Essays

Onder het glasvezel ligt het strand. Over creatief schrijven en generatieve AI

In de themareeks ‘Schrijfrobots. Code en creatie in de literatuur’ onderzoeken we de rol van artificiële intelligentie (AI) in de literatuur in het algemeen en de Nederlandstalige literatuur in het bijzonder. Er is geen twijfel over mogelijk dat AI een grote impact heeft op de toekomst van de culturele sector. Op welke manier beïnvloedt AI het werk van schrijvers, kunstenaars en andere makers? Welke impact heeft OpenAI op de creatieve, ecologische, economische en juridische kanten van literaire teksten? De grote hoeveelheid zoekopdrachten in programma’s als ChatGPT en Gemini zet de energie- en waterreserves van de aarde onder druk. Tegelijkertijd biedt AI ook vele mogelijkheden, die bijvoorbeeld in de medische wereld voor revolutionaire doorbraken zorgen. Welke voor- en nadelen kent AI in relatie tot literatuur en hoe wegen die tegen elkaar op? In deze themareeks zoeken we naar antwoorden op deze vragen en meer. We bundelen bijdragen van auteurs die in uiteenlopende vormen – essays, recensies en een podcast – aan de slag gaan met wat wordt gezien als een van de grootste uitdagingen van deze tijd. Op basis van zijn ervaringen met het ontwikkelen en doceren van een universitaire cursus over creatief schrijven en AI speculeert Laurens Ham in dit essay over de toekomst van twee thema’s: AI en schrijfonderwrijs, en AI en literatuur.

Promptisme. Het is een begrip waar ik veel over nadenk sinds ik een universitaire cursus over creatief schrijven en AI heb ontwikkeld. De term vangt prachtig het denken van onze tijd, maar is nog niet echt ingeburgerd. Wel is het de afgelopen vier jaar in enkele titels gebruikt: in 2026 publiceerde de Deense techfilosoof Sune Selsbæk-Reitz een AI-kritisch boek met de titel Promptism: Fluent Machines, Forgotten Questions, and the Fight for Meaning in the Age of AI en in 2023 werd in Leuven een kunststudentententoonstelling georganiseerd met de naam Promptism. Het interessantste gebruik van de term komt van de Franse filosoof Éric Sadin, die in zijn boek La vie spectrale – Penser l’ère du métavers et des IA génératives uit 2023 het begrip gebruikte om de wereld waar we volgens hem naartoe bewegen te karakteriseren.

‘Het grote promptisme betekent: we doen nergens meer moeite voor, we hoeven onze intellectuele capaciteiten niet meer te gebruiken’, zei Sadin in een interview in NRC op 10 november 2023 en in gesprek met de Mutualité Française in hetzelfde jaar daagde hij de interviewer uit om over drie, vier jaar nog eens terug te komen om te zien wat er van de mensheid geworden was. ‘Tout le monde ne fera qu’émettre des prompts, faisant alors émerger ce que j’appelle un « devenir légume de l’humanité ».’ (‘Iedereen zal alleen nog maar prompts geven, wat volgens mij zal leiden tot een “vegetatieve staat van de mensheid”.’) Laat het maar aan Franse filosofen over om de mensheid van cultuurpessimistische analyses te voorzien.

Drie jaar later zijn de mensen nog geen kasplantjes geworden, maar het is overduidelijk dat prompts zich meer en meer in het dagelijks leven hebben genesteld. De AI-modus heeft zich sinds 2025 bijvoorbeeld op agressieve wijze aan ons internetzoekgedrag opgedrongen, waardoor – ik merk het bij mezelf – zoekopdrachten steeds vaker een promptachtige vorm krijgen. (‘Gemini, welke Franse filosoof gebruikt ook alweer het woord promptisme?’ ‘De Franse filosoof en socioloog Éric Sadin gebruikt de term “promptisme”.’)

Onmiddellijkheid 

In het Nederlands is het woord ‘promptisme’ nog bruikbaarder dan in bijvoorbeeld het Engels of Frans, vanwege de passende extra betekenis van het woord prompt: meteen. Als iets het huidige hyperkapitalistische tijdvak karakteriseert, dan is het wel onmiddellijkheid en snelheid voor wie het zich kan permitteren: producten, geld, ideeën, meningen en teksten zijn onmiddellijk beschikbaar en minder duurzaam dan ooit.

