Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Ongeveer in het midden van zijn bundel masc:r heeft Dean Bowen een ‘negatieve’ afdeling geplaatst – zes bladzijden witte tekst op zwart papier. Deze afdeling bevat de meest transparante tekst in de bundel: een Engelstalige monoloog waarin de ik getuigt van zijn gekrenkte ego en de reeks moorden die hij pleegt om dat te wreken. De verteller doet denken aan Elliot Rodger, die Amia Srinivasan in haar boek The Right to Sex (2022) ‘the world’s most famous incel’ noemt. Deze faam verwierf Rodger toen hij in 2014, op 22-jarige leeftijd, zes mensen vermoordde, veertien anderen verwondde en vervolgens suïcide pleegde in Isla Vista, Californië. De plaatsnaam verbindt de monoloog in masc:r aan het verhaal van Rodger: ‘i figured this would be the perfect day to attack isla vista.’
Bowens versie is een herkenbare uitdrukking van wat inmiddels een stereotype van mannelijkheid is. De ik is onvrijwillig maagd, voelt zich uitgesloten, geminacht en afgewezen, en zoekt vergelding voor zijn leed in een gewelddaad die hem mythische status moet geven. De naam van de ik is onleesbaar gemaakt, een symbolische streep door zijn rekening.
masc:r laat zich lezen als een conceptbundel over mannelijkheid; in de titel weerklinkt ‘masculien’ en ‘masker’; de maskers die mannen opzetten om hun gender vorm te geven? Dat in deze bundel een figuur als Rodger verschijnt, hoeft niet te verbazen. Zoals in het essay van Srinivasan kan die een aanleiding zijn voor een politieke kritiek van gender en verlangen in een patriarchale samenleving. De gemarkeerde positie van deze afdeling en haar eenduidige verstaanbaarheid roepen echter wel vragen op. Waarom die focus op het meest abjecte beeld van mannelijkheid dat in de hedendaagse cultuur circuleert? Is het stereotype van de incel, in zijn meest radicale gedaante, hét referentiepunt voor elke hedendaagse reflectie op mannelijkheid? Een fetisj die meer fascineert dan verheldert?
Om dit sensationele stereotype heen plaatst Bowen een weerspannig en weinig doorzichtig kluwen van stemmen, beelden en affecten. Waar Bowens debuutbundel bokman (2018) een grote typografische diversiteit liet zien, inclusief conventioneel herkenbare dichtvormen, kiest Bowen in masc:r voor hardnekkig rechts uitgelijnde blokken tekst. Prozagedichten, zou je kunnen zeggen, variërend in lengte van een handvol regels tot enkele bladzijden. Weg is de verstaanbaarheid en de expliciete postkoloniale kritiek. De schriftuur in masc:r is gesloten en veeleisend, de gedichten veelal nevenschikkingen van ook bij herlezing lastig te duiden elliptische statements, waarin verbasterde echo’s van herkenbare discoursen resoneren. Ik citeer als voorbeeld de eerste regels van het openingsgedicht van de bundel:
ik ben zeven jaar & zonder gezicht geboren. eerste van mijn soort op een concave aarde. ze doopte mij, het veelnamige monster van een verwelkte oogst. hij die gekenmerkt door het .com-tijdperk een fluisternaam wordt toegedicht in de grenslanddialecten van bange mannen. ik ben geboren uit het zout. een schaduwhuidhuivering & dit lichaam is transgressie. & dit lichaam is mineur. wentelgebaar waarvan mannen niets weten. ik ben geboren & spreek hiervan. elke uiting van mijn naam een polsslag.
Waar de eerste drie zinnen in dit citaat nog een zekere narratieve samenhang suggereren (een ontstaansmythe), wordt die vervolgens gefrustreerd door een ondoorzichtige frase die associaties oproept met internetcultuur, mannelijkheid en een discours over grenzen (grensgebieden, grensoverschrijdingen). Herhaling, parallellisme en klankspel onderstrepen de lyrische logica van de tekst.
Tegelijkertijd evoceert ‘ik ben geboren & spreek hiervan’ het performatieve karakter van een politiek statement waarmee de ik zichzelf aanwezig stelt als subject. Het vervolg van dit gedicht varieert verder op frasen als ‘ik ben geboren’, ‘bange mannen’, ‘& het lichaam is’, wat de tekst een ritueel, bezwerend karakter geeft. Het sprekende subject lijkt te zeggen: ik getuig van mijn lichamelijke aanwezigheid en van mijn filiatie. Oftewel: ik kom ergens vandaan.
