrijvers. Het bevat essays, gedichten en vertalingen (onder andere Het Chinese notitieboek van Ron Silliman). Het staat daarenboven vol met foto’s en andere illustraties. Er is zelfs een soundtrack voorzien: de auteurs beginnen elk essay met de verwijzing naar een song en naar een film, die in de loop van het essay meer of minder expliciet in de argumentatie betrokken worden. De essays en de gedichten worden niet ondertekend. Ze zijn het resultaat van een vermenging van twee stemmen. En eigenlijk van nog veel meer stemmen: ‘Dan horen we misschien de weerklank van water nazinderen in het boek dat geschreven werd met de stemmen van wie vertrokken zijn…’, zo luidt het in een kort gedicht. Er wordt in Stemvork veel poëzie geciteerd en vertaald – wat niet hoeft te verwonderen want beide auteurs zijn dichters –, maar er wordt ook uitgebreid verwezen naar bijvoorbeeld recente bevindingen uit de neurowetenschappen (met anatomische tekeningen!) en naar de essays van Sigmund Freud.

Het is geen toeval dat Stemvork opent met een motto uit de Anti-Oedipus van Gilles Deleuze en Felix Guattari: ‘Wij hebben L’Anti-Œdipe met zijn tweeën geschreven. Maar omdat we allebei uit vele andere bestaan, maakte dat al een hele drukte.’ Die nauwe en eigenzinnige samenwerking tussen D&G was een belangrijke bron van inspiratie voor de ‘verlossing van het schrijversego’ dat de schrijvers van Stemvork nastreefden. D&G schreven hun Anti-Oedipus voor het ontstaan van Google, maar in hun rizomatische schriftuur voorvoelden zij de komst van het internet. Lauwereyns en Van Adrichem behoren wél tot de Google-generatie en doen daar ook hun voordeel mee. De schriftuur van de essays lijkt op surfen op het internet. Er wordt met de muis snel bewogen en aangeklikt. In het bestek van enkele pagina’s vind je verwijzingen naar een ode van de antieke Griekse dichter Bacchylides, naar The Life of Brian van Monty Python, naar Björk, naar Temptation Island, naar een gedicht van Paul Celan, enzovoorts. Het is een gewild spel met verwijzingen naar ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur en met combinaties die op het eerste zicht bijna blasfemisch klinken: want wat doet de tragische ernst van Paul Celan in dezelfde paragraaf als de commerciële sentimentaliteit van Temptation Island? In dit geval wordt de keten van verwijzingen samengehouden door het thema van de ‘eilandzucht’ (een term van Menno Wigman). Soms moet je als lezer even terugbladeren omdat je niet weet hoe je bij een bepaalde verwijzing of gedachte terecht bent gekomen, net zoals je op het web voortdurend zijwegen inslaat.

De essays ontrollen zich niet vanuit een bepaalde hypothese die al of niet weerlegd wordt, maar kronkelen als slangen, om een beeld te gebruiken dat ook de auteurs lief is. De slang heeft daarenboven een gespleten tong, wat ons weer brengt bij de titel Stemvork. Lauwereyns en Van Adrichem maken een link tussen slang en taal omdat FOXp2, het taalgen, luistert naar de naam Forkhead en eruitziet als een slang die zich in een dubbele knoop draait: ‘Taal is een slang met gevorkte tongspriet, een gedachtetrein die op twee parallelle sporen rijdt, een tuin met paden die zich splitsen. Zo is dat, taal begint met de splitsing tussen ding en teken, de geboorte van een virtuele wereld die naast en tussen en boven en onder de fysieke bestaat, ermee twist in het Engels of in het Nederlands, en liefst nog verder splitst, met Mickey Mouse op Paul Dukas.’ Paul Dukas (1865-1935) is een Franse componist wiens compositie L’apprenti sorcier, een symfonische scherzo naar Goethes ballade Der Zauberlehrling, wereldbekend werd omdat het gebruikt werd in de Walt Disney-productie Fantasia (1940). Het bekendste stuk van de film, en tevens een van de meest iconische Mickey Mouse-filmpjes.