Generatieve AI is niet alleen een smeermiddel binnen dat hyperkapitalisme – Sadin stelt in de genoemde interviews dat AI-systemen ons in de toekomst telkens tot het kopen van nog meer ‘relevante’ producten zullen proberen te verleiden – maar ook een symptoom ervan. Als iets een Large Language Model (LLM) magisch maakt, dan is het wel de onmiddellijkheid van de reactie: na je prompt ontrolt zich binnen mum van tijd een vijfvoetig jambisch sonnet of verschijnt direct een compleet stilleven. Alsof een intuïtief genie zich ineens in je computer heeft genesteld dat met ogenschijnlijk gemak een not so spontaneous overflow of prompted feelings tentoonspreidt (om in de aangepaste woorden van de Britse dichter William Wordsworth te spreken).

Het is gemeenplaats om te stellen dat kansberekening in werkelijkheid het werkzame element van LLM’s is en dat AI daarom in beginsel niet creatief is – althans, alleen creatief binnen de kaders die in eerdere kunstvormen door mensen zijn gesteld (zie ook het openingsessay van Paola Verhaert in deze themareeks). Toch voldoet de bekende metafoor van LLM’s als ‘stochastische papegaaien’ niet, om twee redenen.

In de eerste plaats doet die vergelijking papegaaien geen recht: dat zijn sociale wezens die hun communicatiegedrag op mensen en andere dieren afstemmen. In de tweede plaats kun je met AI wel degelijk originele dingen maken. Neem de bizarre AI-gegenereerde muziek die Michiel van de Weerthof en Lot Broos toevoegden in hun podcastreeks Dat smaakt naar Meertens (2024): volstrekt idiosyncratisch en soms op het avant-gardistische af. Hoe moeten we de relatie tussen menselijke creativiteit en LLM’s dan wél inschatten, als we niet ver komen met de simplistische aanname dat een mens een creatief wezen is en een LLM een dom stochastisch programma?

Hoe oncreatiever, hoe beter 

Met die vraag in mijn achterhoofd ontwikkelde ik in het voorjaar van 2025 voor de opleiding Nederlands aan de Universiteit Utrecht een bachelorkeuzecursus over de relatie tussen creatief schrijven en kunstmatige intelligentie. Een van de aanleidingen was een ervaring de winter ervoor. Bij een toetsopdracht voor het schrijven van een wetenschappelijke recensie kregen mijn collega en ik zoveel aardige, maar ook erg generieke schrijfproducten binnen dat we wel moesten concluderen dat allerlei studenten LLM’s hadden gebruikt. Maar wie, hoe en in welke mate? Daar kregen we de vinger niet goed achter. We weten immers uit onderzoek dat het voor docenten nagenoeg onmogelijk vast te stellen is of een tekst AI-gegenereerd is of niet.

Mijn ervaring met de wetenschappelijke-recensie-opdracht dwong me allereerst om mezelf in hoog tempo bij te scholen: ik had een basale AI-geletterdheid nodig, dat was duidelijk. Ik deed die onder meer op door diverse non-fictieboeken en artikelen over artificiële intelligentie en algoritmes te lezen. Inspirerend vond ik bijvoorbeeld Frictie (2020) van de Nederlandse filosoof Miriam Rasch, een pleidooi om de wereld minder om souplesse  en onmiddellijkheid te laten draaien, en The Eye of the Master (2023) van de Italiaanse wetenschapsfilosoof Matteo Pasquinelli, dat laat zien hoezeer AI is verknoopt met de geschiedenis van kapitalistische arbeid en arbeidsdeling. Ook romans verbreedden mijn blik op robotica en AI: van oudere teksten als ‘De robot van de rommelmarkt’ (1967) van Tonke Dragt tot recentere boeken als Fuzzie (2017) van Hanna Bervoets en De visionair (2022) van Anja Sicking.

Veel van die teksten kwamen uiteindelijk in de cursus terecht die ik voor de UU ontwikkelde. Mijn doel daarbij was om het AI-gebruik waar mogelijk tot het absolute minimum te beperken en in plaats daarvan het zelf schrijven tot een instrument te maken om AI beter te leren begrijpen.

