Proza, Recensies

De dood van het leven

Alle mensen zijn

David Paul

‘De wieg schommelt boven een afgrond, en het gezond verstand zegt ons dat ons bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden van duisternis’, zo schreef Vladimir Nabokov aan het begin van zijn memoires Geheugen, spreek. In die logica ontrukt het individuele leven zich kortstondig aan een eeuwige niet-bestaan, dat dus niet alleen volgt aan het eind, maar ook voorafgaat aan het begin van het leven. Het is een afgrondelijke gedachte, die je zou kunnen kluisteren aan een eeuwige chronofobie, om bij Nabokovs termen te blijven.

Ik moest om verschillende redenen aan deze passage denken bij het lezen van Alle mensen zijn, de erg grillige maar nu en dan ook ontroerende roman die David Nolens recent publiceerde onder het pseudoniem David Paul. Het boek vertelt namelijk het verhaal – of de ziektegeschiedenis – van Damian, die vanuit de dood maar niet tot leven wil komen. Zijn ‘geval’ wordt aan de lezer gepresenteerd door een schimmige wij-verteller, die aanvankelijk de objectieve blik van de psychiatrie lijkt te representeren maar zich gaandeweg openbaart als de stem van de doden. ‘Als enkelingen in deze zaal’, zo lezen we aan het begin, ‘zien jullie hoe achter ons Damian wordt geprojecteerd, een jongeman die ons kwam toegewaaid en die wij als het ware hebben gevangen als een vlinder in een schepnet en in een kamer hebben vastgeprikt.’ Aan het einde van het boek wordt het ‘probleem van Damian’ omschreven als ‘een toonaangevend specimen van de soort die leven en dood verwisselt.’

Ook die verwijzing naar lepidopterie deed me denken aan Nabokov, zelf een fervent ‘vlinderaar’. Lepidopterie was voor hem bovendien een terugkerend literair motief, waarmee hij de bitterzoete verhouding tussen literatuur en leven op scherp kon stellen. In zijn pogingen om het warmbloedige leven te vatten, zo leek Nabokov in zijn werk te suggereren, heeft schrijven net vaak iets dodelijks. Nolens/Paul heeft weliswaar een heel ander, misschien wel hysterischer temperament dan de aristocratische Nabokov. Bij hem is de afgrond alomtegenwoordig.

 

Gemeenschap van de doden

De titel van het boek is wat dat betreft programmatisch. Zonder naamwoordelijk gezegde, blijft die doelbewust in het ijle. Een koppelwerkwoord kan immers niet zonder bepaling. Je kan hem dan ook existentieel begrijpen: zijn op zich is leeg. Zijn op zich, zou Sartre in navolging van Hegel zeggen, is hoe dingen zijn; mensen zijn dan ook altijd voor zich. Dat maakt hun mens-zijn uit – en pas als ze dood zijn, zijn mensen tout court.

Omdat het gezegde ontbreekt, denken veel lezers er wellicht onwillekeurig bij: alle mensen zijn sterfelijk. Zo luidt immers de majeure premisse uit het beroemde syllogisme van Aristoteles. De mineure premisse kan dan zijn: Paul is een mens. Dus: Paul is sterfelijk. Het is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van deze denkfiguur, en in die zin een ultiem artefact van logisch denken in het algemeen, of toch van een bepaalde ‘majeure’ filosofische traditie daarin. Het is met andere woorden niet zomaar eender welk voorbeeld: het legt een denkknoop bloot waarin sterfelijkheid, gemeenschappelijkheid en redelijk denken stevig met elkaar worden verbonden.

In Alle mensen zijn peutert de auteur de knoop los en onderzoekt andere mogelijke verbanden en uitkomsten dan de legitieme. Vanuit het existentiële uitgangspunt ontwikkelt Paul/Nolens een dialectiek die vaak ronduit raar en buitenissig is. Voortdurend gaat hij op zoek naar een contaminatie van wat door redelijk denken net klinisch gescheiden blijft – in dit geval vooral dus een besmetting van het leven door de dood en omgekeerd. Centraal staat de idee dat leven individueert maar dat de dood is wat we uiteindelijk zullen delen. De gemeenschappelijkheid van de dood wordt, door een eigenaardige substitutie: de gemeenschap van de doden. Zij zijn, zoals al aangegeven, de wij-vertellers van Damians verhaal.