Met deze compromisloze, weinig communicatieve blokken teksten zet Bowen hoog in – als lezer volg je de resonanties, de vibes en de affecten, of haak je af. Ik zou het in mijn leeservaring een autoritaire schriftuur durven noemen, die veel oplegt en voor mijn gevoel weinig inbreng toelaat. Dat harde werk wordt in de eerste afdeling af en toe verlicht door minimalistische gedichten waarvan de welluidende ritmische patronen en herhalingsfiguren lucht brengen in de bundel.
Het gedicht op bladzijde 17 creëert bijvoorbeeld een maalstroom van anapesten waarin de woorden ‘man’, ‘god’ en ‘hemel’ steeds terugkeren – ‘schrijf de man uit de god uit de hemel’. Op bladzijde 21-22 hamert de herhaling van de frase ‘& be a man’ op de vraag naar mannelijkheid en hoe die vorm te geven: ‘sta op & make hard decisions & be a man’, maar ook ‘sta op & make yourself literate & be a man’.
Verder is het echter tasten naar contouren en ijkpunten. In het eerste gedicht appelleert de voornaam van de dichter nog aan een persoonlijk levensverhaal, maar het lyrisch ik is ‘zonder gezicht geboren’ en zijn veelnamigheid plaatst hem in een lange historische overlevering: ‘ik heette dean & ik heette roystan & ik heette jacob & ik was vernoemd naar alle vaders van mijn bloedlijn’.
De eerste afdeling refereert af en toe aan een generationele dynamiek en naar een proces van opgroeien en volwassenwording. Zo introduceert het tweede gedicht ‘a boy’, het derde gedicht ‘zijn vader’, ‘zijn moeder’ en een interculturele, misschien postkoloniale identiteit: ‘het land van zijn vader brandt & hij heeft het nooit gekend. […] hij is niet van deze klei-, veen- of zandgronden’.
In het vierde gedicht lijkt de ik zich te verhouden tot de boosheid van zijn vader, die hij als ‘te zacht’ kind meekreeg, en memoreert ‘mijn pogingen de bruut in hem te kussen. mijn wentelen rondom zijn woede alsof ik een willoos lichaam.’ Het beeld ontstaat van een gevoelig kind dat opgroeit zonder model om zich duurzaam aan te spiegelen en zo gaandeweg harder en agressiever wordt. Voor de zachte gevoelens van het kind is in de harde wereld van de vader geen ruimte: ‘harde tijden baren sterke mannen wist hij. maar wat te doen met een rouw als ik’. Het woordspel – in ‘rouw’ weerklinkt in deze context ‘vrouw’ – geeft aan dit verschil in temperament een impliciete genderdimensie.
Enkele gedichten aan het einde van de bundel lijken dat beeld opnieuw op te roepen, zoals in deze frase: ‘eerder was ik een zacht kind. een hopeloos geval & wist ik hoe te zwelgen. nu ben ik slechts een capaciteit voor geweld’. De ik realiseert zich dat zijn vader hem geen geschikte taal heeft aangereikt om zijn identiteit vorm te geven:
all fathers zijn leugenachtige vertellers. bieden weinig meer dan een taal gewapend & fashioned into the shape of a man. that shape, een traditioneel silhouet that never really fit the scope of my boyhood. nu heb ik nog altijd geen weet van de vormen die ik aan mag nemen.
De slotbladzijden evoceren daarbij een verlangen naar terugkeer of herstel – ‘boy is fighting to be boy again’ – in het besef dat er niets is om naar terug te keren, dat er ‘geen bevrijde versie van de jongen bestaat’ en dat hij zich al te vaak ‘thuis [waande] in iets of iemand’. De ik heeft niet de luxe van een lineaire tijd, waarin je kunt terugblikken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst; ‘remember (?)’ en ‘wanneer (?)’ worden gevolgd door vraagtekens – ‘wanneer (?) is voor hen met de tijd aan hun zijde.’ De ik lijkt tijd veeleer te beleven als ‘haunting’; spokende restanten uit het verleden.
Zo schetsen de gedichten aan het begin en aan het einde van de bundel voorzichtige contouren van een persoonlijk verhaal over opgroeien van jongen tot man, over mannelijke rolmodellen en over een crisis in de volwassen mannelijkheid. Op het affectieve niveau staan ervaringen van rouw en verlies daarbij tegenover woede en vernietigingsdrang; onverwerkt verlies ontvlamt vroeg of laat weer tot geweld, tot het vuur finaal uitgeraasd is. Het is ‘het doven van zijn vuur dat hem [een man] vervolmaakt. hij vermenigvuldigt enkel in de rouw om zichzelf, tot hij uit zijn voegen barst’. In het slotgedicht lijkt de ik klaar om zich los te maken van deze dialectiek en van ‘de houdingen die ik voetstuk gaf in die isolatie’.