Zo werkten de studenten in meerdere stappen toe naar een zelfgeschreven kortverhaal van 2000 woorden met daarin minstens één hybride personage; een verhaalfiguur met zowel menselijke als machinematige trekken. In de instructie voor de eerste editie van de cursus stuurde ik ook nadrukkelijk aan op het ontwerpen van een toekomstwereld waarin dat hybride personage zich zou bewegen. Ik wilde studenten in de schoenen plaatsen van een AI-personage: hoe zou zo’n mensmachine denken, bewegen, interacteren?

Daarnaast zat er een lijn in de cursus waarin ik de rol van ‘oncreativiteit’ in een historische context plaatste – een doel dat ik ontleende aan de klassieker Uncreative Writing (2011) van de Amerikaanse dichter en letterkundige Kenneth Goldsmith. Het is immers allerminst nieuw om te verlangen naar schrijvende machines of om je literaire materiaal niet zelf te bedenken. Zowel die zucht naar machineschrijven als de impuls om oncreatief te werk te gaan, wortelen in de historische avant-garde van het interbellum.

Van dada naar data 

Vooral dada is nauw met de geschiedenis van robotica verbonden en het is de stroming die de readymade als ‘oncreatieve’ kunstvorm populariseerde. Onder meer de Canadese literatuurwetenschapper Andrew Wenaus (The Literature of Exclusion: Dada, Data, and the Threshold of Electronic Literature, 2021) trekt een directe lijn van dada naar data, van de praktijken van de dadaïsten naar wat er nu in de wereld van de AI en de elektronische literatuur gebeurt. Ook latere avant-gardebewegingen kenden zulke ‘oncreatieve’ impulsen: van de Nederlandse dichters Gerrit Krol en Greta Monach die experimenteerden met computergemanipuleerde poëzie in de jaren 70 tot de flarfbeweging van de vroege eenentwintigste eeuw.

De schrijfopdrachten in deze oncreatieve lijn leverden prachtige resultaten op. Ik vroeg de studenten om een digitale of analoge procedure te ontwikkelen die tot een gedicht zou leiden. Ze kozen voor een algoritmische logica, oftewel een set regels die in een bepaalde volgorde doorlopen moest worden om tot een eindresultaat te leiden, of voor een aleatorische logica, oftewel met gebruikmaking van toeval. Studenten leverden geweldige teksten in: van strak genotuleerde, exact uitgeschreven treingesprekken tot gedichten die geschreven waren met behulp van het algoritme waarmee je Rubiks-Kubus-puzzels kunt oplossen.

Een uitnodiging tot reflectie op deze opdracht stelde studenten in staat om de notie van menselijke creativiteit te bevragen. Wat als alleen het idee creatief hoeft te zijn en het eindresultaat onbelangrijk is – zoals in conceptuele kunst wel vaker aan de hand is? Hoe zouden we creatiever en minder mystificerend over algoritmes kunnen nadenken? En hoe zijn het digitale en niet-digitale domein met elkaar verknoopt?

Een conceptueel gedicht van een van de studenten illustreerde dit laatste punt op sublieme wijze. De deelnemer had tweedehands een vertaling uit 1976 aangeschaft van de religieuze dichtbundel Tot de nacht voorbij is van Dietrich Bonhoeffer en vervolgens in het boek alle woorden en zinsdelen met zwarte viltstift weggekrast die op sociale media door het algoritme gecensureerd kunnen worden, onder andere woorden die met dood of seks te maken hebben. Het idee om digitale algoritmische censuur toe te passen op een analoge dichtbundel was briljant: het zette haar én mij aan het denken over de vrijheid van schrijven, over (zelf)censuur binnen de literatuur én over hoe mensen en computers lezen. Zo had de student zowel aan een LLM als aan iemand uit haar omgeving gevraagd om een van de gedichten van Bonhoeffer ók vanuit dezelfde regelset te censureren. Telkens kwamen er iets andere resultaten uit, wat suggereert dat de algoritmische logica op heel verschillende wijzen toegepast kan worden.

De LLM als eigen bestaansvorm 

Er moeten nog heel wat misverstanden en hardnekkige opvattingen over LLM’s de wereld uit worden geholpen, zo ontdekte ik tijdens het doceren van de cursus Creatief Schrijven. Niet alleen bij de studenten, maar zeker ook bij mezelf. Gastdocent Siebe Bluijs, universitair docent aan Tilburg University en een van de grootste experts in Nederland waar het de relatie tussen literatuur en digitale cultuur betreft, deed me bijvoorbeeld inzien hoezeer ik – zoals de meeste mensen – heen en weer beweeg tussen twee ogenschijnlijk tegenstrijdige uitersten in mijn benadering van AI.