 

Een virtuele roman

In nogal strikte zin is de roman een genre over de lotgevallen van individuen. Mogelijk dienen deze als realistisch en representatief specimen van een groep of klasse. In Alle mensen zijn wordt binnen de grenzen van de roman echter nadrukkelijk geworsteld met – en ook wel gestreden tegen – de individuerende dynamieken van wat de ‘anekdote’ wordt genoemd. Dit wordt al op de eerste pagina’s uitgedrukt met het motief van het ‘exacte kamertje’, die een isoleercel in een inrichting zou kunnen zijn, maar evengoed een doodskist of een inkapseling onder de grond. Een van de twee motto’s, uit de Tao Te Ching, situeert het leven nadrukkelijk buiten dit krappe ik:

Hak deuren en ramen
om een kamer te maken.
Waar de kamer niet  is,
daar is ruimte voor jou

Met dat uitgangspunt hoeft het niet te verbazen dat het verhaal in dit boek lastig na te vertellen is. De hoofdfiguur houdt het leven immers net af; hij (of zij, want Damian transformeert op een gegeven moment ook in zijn ‘wederhelft’ Damiana) wil of kan het virtuele niet actualiseren door iemand specifieks te worden. Het is een wrange omkering: om te blijven leven, blijft hij liever dood. ’In het schema’, zo schrijft Nolens ergens, ‘was de anekdote de dood van het leven’. De auteur probeert het verhaal van Damian (of het ‘geval’ Damian’) van daaruit te denken als een abstracte beweging –nauwelijks als een ketting van anekdotes, noch als een vertelling die is opgehangen aan oorsprongen, oerscènes of traumatische wendingen. ‘Wanneer het precies gebeurde of gebeurt, is onduidelijk’, zo staat er als Damian uiteindelijk toch aangetrokken wordt door het leven. ‘Het zal eerder een langzaam proces zijn geweest, een olifantsdracht, en dus geen plotse bliksemschicht die hem naar het leven bracht.’

Hoewel het verhaal door dit alles haast sprookjesachtig abstract is, speelt het zich ook weer niet lang geleden in een land hier ver vandaan af. Alle mensen zijn gaat wel degelijk over een herkenbaar, nadrukkelijk historisch heden, met plukboerderijen, smartphones en allerlei andere realia, en speelt zich af in een stad waarin de lezer misschien Antwerpen kan herkennen – een abstract-concrete setting die lezers van Nolens zullen kennen uit andere boeken. We leren Damian kennen als zeventienjarige. Hij is van straat geplukt en in een (psychiatrisch) centrum geplaatst, waar hij in het al genoemde ‘exacte’ kamertje verblijft. Net als dat kamertje kan men het  ‘centrum’ allegorisch lezen, als de plek waar men mensen die buiten de orde van het normale lijken te vallen alsnog de isoleercel van het individu in wil krijgen.

Van daaruit beweegt het boek heen en weer in de levensloop van Damian, zodat een niet-chronologische samenhang ontstaat. Veeleer dan door een plot of een betoog, wordt dit boek gedreven door een wild denken, dat voortdurend zoekt naar gemeenschappelijkheid. Als kind al, zo lezen we, geraakt Damian in de greep van de dood. Als puber wordt hij een ‘carrousel der smachten’ ingetrokken en transformeert hij in een levend ‘ding’. Op zijn achttiende geraakt hij verwond aan zijn mond en begint een lange periode van zwijgen en luisteren, gevat in de dubbelzinnige mantra ‘kluister’. Het boek vertelt over ontmoetingen met andere, min of meer schematische figuren, die op de een of andere manier door Damians manier van zijn worden aangetast. Een belangrijke rol is weggelegd voor Paul, die het gelijknamige personage uit Nolens’ roman Het kind  oproept. In dit boek is de vaderfiguur Paul een abstracte geest, die bestaat ‘uit miljoenen dode vaders’. Hij fungeert voor Damian als conversatiepartner, al lijkt hun spreken meer op ‘lezen’ – zodat hij ook een avatar van de auteur zou kunnen zijn, die ten slotte de geestelijke vader van het personage is. Hij is het ook die Damian, na veertig jaar uitstel, meer en meer richting leven stuurt.

