cover big

Zeulen met het lijk van een duivelskunstenaar

Carl De Strycker

Over Afscheidstournee van Vrouwkje Tuinman

Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789059366824 / 288p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-04-2017

Bookmark and Share

Nicolò Paganini (1782-1840) was de eerste rockster uit de geschiedenis. Met hem deed een nieuw type muzikant z’n intrede: de virtuoos voor wie mensen een kaartje kopen speciaal om hem aan het werk te zien. Zijn spel had een ongeziene uitwerking op mensen. De dames vielen in katzwijm, Robert Schumann (1810-1856) besloot na een concert van Paganini definitief zijn rechtenstudie op te geven en componist te worden, en Franz Liszt (1811-1886) was wekenlang onvindbaar nadat hij de beroemde violist aan het werk had gezien – om te werken aan zijn techniek en de Paganini van de piano te worden.

Paganini’s charismatische optredens en zijn onvergelijkbare technische kunnen gecombineerd met zijn enigszins vreemde verschijning – een bleek, ietwat ingevallen gezicht, zwarte ogen met een penetrerende blik, een sardonische lach op de lippen en spinnenvingers – en de directe impact die hij met zijn viool op mensen had, fascineerden het publiek niet alleen, maar boezemden ook angst in. Al gauw werd gefluisterd dat deze man wel van satanische oorsprong moest zijn. Het gerucht ging dat een van de snaren van zijn viool gemaakt was van de darm van een meisje dat hij vermoord had. Het verhaal deed de ronde dat hij voor die moord jarenlang in de gevangenis had gezeten en zich daar had bekwaamd in het viool spelen, en een toeschouwer in Engeland was er zeker van: hij had bij een recital gezien hoe de duivel zelf over de schouder van Paganini meespeelde. Een duivelskunstenaar was dit dus, in de letterlijke zin van het woord.

Gelukkig trok de muzikant zich zelf weinig aan van al die roddels; waar hij meer last van had, was zijn steeds verslechterende gezondheid die hem, nadat hij de grootste successen geboekt had in de belangrijkste steden van Europa, min of meer aan het bed kluisterde. In 1840 overleed hij in Nice. Hij liet een fortuin na – ook in die zin was hij de eerste ster uit de muziekindustrie: zijn optredens hadden hem geen windeieren gelegd – en een kind: Achille.

Aan de hand van de biografie van die zoon schetst Vrouwkje Tuinman (1974) in haar roman Afscheidstournee het levensverhaal van Paganini, en misschien vooral: het verhaal van wat er na dat leven kwam, want hij mocht dan wel dood zijn, begraven was hij nog lang niet. Laat staan dat hij in vrede kon rusten.

Omdat hij op zijn sterfbed geweigerd had te biechten en het laatste sacrament had versmaad, werd hem door de kerkelijke autoriteit een religieuze uitvaart ontzegd en een rustplaats in gewijde grond geweigerd. Dat blijkt het begin van een ongelooflijke, haast slapstickachtige queeste naar een begraafplaats waarbij het lichaam van de maestro van hier naar daar wordt gesleept. Het verhuist van een olievat in een kelder in Nice naar een kamer in huis bij zijn zoon en wordt later verstopt in een tuinhuis op het terrein van een landgoed in Italië; het wordt van een houten in een metalen kist overgeplaatst; en wanneer de resten beginnen te rotten wordt wat er van zijn lijk overblijft gebalsemd.

Een echte afscheidstournee, in de zin van een reeks concerten waarin hij zijn publiek vaarwel zei, heeft Paganini nooit ondernomen, maar wat volgt na zijn dood is een afscheidstournee in de letterlijke zin van het woord: een rondreis met het oog op een definitief afscheid van de wereld – een graf. Uiteindelijk lukt het de zoon, na concessies aan de kerk, om zijn vader te begraven, zij het nog steeds niet zoals die gewenst had, namelijk in Genua, met een gepaste uitvaart en een groots grafmonument. Het zal pas een halve eeuw na zijn verscheiden zijn dat de grote violist in Parma een laatste rustplaats vindt op een echt kerkhof en met de tombe die hem voor de geest stond. De strijd om een fatsoenlijke begraafplaats voor zijn vader heeft Achille niet minder dan een heel leven gekost.