Aan de ene kant heb ik de neiging om de verschillen tussen mensen en AI-systemen te verabsoluteren, terwijl die scheiding uiterst kunstmatig is (zoals Sahra Mohamed, Mathijs Tratsaert en Pieter Olde Rikkert ook uiteenzetten in hun podcastaflevering voor deze ‘Schrijfrobots’-themareeks). Mensen zijn met hun media en apparaten verknoopt en waren dat al vóór de introductie van ChatGPT in 2022. Het is dus conceptueel niet productief om vermeend ‘menselijke’ producten volstrekt te isoleren van de producten waar AI mee komt.

Deze gedachtegang betekent echter niet automatisch dat we praktisch gezien geen grenzen kunnen stellen aan AI-gebruik – daar ga ik hieronder op in. Hoewel LLM’s voorlopig niet tot volstrekte originaliteit in staat zijn – ze moeten het doen met de data waarmee ze zijn gevoerd – kunnen ze binnen die beperkingen wel degelijk soms met resultaten komen die onverwacht zijn en door een gemiddelde beoordelaar als creatief worden beschouwd.

Het andere uiterste waar ik vatbaar voor ben, is antropomorfisering, oftewel het vermenselijken van een LLM. Wanneer ik hierboven schrijf dat ‘ze’ het moeten doen met de data ‘waarmee ze zijn gevoerd’ klinkt daar een zekere vermenselijking in door. Ik betrap mezelf bovendien op de neiging om naar het programma te verwijzen met ‘hij’ en metaforisch van menselijk aandoende eigenschappen te voorzien. Zulke vermenselijkingen zitten diep in ons taalgebruik en in de publieke verbeelding van AI-systemen verankerd. Zulke systemen worden zelden verbeeld als datacenters in een weiland buiten Purmerend, maar bijna altijd als menselijk aandoende robots. Dat laatste is overigens ook het geval in het logo dat de redactie van De Reactor – met behulp van generatieve AI! – maakte voor deze themareeks.

De talige architectuur van de huidige generatie LLM-consumentenmodellen draagt bij aan die beeldvorming. De modellen zijn erop getraind om niet alleen gebruikers te pleasen, maar hen ook op hun gemak te stellen met quasi-gemoedelijke spreektaal en kleine ironische grapjes – iets dat de Unheimlichkeit van deze technologie gevoelig vergroot. Het is belangrijk om te blijven beseffen dat een AI-systeem een eigen Umwelt heeft, om een begrip van de Amerikaanse techletterkundige N. Katherine Hayles te gebruiken, een eigen ‘ervaring’ van of positionering in de wereld die maar gedeeltelijk met de menselijke Umwelt overlapt.

AI-afkeer en AI-verslaving

 Een paradox die ik in het gedrag van de studenten op het spoor kwam tijdens de cursus is die tussen AI-afkeer en AI-verslaving. Sommige studenten zijn nog kritischer over deze technologie dan ik: ze wezen mij en anderen bijvoorbeeld op de sociale, ecologische en politieke problemen waar AI-gebruik mee gepaard gaat. Tegelijkertijd ken ik bijna geen studenten die LLM’s echt weigeren te gebruiken. Sterker nog: ook in de cursus over creatief schrijven en AI, waarin we bijna elk college spraken over de ethische bezwaren tegen deze technologie, ontving ik schrijfproducten waarvan ik sterk vermoedde dat ze met behulp van een chatbot tot stand waren gekomen.

Die paradox illustreert de enorme opgave waar we als samenleving voor staan. Ik noem het gebruik van AI hierboven een verslaving: hoewel het meeste AI-gebruik functioneel is, laat recent onderzoek ook zien dat er een compulsieve impuls kan meespelen. Misschien is het tijd om, net als bij smartphone- en social mediagebruik, te erkennen dat we techbedrijven hebben toegestaan een verslavende structuur op te bouwen die de democratie ondermijnt en destructief is voor de samenleving. Wat staat ons dan in het onderwijs en de literatuur te doen?

AI en schrijfonderwijs 

Ik schreef het hierboven al: LLM’s zijn in het onderwijs niet meer te negeren. Overal passen docenten, studenten en scholieren zich op het bestaan van deze technologie aan. De techoptimisten blijven daarbij een vrij dominante stem vertolken: LLM’s zijn toch superhandig voor het brainstormproces, ideaal als feedbackgever, perfect als motivator?