Als Damian na veertig jaar dan eindelijk geboren wordt, volgt meteen het besef dat er geen eenvoudige richting in de tijd is. Dan ‘valt als een steen het besef dat alle vaders, moeders, kinderlozen, neutralen en kinderen, alsook alle planten en dieren, de algen en schimmels incluis, dood zijn.’ In hoofdstukken over de dood van Damians vader en grootmoeder openbaart Damian zich als een geperverteerde jezusfiguur: vaderloos, onbevlekt ontvangen, herrezen uit de dood. Verlossing volgt hier echter niet uit: ‘Damian maakt de vergissing om de dood te verzelfstandigen, want de dood valt niet te leven.’

 

Kritiek en begrip

Met die religieuze subtekst situeert de auteur het boek impliciet in een specifieke sociale en culturele geschiedenis. Een centrale vaststelling in alle boeken van Nolens is dat een kapot sociaal weefsel, als in een vicieuze cirkel, hand in hand gaat met een kapotte subjectiviteit. Het subject is in de eerste plaats een kind van een moeder en een vader. Dat geboren zijn, uit anderen, is de fundamenteel onvolgroeide, altijd weer miskende vorm die subjectiviteit bij Nolens aanneemt. In dit boek ligt de nadruk op de verhouding tot een vaderfiguur die zelf nooit ‘uit de verf is gekomen’, en op de leegte en het onvermogen die hieruit resulteren. Een kort woord vooraf stelt het zo, onomwonden: ‘Er is iets drastisch veranderd in de wereld. Alle vaders zijn dood.’ De auteur roept het beeld op van een ingestorte oedipale driehoek, en suggereert psychologische en sociale gevolgen. Als er geen vaderfiguren zijn, dan wil de relationele logica dat ook de moeders en de kinderen dood zijn; zij maken elkaar. Het is duidelijk dat het om de dood van de abstracte, autoritaire vader gaat; natuurlijk zijn er andersoortige, concrete vaders – en natuurlijk zijn er eindeloos veel andere zorgfiguren denkbaar.

De leegte die de onthechting van de moeder achterliet, werd door Nolens in Stilte en melk verbonden met een niet te stillen honger, en met de primaire krenking van onthechting. Die leegte kwam wellicht voort uit miskenning. Dat we bestaan, zo zou je het ook kunnen uitdrukken, bewijst dat wij verzorgd zijn geweest door een moederfiguur. Het individu is echter de fantasie van de zelfgemaakte mens. In Alle mensen zijn staat niet zozeer het primaire narcisme van de verloren almacht of het secundaire narcisme als respons op de castratie, maar een andere kwetsuur centraal: de sterfelijkheid. Als klassieke representant van de paternale orde is de vaderfiguur vandaag misschien wel het ultieme spook, een geest die aan je verschijnt en die je ook wel van binnenuit kan overmannen?

Een centrale vraag is alleszins die naar opvoeding. ‘Maar wie heeft de opvoeders opgevoed?’ vraagt de auteur zich af. Ook op dit vlak leeft het zelfgeschapen individu in ontkenning. Het antwoord op deze vraag laat de onthechting en het isolement voelen, maar reikt misschien ook naar een andere gevoeligheid en naar niet-autoritaire leerprocessen: ‘De suizende stilte, alsof een wilde natuur hier de kamer is binnengetreden, op aarden voeten, een kwetterende vogel, onverstaanbaar, iets plantaardigs ook, groeit en bloeit.’ Dergelijke bewegingen maken van Nolens een schrijver die ondanks de zwaarte van zijn thema’s een warm en bekommerend boek heeft geschreven. Nolens onderzoekt het complex van persoonlijke tragiek en sociale structuren vanuit een behoefte aan begrip in emotionele en kritische zin. ‘Alle tragiek is persoonlijk’, zo drukt de wij-verteller het uit. De inzet is hulpverlening op dat gebied, maar niet op een halfzachte of geïnstitutionaliseerde manier. Nolens schrijft veeleer als een ‘ervaringsdeskundige’, dus zelf pathologisch, vanuit de krenking – wat ook afstotelijk kan zijn.