Dat is meteen de tragiek van de zoon: zijn leven is beheerst door het leven én de dood van zijn vader. Het is weliswaar Achilles biografie die in Afscheidstournee wordt verteld, en hoewel die niet geheel oninteressant is (de mooie liefdesrelatie met zijn vrouw, de lotgevallen van de kinderen zoals de talentvolle pianist Luigi, het zorgenkind Attilio of Riccardo die verongelukt, de zorg voor de moeder die hem als kind in de steek liet en de verhouding met zijn halfzus vormen op zich een mooi verhaal) wordt ze volledig overschaduwd door de maffe geschiedenis van zijn beruchte vader.

Dat doet de vraag rijzen naar het doel van Achilles leven. Dat stond als kind al in dienst van Nicolò, als wiens tolk hij fungeerde, en heeft ook daarna volledig in het teken van zijn vader gestaan met het beheer van de eigendommen en het familiekapitaal, de uitgave van diens muziek en vooral: de zoektocht naar een rustplaats. Het is pas als die gevonden wordt dat Achille zelf rust vindt. Niet veel later sterft hij, waardoor eens te meer blijkt: zijn biografie valt samen met die van zijn vader.

Tuinman heeft daarmee een mooie invalshoek gevonden om het onwaarschijnlijke verhaal van het leven, de werken en het postume lot van Paganini te vertellen. Want ondanks het mededogen dat spreekt uit het boek voor het verspilde leven van Achille – vooral de figuur van Paolina, zijn vrouw, is heel begripvol voor het feit dat haar man als zoon van een beroemdheid veel kansen ontnomen zijn – en ondanks de uitgebreide aandacht voor de wederwaardigheden van hem en zijn gezin, is het toch het verhaal van de virtuoze violist dat intrigeert en bijblijft na lectuur, niet dat van zijn nakomelingen.

Daarmee lijkt dit alleen maar een roman over Achille, de zoon van Paganini, maar is het wel degelijk een boek over Nicolò Paganini. Daarop wijst ook het feit dat het boek vierentwintig hoofdstukjes telt, evenveel als er Caprices solo voor viool van de meester zijn overgeleverd.

De vraag is of die omweg via de zoon meer is dan een truc om eigenlijk over Paganini te kunnen schrijven en of de roman dus meer is dan een levensbeschrijving. In elk geval krijgen we ook inzicht in het gekonkel van de kerk, die het meer om geld dan om zielenheil te doen is, maar dat is een bekend thema. Ook worden we via de beschrijving van allerlei ziekten en hun behandeling ingewijd in de stand van de medische wetenschap in de negentiende eeuw, maar ook op dat terrein lees je geen opzienbarende nieuwigheden. En we komen een en ander te weten over de ontwikkeling van het muziekleven in die tijd, maar redelijk beperkt, want daar gaat de roman niet over.

Niettemin, zoals het een goede historische roman betaamt, stelt ook Afscheidstournee een probleem aan de orde dat ook vandaag nog relevant is: de vraag hoe een nageslacht omgaat met de faam van zijn gereputeerde voorvader. Het lijkt erop dat de directe nakomelingen tot een verloren generatie behoren. Zelf staan ze volledig in de schaduw, en ze genieten zowel een aantal voordelen (ongebreidelde rijkdom, bijvoorbeeld) als de nadelen die het met zich meebrengt om het ‘kind van’ te zijn (hier: het onvermogen om een eigen leven uit te bouwen).

Het is pas in de tweede generatie dat zich het evenwicht min of meer herstelt, al blijft een carrière in hetzelfde gebied haast uitgesloten, zoals het verhaal van kleinzoon Luigi Paganini aantoont, getalenteerd en integer pianist, die voelt dat hij de vergelijking met zijn grootvader nooit kan doorstaan. Ook in die generatie zijn er nog nakomelingen die zich met de artistieke en financiële nalatenschap bezighouden, maar anderen weten zich los te maken en wel een eigen weg te vinden, onafhankelijk van het beroemde familielid.

Met die analyse van de familiale gevolgen van roem overstijgt Tuinman het loutere biografisch-anekdotische niveau. Deze roman over de eerste muziekvedette en zijn familie geeft te denken over de impact die beroemdheid heeft op de hele omgeving van eender welke celebrity.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?