Dit lijkt me een gevaarlijke opvatting, behalve voor die mensen die graag hun onderwijsbaan willen kwijtraken. Want vergis je niet: als techbedrijven erin slagen de technologie zo in te richten dat zijzelf hun economische positie in het onderwijs kunnen versterken – desnoods ten koste van de mensen die dat onderwijs verzorgen – dan zullen ze dat niet laten.

De omgekeerde positie – een totale afwijzing van alles wat met AI te maken heeft – lijkt me praktisch onuitvoerbaar. De mate van politiegedrag die hierbij komt kijken, is bijna onbeperkt en de educatieve nadelen ervan zijn substantieel. Studenten moeten dan niet alleen gedurende colleges hun telefoons en hun laptop thuislaten (op zichzelf een uitstekende keuze, suggereert onderzoek), maar kunnen thuis ook geen langere teksten uitwerken.

Ik ken diverse experimenten met docenten die het AI-gebruik in hun cursus resoluut proberen te verbieden (door studenten een anti-AI-contract te laten tekenen, of door te werken met software die het schrijfproces modereert), maar al die aanpakken zijn fraudegevoelig en verliezen uit het oog dat er een verslavingscomponent aan het gebruik van LLM’s zit. De verleiding om het te gebruiken, is groter dan onszelf.

Na twee jaar proberen, begin ik bovendien te betwijfelen of het me ooit gaat lukken om volstrekte transparantie van studenten te krijgen over hun toepassing van LLM’s. Laten we niet vergeten dat die volstrekte transparantie ook onethisch is: studenten mogen geheimen voor hun docenten hebben.

Wat we uiteindelijk in de gehele samenleving nodig hebben, is regulering: onuitwisbare watermerken die heimelijk AI-gebruik in afbeeldingen en muziek onmogelijk maken, en een verbod op AI-modi in zoekmachines. Daarnaast is een eerlijke honorering van de auteurs van alle teksten, muziekstukken en afbeeldingen die gebruikt worden om LLM’s te trainen cruciaal. Ook moeten de eventuele vruchten van AI door de gemeenschap worden teruggeclaimd, bijvoorbeeld via niet-commerciële initiatieven als GPT-NL. 

Aan dit alles heeft de individuele docent vandaag de dag echter voorlopig niets. Die moet simpelweg in het hier en nu omgaan met een steeds verder oprukkend AI-gebruik. Die individuele docent zou ik willen adviseren LLM-gebruik zoveel mogelijk bespreekbaar te maken in de collegezaal of het klaslokaal; we hebben er niets aan om van het gebruik ervan een publiek geheim te maken. Persoonlijke gesprekken kunnen helpen om het taboe te doorbreken. Veel studenten gebruiken in mijn ervaring AI uit onzekerheid over hun stijl of over de manier waarop ze teksten structureren of omdat ze denken dat ze aan specifieke genrestandaarden moeten voldoen die ze nog niet goed onder de knie hebben.

Dit toont meteen al waar het misgaat in de toetsing binnen het huidige onderwijs: die is steeds betrouwbaarder, transparanter en controleerbaarder, maar tegelijkertijd bijzonder gevoelig voor AI-fraude. AI-gegenereerde producten worden, zo suggereert onderzoek, nu dikwijls hóger gewaardeerd dan de rommeligere, minder systematische producten waar menselijke schrijvers mee aankomen en dat heeft iets absurds. Die menselijke producten kunnen immers ook meer originaliteit, nieuwe ideeën en associaties bevatten.

Is het geen tijd om de onvolmaaktheid te omarmen? Grillige, spelmatige en associatieve schrijfprocessen kunnen zeer veel kennis opleveren – én veel schrijfplezier. Voor mij was het een eyeopener om te zien hoe hard studenten in mijn cursus Creatief Schrijven aan de slag gingen toen ik ze een politiek readymade-collagegedicht liet samenstellen met de inhoud van mijn kranten- en tijdschriftenbak. Het leverde ruim een uur hypergeconcentreerd scheuren, knippen, schuiven en plakken op, en prachtig associatieve gedichten die vervolgens een opstap vormden naar een bespreking van readymades uit de historische avant-garde.