 

Reïficatie en flux

Op cruciale plekken in het boek verwerkte de auteur een ‘afschuwelijke droom’ of visioen van de wij-verteller over een robotwagentje. Je zou kunnen zeggen dat die droom fungeert als een kafkaeske parabel-in-de-roman, een verontrustende maar ergens ook aandoenlijke mini-dystopie. De niet gemakkelijk te parafraseren nachtmerrie vertelt over een wagentje dat is ‘gemaakt uit onderdelen van huishoudelijke apparaten, blik en veren en pompjes en schakelaars en lichtjes, heel oud-futuristisch.’ Het wagentje, zou je kunnen zeggen, is een product van een verregaand proces van verdinglijking: ‘Het leek een persoonlijkheid te hebben, voor zich en op zich, maar vooral op zich, want het was slaafs met een willetje van niets.’ Er is ook sprake van andere wagentjes; ze communiceren met elkaar.

Later in het boek volgt een nog ijlere tweede droom over de wagentjes, waarin de ‘ex-verloofde’ van de wij-figuur tot wagentje is omgebouwd. De wagentjes gaan nog steeds in interactie maar, zo staat er, ‘gingen nu nergens heen en bleven haken in iets wat de verdubbeling van ons bestaan betrof.’ Er is een acceleratie opgetreden in het reïficatieproces, wat zich elders in het boek uit in opmerkingen over de teloorgang van de tegenwoordigheid: alles is gedoemd een beeld van zichzelf te worden. Of met Guy Debord: ‘Al wat direct werd geleefd, heeft zich verwijderd in een representatie.’ Je zou hier tegen in kunnen brengen dat onze tijd er net een van continue flux is. Maar het is een flux van constante registraties, identificaties, spiegelingen, herhalingen, een rusteloos, eindeloos verfijnd reproductieproces dus, dat resulteert in een archief zo groot als de wereld zelf, vrijwillig aangelegd door de gebruiker: materiaal voor nachtmerries.

Aan het einde van het boek wordt het morbide verzet van Damian tegen deze processen gebroken. Het beeld van het wagentje wordt hier hernomen en geassocieerd met de ‘kamer’ uit de Tao Te Ching. Damian is uiteengevallen in honderd Damians (‘dividuelen’, zou je ze met Deleuze kunnen noemen). Een van hen rijdt door de stad en zoekt een parkeerplaats: ‘Pas ik hiertussen?’ De paradoxale logica van de kamer zegt dat er daarbuiten plek is voor hem. In dit slot wordt ook het schrijfproces metafictief aan de dood gekoppeld: ‘Toegeven aan een parkeerplaats lijkt op betekenis geven; een hele straatkant geparkeerde auto’s lijkt op een woordenbrij, op een zin of op een gezelschap – een impasse.’ Toch laten gedachten zich in dit boek nooit helemaal voegen. Geen enkele scène biedt closure. In die zin strijdt de auteur al schrijvend net tegen de impasse, en op een nadrukkelijk dubbelzinnige manier tegen de finaliserende eindspelen die schrijven en denken zijn.

Tegelijk is Alle mensen zijn wel degelijk een soort van eindpunt. De abstractie die het werk van Nolens altijd heeft gedreven, is hier het radicaalst doorgetrokken. Is dit dan niet het punt waarop de auteur eigenlijk niets anders rest dan van de abstractie weer op te stijgen naar het concrete, om het met Marx te zeggen? Misschien dringt zich een boek met particuliere verhalen op? Ergens bedenkt Damian ‘dat juist de anekdote het leven zijn glans geeft, dat juist in het kleine particuliere het grote tot wasdom komt.’ Als individualisering een eindeloze verdinglijking is, en dus de dood van het leven, dan is het leven dat het waard is geleefd te worden misschien toch een proces van differentiatie? Of schuilt er ook verlichting in (een bepaalde vorm van) abstractie? Op dat gebied is er in dit boek veel dubbelzinnigheid.

 

Taal en isolaat

Taal is altijd de taal van een gemeenschap. Dat is haar conditie en bestaansrecht. Binnen de gemeenschappelijk taal ontstaan individuele stemmen. Naast een verhaal over Damian, is Alle mensen zijn ook nadrukkelijk een beschouwing van de wij-figuur, dus een product van de collectieve taal. Zoals gezegd, lijkt die wij aanvankelijk nog de objectieve (psychiatrische) stem van een ‘men’ te vertegenwoordigen. Uiteindelijk ontpopt de wij-figuur zich echter niet alleen tot de stem van de doden, maar ook tot de stroom van een collectieve taalmassa, een stem die ‘door ons’ spreekt.