De Tovenaarsleerling volgt het verhaal uit Johann Wolfgang von Goethes gedicht. Mickey betovert een bezemsteel zodat deze voor hem water gaat halen. De bezem gaat echter door met zijn werk tot de hele kamer overstroomt, en Mickey is niet meer in staat hem te stoppen. Hij hakt in paniek de bezem aan stukken, maar ieder stuk wordt een nieuwe bezem die weer water gaat halen. Deze informatie heb ik letterlijk van het net geplukt, uit Wikipedia, die oneindig doorverwijzende, rizomatische encyclopedie waarin kennis niet langer hiërarchisch geordend is, maar steeds verder uitgesplitst wordt, in steeds meer kleine stukjes (de blauwe cursieve woorden in Wikipedia) en ieder stukje wordt een nieuw lemma dat zich opnieuw deelt. Als een slangentong. De slang roept daarenboven associaties op met verleiding, het verlies van het paradijs, de vrouw, de penis/de castratie, het vergif… en die thema’s liggen ook verspreid over het boek. Stemvork is geen boek dat argumenteert en analyseert, hoewel het essay vol argumenten en analyses zit. Stemvork geeft aanzetten, raakt even iets aan, suggereert een werkhypothese, legt een verband; maar nooit definitief – er kan altijd wel ergens een splitsing optreden!

De bewuste grilligheid en de amusant-luchtige toon (ook hier zijn D&G een model) doen soms vergeten dat de essays wel degelijk over ‘iets’ gaan en essentiële vragen stellen. Die vragen zijn van epistemologische aard: hoe kennen we de werkelijkheid? Zijn er alternatieven voor de werkelijkheid te vinden in de droom, de drugs, de waanzin, de erotiek, de poëzie? Wat is het statuut daarvan? Waarom verbruiken onze hersenen tijdens de slaap meer energie dan tijdens het waken? En hoe zit dat met de neurotransmitters (pagina’s die behoorlijk wat concentratie van een neuro-beet vragen)? Waarom hebben mannen een erectie tijdens het slapen, zelfs als ze geen erotische dromen hebben? Wat doet melancholie met onze perceptie? Hoe paradoxaal is de dandy? Wat met het geweld dat ons bewoont? En wat is de rol van taal in onze werkelijkheidsconstructie?

De essays cirkelen (misschien is kronkelen ook hier een beter woord?) rond enkele thema’s, die op verschillende manieren benaderd worden, waarvan de neurowetenschappen en de freudiaanse psychoanalyse wellicht de meest uitgewerkte zijn. Er wordt verwezen naar namen die je bij eigentijdse intellectuelen kan verwachten, zoals Slavoj Žižek, Maurice Blanchot, Georges Bataille en Walter Benjamin, maar wie de vele tientallen namen van het personenregister doorloopt, komt ook vreemde en onverwachte boeken tegen, over de getaltheorie, over kalligrafie, over de sacrale, helende en hallucinogene krachten van planten, over de Maori, over piercings… Ook heel wat Nederlandse dichters duiken in het boek op, zij het vooral die dichters die de taal zelf als laboratorium gebruiken (Dirk van Bastelaere, Paul Bogaert, Tonnus Oosterhoff, Hans Faverey, Paul van Ostaijen en natuurlijk Lauwereyns en Van Adrichem zelf). Daarnaast zijn er vertalingen opgenomen van hier zo goed als onbekende Aziatische dichters als Kiwao Nomura en Shoichiro Iwakiri.