Wanneer je AI actief zou toestaan in je onderwijs – en ik denk dat dat bijna onvermijdelijk is,  zou ik aanraden om studenten altijd de tekst in eigen hand te laten houden. LLM’s kunnen behoorlijk goed en raak feedforward produceren tijdens een schrijfproces (al schatten de systemen de kwaliteit van producten in mijn ervaring structureel te hoog in). Bovendien kunnen chatbots een aanvullend feedbackmiddel zijn om docenten een beetje te ontlasten. Het idee van een tekst en de bewoording ervan zouden echter altijd uit de pen van een student zelf moeten vloeien, net als dat het finale oordeel over die tekst altijd door een menselijke docent geveld moeten worden.

AI en literatuur

En wat staat ons te doen in het literaire domein, los van de al genoemde strijd om rechtvaardige compensatie voor auteurs? AI is uiteraard een existentiële bedreiging van de Republiek der Letteren – voor zover die Republiek na de concernvormings- en mediatiseringsgolven in de boekenwereld van de laatste 35 jaar überhaupt nog bestond. Die Republiek draaide, als we het werk van de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu volgen, om het tegenovergestelde van ‘promptisme’: je kon pas meepraten en -schrijven als je heel geleidelijk belezenheid, schrijfervaring en een literair netwerk had opgebouwd.

Het opbouwen van de ‘habitus’ van zo’n schrijver-intellectueel – zoals Bourdieu de verzameling van gewoontes, houdingen en voorkeuren van een persoon noemde – kostte daarmee grotesk veel tijd. Die tijd kon uiteraard alleen geïnvesteerd worden door geprivilegieerde mensen; in de praktijk vooral door mannen die het zich kon permitteren om hun kinderen te negeren. Dat LLM’s komaf maken met de laatste restjes van deze cultuur, door te fungeren als de Grote Gelijkmaker, lijkt oppervlakkig bezien een daad van rechtvaardigheid.

Daarmee gooien we echter óók het kind met het badwater weg, want de cultuur van de Grote Gelijkmaker is ook de dictatuur van de middelmatigheid. Of de toekomst met AI dystopisch wordt, vraag ik me zeer af, maar nu al dreigt het heden met AI lelijk, opdringerig en ondemocratisch te worden. AI-gegenereerde ‘slopaganda’ zoals de Nederlandse xenofobische banger ‘Nee, nee, nee tegen een AZC’ belooft alvast weinig goeds. Die lelijkheid binnen de digitale cultuur is natuurlijk niets nieuws – het gehele genre van het flarfgedicht draaide om het uitvergroten en op die manier perverteren van ’troep’ – maar die esthetiek is haar onschuld verloren. Rechts-radicale bewegingen venten die lelijkheid uit voor politiek gewin.

Binnen de literaire wereld lijkt men tot nu te streven naar het zo resoluut mogelijk uitbannen van LLM’s. Dat voelt haalbaar waar het de sector van hoogwaardige boeken voor volwassenen betreft: lezers en schrijvers binnen dit domein koesteren over het algemeen juist een ‘menselijke’, eigenzinnige stijl. Hoe zit het echter daarbuiten, bijvoorbeeld in de genrefictie, het vertalersdomein en bij populaire jeugdboeken? Het experiment van Pelckmans om een roman te presenteren als geschreven door een AI-systeem toont aan dat sommige uitgevers staan te springen om in de AI-lacune te springen. De aankondiging van VBK om vertalingen met AI te gaan maken, illustreert dat ook literaire vertalers niet veilig zijn.

Meegaan met de hype is op dit moment niet wat we nodig hebben. Wat we nodig hebben, is AI-geletterdheid, vertraging binnen de culturele omwenteling waarin we zitten en een behoud van de eigenzinnigheid en het spel van menselijke makers. Dat alles kan alleen door onze diepgewortelde neiging tot voorspelbaarheid, keurigheid, modelmatigheid en serievorming te doorbreken, zowel in het onderwijs als in het literaire domein. Om te variëren op een van de motto’s van de revolutionairen van mei ’68: niet onder het plaveisel, maar onder het glasvezel ligt het strand. Laten we dat strand voortaan tot ons speelterrein verklaren.

 

Dit essay van Laurens Ham is onderdeel van de themareeks ‘Schrijfrobots. Code en creatie in de literatuur’.

Geplaatst op 12/08/2026

Tags: AI, creatief schrijven, generatieve ai, Kunstmatige intelligentie, literatuuronderwijs, Onderwijs

Categorie: Essays

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.