Die sprekende doden doen denken aan de eigenaardige, buitensporige dialectiek van weten en niet-weten die Georges Bataille schetste in zijn boek L’expérience intérieure, dat in zijn pogingen het ongrijpbare uit te drukken eveneens inspiratie in mystieke tradities en in het Oosten zoekt (al is Nolens idiosyncratischer, grappiger, vreemder): ‘Aan de ontglippende rand van mijzelf ​​ben ik al dood, en in deze staat van ontluikende dood spreek ik tot de levenden: over de dood, over het uiterste’ (mijn vertaling).

Uit de collectieve stem die de discursiviteit zelf is, de abstracte en virtuele maar altijd concreet gerealiseerde stroom van de taal, halen de levenden slechts  ‘splinters, geroezemoes, onvolkomenheden en vooral de idee dat wat jullie bereikt uit jullie zelf vertrekt.’ Het roept de stemmen van de ‘jonggestorvenen’ en de ‘engelen’ op, waarnaar Rilke zijn oren probeerde spitsten in De elegieën van Duino, ‘de nooit onderbroken tijding die zich uit stilte vormt’. De levenden maken volgens Rilke ‘allen de fout dat ze te sterk onderscheiden. Engelen (zegt men) weten vaak niet, of ze gaan / onder levenden of doden.’  De taal van de doden staat bij Nolens voortdurend op gespannen voet met de individuele stem die het ‘isolaat’ wordt genoemd, ‘die eigen, zelfontwikkelde, zeurderige taal die alle mensen een leven lang in hun hoofd moeten aanhoren.’  ‘Je kunt niet thuiskomen in jezelf’, zo klinkt het, en dat geldt ook voor de stem die men het zelf noemt. Daar probeert Damian dus net van te ontsnappen: thuiskomen in de stilte, of ook wel in de publieke ruimte, als ontsnapping uit het ‘isolaat’.

Zou je het isolaat ook het principe van de ‘tegenspraak’ kunnen noemen: de stem die tegen je spreekt, of die je tegenspreekt, en die elke gezonde mens beschouwt als de zijne, terwijl je er tegelijk naar luistert? Het is ook de stem die consistentie eist, die zichzelf niet mag weerleggen? Zoekt Nolens/Paul met Damian – die je vanuit dit perspectief ook mag begrijpen als een ‘wij-figuur’ – een stem die zichzelf mag tegenspreken zonder uiteen te vallen, een multitude, zoals die van Whitman in ‘Song of Myself’? Die woekerende stem tast alleszins voortdurend naar ongewettigde vormen van consistentie, via verschuivingen, omkeringen, wilde abstracties, concretiseringen. De samenhang van dit boek is daardoor niet zozeer logisch, maar schematisch, diagrammatisch, zowel abstract als lichamelijk.

Een terugkerend motief in dit boek is de vraag van de wij-figuur aan specifieke toehoorders om de zaal te verlaten. Het is een vraag waarmee de auteur misschien ook het verlangen uitspreekt om aan het einde over te blijven met een gemeenschap waarin verstandhouding bestaat. Je mag hopen dat de auteur die gemeenschap vindt. Nog los van de vraag of dit een ‘goed’ boek is, of het spannend of ontroerend of in politiek opzicht bij de tijd is: er is niemand die schrijft zoals Nolens. Dat kan misschien tellen, als aanbeveling voor een auteur die zo gevoelig is voor de pijn en ontwrichting die gepaard gaan met onderscheiding?

 

Gebroken figuren

Als de samenhangen waar dit boek tegen reageert schema’s zijn, dan regeert bij Nolens/Paul ook nu weer de cirkel. Het is de meetkundige figuur die in honderden variaties de personages en de vorm van zijn werk bepaalt. De cirkel is, zo zou je kunnen zeggen, de vorm van het individu dat neigt naar steriliteit, afsluiting en perfectie. Maar in één beweging genereert het zo net een nooit te vullen gat in het hart van de persoon. In Stilte en melk voor iedereen heette de mens een donut. In International Bakery liep de ik-verteller ‘kromgebogen aan het hoofd van een lichaam / dat naar zijn middelpunt neigt’ richting een sekscinema. In Alle mensen zijn is de dood de ultieme afronding.