Ondanks alle beweeglijkheid en onvoorspelbaarheid heeft de bundel een harde kern, en dat is de vraag naar de moderne poëzie: de vraag naar de werking, het functioneren, en de effecten ervan, met andere woorden de vraag naar het ethos van de moderne poëzie. Foucault zei van Anti-Oedipus dat het in laatste instantie een ethisch boek was. Dat geldt op een bepaalde manier ook voor Stemvork. Dat wordt vooral duidelijk in de essays over poëzie. Zowel in de microanalyses van bepaalde gedichten als in de meer beschouwende passages over de poëzie, leggen de twee auteurs hun diepste bekommernissen bloot.

In het opstel ‘Het bloembed van de werkelijkheid’ kronkelen de auteurs zich doorheen zo uiteenlopende schrifturen als die van de Italiaanse cineast Pasolini, de Nigeriaanse dichter Chris Abani, Dirk van Bastelaere, de Marokkaanse dichter Jalal El-Hakmaoui, de Chinese dichter Che Qianzi en Paul Bogaert – Stemvork is opvallend internationaal gericht – om de ethiek van de poëzie te formuleren: het gedicht als de tijd en ruimte om ‘complexiteit binnen te laten’, ‘om het gewone een nieuwe authenticiteit te geven’, ‘om de banale dingen te reinigen’. De poëtische strategieën zijn de concentratie op het detail (tot het irritante en het pijnlijke toe), de paradox, het kwaadaardige beeld, de metapoëzie,… kortom alle strategieën die de moderne poëzie sinds het midden van de negentiende eeuw heeft ontwikkeld ‘om de blik vast te houden’ en zo ‘tijd en ruimte (creëert) waarin nieuwe inzichten geboren kunnen worden.’

Dat klinkt allemaal weinig spectaculair en het is allemaal al eerder gezegd, maar daarom natuurlijk niet minder waar. Het gaat om de vele associaties en verbanden die de auteurs maken, om het netwerk van referenties naar films, wetenschappelijke inzichten, filosofische concepten, gedichten waarmee zij de ‘orfische blik’ van de poëzie proberen te omschrijven. Van Adrichem en Lauwereyns combineren films als Orfeu Negro van Marcel Camus, Der Himmel über Berlin van Wim Wenders met gedichten van Hans Faverey, met songteksten van Nick Cave, met Blanchots duiding van de Orpheusmythe, met wetenschappelijke inzichten:

zodanig zelfs dat wij ons vandaag verplicht voelen een wetenschappelijke paper als die van Matin cum suis (‘Oculoparalytic illusion: Visual-field dependent spatial mislocalizations by humans partially paralyzed with curare’ – EJ) in de eerste plaats als poëzie te lezen, als een lang gedicht van de bovenste plank – met proefpersonen die oogbewegingen maken in het donker (Blanchot!) (Orpheus!) waarbij de effecten van verdoving gemeten worden (wat een prachtig woord, in alle stilte, die verdoofwording) in een radicaal experiment met ware doodsverachting, bij het toedienen van een dosis curare die het hart net niet stillegt, maar vooral: met bizarre voetnootbewegingen die onze ogen doen tollen in hun kassen.

De wetenschap wordt hier tot poëzie gedeconstrueerd, als een dergelijke uitspraak enige betekenis heeft. Het is een intrigerend voorbeeld van de eigenzinnige schriftuur van deze bundel.

Er valt veel te ontdekken in dit boek, en bij herlezing nog meer. Veel hangt met veel samen, de ene keer al wat overtuigender dan de andere. Stemvork is vooral een literair avontuur, even diepzinnig als het soms over de oppervlakte der dingen scheert: je kan immers niet iedere Google-entry even aandachtig lezen als je surft! Het boek creëert voor gedichten verrassende omgevingen die op het eerste gezicht niets met poëzie te maken hebben, maar waardoor toch nieuwe lectuurmogelijkheden ontstaan! ‘[…] we moeten een vorm verzinnen/ voor de bodem van de put// waar geluiden liggen te wachten/ totdat iemand ze maakt’, luidt het in een van de gedichten, al zullen we nooit precies weten wie van beide dichters het schreef.


Een eerdere versie van deze bespreking werd gepubliceerd in De Leeswolf.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?