Dichter bij het midden van de bundel lijken de contouren echter te verschuiven en komt de toxische wereld van de manosphere in beeld. Halverwege de eerste afdeling anticipeert een gedicht op de spree van Rodger; ‘een moeder & een dochter’ zijn het slachtoffer van een naamloze ‘hij’. De herhaling van ‘& weer een hij’ impliceert een patroon van mannelijk geweld. Eenzaamheid online opgestookt tot razernij: ‘zijn eenzaam is valide. zijn eenzaamheid valide. een testament van blinde woede gebaard in de krochten van message/b/oards.’ In een daad van destructie wordt paradoxaal genoeg ‘een gemeenschap vervolmaakt’, waarna ‘het koor op het internet joelt’.
De verwijzingen naar online gemeenschappen keren uitgebreid terug in de derde afdeling, waarbij sprake is van ‘brutale trollen’ en ‘sigma-coded boys’. De ‘sigma man’ is een alternatief voor de alfa dat opgeld maakte in de manosphere en jonge mannen toelaat om hun isolement en eenzaamheid te pimpen tot een zelfbeeld van soevereine afzondering (‘lone wolf’). Een naamloze ‘hij’ pookt de frustratie van zijn publiek op tot razernij: ‘elke ziel is er weer een & he can work them into a frenzy, met de gestolen dromen die hij ze voedt.’
In de gevoelsstructuur van dit online legioen staan eenzaamheid en onbehagen – ‘het gal’, ‘de onderbuik’, ‘wat kriebelt onder de huid’ – naast een als dierlijk ervaren ontlading. Het gedicht refereert aan gevoelens van bestaansonzekerheid en verwarring, en tegelijkertijd aan het verlangen naar vergelding en agressie:
to reclaim wat rast in de huil die zich verankerde in zijn keel. dit is een glimp van de samengeraapte ontlading. […] wraakzucht voorloopt de honger van het beest in hem.
Deze poëzie representeert in termen van Sianne Ngai ‘ugly feelings’ die geworteld zijn in ervaringen van onmacht en gebroken agency en die transformeren in grootse gevoelens die catharsis bieden. Woorden als ‘het koor’ en ‘de toorn’ wijzen verder op deze hang naar tragische ontlading.
Een volgend gedicht in de derde afdeling werkt de destructieve onlinedynamiek verder uit, met nadruk op de ontregelende effecten van viraliteit. Deze wereld van ‘ddos-heroics’, van trollen en van ‘memefied conscriptie’ draait niet om overtuigingen maar om woekering en vernietiging: ‘an assault op de gemeenschappelijke deler […] geen overtuiging die moet worden ontleed. the troll is a machine within a machine’. De trollen zijn de ‘lesser gods’ die het gebrek aan louterende tragedie compenseren.
Na het kolken van de manosphere komt het lyrisch ik weer in beeld, dat in het laatste deel van de bundel geregeld een tweede persoon, een ‘lief’, aanspreekt en de lezer vergast op enkele korte vermangelde liefdesgedichten. In vage erotische beelden resoneert een verlangen naar onderwerping van het begeerde lichaam: ‘contortions van een gehavend lijf’, ‘buig alsjeblieft, wanneer buigen is demanded’, ‘alles in mij wants to origami the ways of you into soft submission’.
In het gedicht waarin het ‘lief’ geïntroduceerd wordt, lijkt de ik vervuld van een hang naar mythevorming en vereeuwiging die ook de sinistere verteller van de zwarte bladzijden niet vreemd is. De ik bezweert het lief, in wat klinkt als een wrange parafrase van John Donnes gedicht ‘The canonization’: ‘we zijn monumentaal. & we kennen een lange geschiedenis. ze zullen ons samen noemen’. Tegelijk hanteert de ik een retoriek van schuld en verlossing, en geeft aan ‘mijn onderbuik te wantrouwen’, waarmee hij zichzelf lijkt te impliceren in het virulente onbehagen van de trollen.
Aan het einde van de bundel, in de vierde afdeling, erkent de ik dat ook hij ‘onderhevig [is] aan die meest gewelddadige impulsen that made everything burn in the first place’. Deze vernietigingsdrang komt volgens de ik voort uit onverwerkte rouw en het gebrek aan ‘een taal to capture this grief of mine’. De dialectiek van rouw en woede lijkt zoals eerder gezegd de affectieve spil waarrond deze bundel draait, en toch geeft masc:r op geen enkel moment een concrete invulling aan het verlies dat deze dialectiek in gang zet. Om welk verlies rouwen mannen? ‘[Z]ijn scheuren blijven zichtbaar als de wonden zijn geheeld.’ Maar in welke conflicten lopen ze deze wonden op? Door welke spoken worden mannen opgejaagd?