Je zou kunnen zeggen dat de cirkel in Nolens’ werk de gebroken oedipale driehoek moet dichten. Emotioneel gesproken begint het hele oeuvre van Nolens misschien wel in het gebroken gezin. De oplossing voor de daar ontstane onthechting, is vaak een fantasie van individualiteit en zelfgenoegzaamheid. Zoals al aangegeven, trekt die fantasie het subject meteen een eindeloos feedbackproces in. Vanuit de cirkel bekeken is het nooit helemaal duidelijk of het kind/het subject dan wel de ouders de driehoek hebben gebroken. Is de krenking reëel, hebben de ouders het huis kapot gemaakt en de zorg verkwanseld en de samenhang verbroken? Of heeft dat kleine narcistische ding zijn afkomst zelf verloochend? Wie heeft de onthechting voltrokken?

Het is een kwestie die voor Nolens alleen historisch en vanuit het maatschappelijke veld kan worden beantwoord. ‘De samenleving begint elke dag meer op mij te lijken / Kind van gescheiden ouders en onthecht’, zo schreef Nolens al in International Bakery. Nolens’ boeken weerspiegelen voor een groot deel de tragiek van een specifiek historische droom, namelijk die van de middenklasse, die resulteert uit onderscheidingsdrift en concurrentie, een angstvallig schipperen tussen opgaan in de massa en opvallen om zichzelf niet te verliezen. Zijn figuren marginaliseren vooral individueel, en vanuit het centrum. In de periferie is er echter altijd collectieve uitsluiting. Daar zijn er grenzen, die met (staats)geweld bewaakt worden. Insluiting van de verworpenen is niet onmogelijk, maar wordt met de prijs van de geschetste maatschappelijke ontwrichting betaald. Die zone en dat proces blijven meestal aan het oog onttrokken in Nolens’ werk, of ze krijgen binnenin vorm, als een nerveuze textuur van barsten. De cirkel laat zich niet zo gemakkelijk breken. Omdat hij intimiteit en bescherming biedt? Omdat de onthechting constitutief is? De cirkel breken zou voor Nolens’ subjecten vernietiging betekenen. De grote (psychologische, maar ook politieke) moeilijkheid is dan ook hoe men de metamorfose moet denken.

De metamorfose voltrekt zich namelijk in elk geval; de cirkel in stand houden is vernietigend. Het is bovendien helemaal niet waar dat alle tragiek persoonlijk is, zoals de wij-figuur ergens beweert. Sommige tragiek is gewoon gruwelijk collectief. De cirkel is dan ook gelukkig niet het enige denkbare diagram. Er zijn vele denkbare lijnen, virtueel gesproken zitten ze zelfs vervat in de cirkel. Ze kunnen door te buigen of te breken allerlei nieuwe figuren, gevoeligheden en zones van uitwisseling vormen. Er zijn lussen, zigzags, golven, plooien… Tegenover een rots, een eiland staan een veld, een zee, een wereld… Natuurlijk is dit gemakkelijk gesproken en is het in realiteit allemaal vuiler, concreter en collectiever. Maar zou het op een bepaalde manier niet ook licht en gemakkelijk moeten kunnen zijn? Moeten ‘we’ niet ook manieren en denkbeelden ontwikkelen om zacht of tenminste vreugdevol te desintegreren?

Bij Nolens gebeurt dat zeker al, vooral tussen de regels. Het uit zich bijvoorbeeld in een niet gemakkelijk te duiden humor, die vaak schippert tussen bloedserieus en infantiel of zelfs onnozel. Maar het uit zich ook in het niet-aflatende deconstruerende denken, dat niet bang is om obsessief en vreemd te worden. Want er is ook iets onbevreesds aan Nolens’ werk, in de zin dat het een gekwetst pathos blootstelt dat veel lezers zal afstoten, en dat soms ook bij mij doet, maar dat net door het ondraaglijke op te zoeken emotioneel inzicht geeft. En nu en dan zijn er in Nolens’ werk ook fragiele momenten van verlichting.  Met woorden uit International Bakery, waar de leegte en de afstand ergens voor heel even plots inklappen, en onmetelijk klein worden: ‘Toekomst is oneindig minder dan een nanoseconde verwijderd / van het heden.’

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2026
ISBN 978 94 93350 50 2
128p.

Geplaatst op 27/08/2026

Tags: Alle mensen zijn, David Nolens, David Paul

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.