Deze vragen raken aan het mechaniek van deze bundel. Een frase uit het eerste gedicht van de derde afdeling luidt ‘dat luchtlijnen weinig waard, wanneer het rizoom niet tot kluwen is gevlochten’. In ‘luchtlijnen’ resoneert ‘vluchtlijnen’, en misschien is dit precies wat Bowen in masc:r maakt: een dicht gevlochten kluwen waaruit ooit vluchtlijnen kunnen ontspruiten. Met een kluwen van terugkerende motieven en frasen verknoopt deze bundel de geleefde ervaring van zijn lyrisch ik met de akeligste uitwassen van mannelijk onbehagen. Dat kluwen gedijt in onbepaaldheid en ondoorzichtigheid, in een impliciete en ontsporende schriftuur, en in vage evocaties van herkenbare discoursen. Een voorbeeld uit het tweede gedicht van de bundel:
the boy heeft geen gezicht, zaailing van een invasief bewustworden & could still be shaped into a violence we recognize as common to his kind. hij was altijd invited into belonging. het voetstuk is een birthright, weet je nog?
De formulering geeft geen concrete invulling aan het ‘bewustworden’ (waarvan?), aan ‘his kind’ (welke soort?), aan ‘belonging’ (waartoe?), of aan het ‘birthright’ (waarop?). Zo weeft de tekst een kluwen van ideologische en affectieve mechanismen, zoals het gevoel ergens bij te willen horen of ergens aanspraak op te kunnen maken, die circuleren in vaag gehouden contexten. De overgeleverde pijn in een geschiedenis van migratie – een motief waarop de bundel vaag alludeert – kan zo vervlochten raken met de rancune van de incel.
Dit kluwen gedijt ook goed in het mythologische register van woede en vergelding. Dat register bereikt een climax in het laatste gedicht van de eerste afdeling, voorafgaand aan de zwarte bladzijden:
een voorvaderlijke woede die je brengt op nieuwe gronden. je breekt gezichten & draagt een parelsnoer van tanden. zet de vlam aan je volledige geschiedenis. zo herstel je de kapotte beetjes van je wereld. het podium is aan jou om schoon te branden voor nieuwe rijkdom, dus verhaast je de chaos
Het kluwen van mannelijk onbehagen is hier gecomprimeerd tot het ondoorzichtige zwarte gat van de mythe: een overgeleverde pijn wordt gewroken en geheeld door een apocalyptische vernietiging. Vergelijk deze mythische ‘voorvaderlijke woede’ met het spoor van onbestemde affectieve doorwerkingen van het verleden dat verspreid ligt over de bundel: de talrijke verwijzingen naar rouw, wonden, ‘haunting’, getuigen en allerlei varianten op iets wat overblijft (bijvoorbeeld ‘remnant’). In de mythe wordt dit complex gestroomlijnd tot een narratief dat even dwingend als nietszeggend is.
Aan de analyse van mannelijk onbehagen draagt het kluwen van masc:r mijns inziens weinig bij; in het dicht gevlochten rizoom zijn geen heldere posities of trajecten te traceren. Hooguit een verschuiving binnen het kluwen naar en van het zwarte, negatieve midden van de incel – het punt waarop het kluwen oplost in verstaanbaarheid. Een vluchtlijn biedt deze verstaanbaarheid echter niet; veeleer een zwart gat waarin alle begrip en empathie voor mannelijke ervaringen van rouw en eenzaamheid verdwijnt.
In het een na laatste gedicht luidt het wrang: ‘je wil hem gezond in zijn discomfort. poëtisch of beheerst.’ Een behaaglijk beeld van mannelijkheid heeft Bowen in masc:r echter niet te bieden. Behaaglijke poëzie evenmin. Ondanks inspanning en volgehouden concentratie, moet ik zeggen, heb ik het gevoel dat deze bundel niet echt bij me is binnengekomen, of omgekeerd: dat ik er geen ingang in heb gevonden, of gekregen. Misschien ben ik niet welkom, of niet ontvankelijk. Bowen laat me met een gefrustreerd gevoel achter: wat zegt bovenstaande lappendeken van cherry-picked citaten nou helemaal over de tekst? Deze hecht gecomponeerde en consistent gefraseerde bundel heeft echter zeker indruk gemaakt, ergens tussen briljant en irritant in. Poëtisch en beheerst.
Een recensie door Sven Vitse van masc:r door Dean Bowen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.