recensie, roman

Een groots en meeslepend leven

Egelskop

Teddy Tops

Je loopt er zomaar voorbij: de grote egelskop bloeit aan sloten, vijvers en plassen. De mannelijke bloempjes zitten boven in de stengel als kleine geelachtige bolletjes die stuifmeel produceren en daarna hopeloos afvallen, de vrouwelijke eronder, weerbarstig en stekelig. Leuke metafoor voor genderverhoudingen, maar het interessantste deel van de plant zit onder de grond. Daar vormt de egelskop een net van wortelstokken dat de oever bijeenhoudt. Zonder die wortels zou alles inzakken.

Egelskop – de debuutroman van Teddy Tops en niet de plant – is een poging om de onvertelde geschiedenis van vrouwen uit de Stille Generatie, geboren tussen 1928 en 1945, boven de grond te halen. Tops is radio- en programmamaker. Eerder richtte ze het queerkunstcollectief Trek Iets Leuks Uit en de queer clubnacht Jezabel op. Die achtergrond helpt om te begrijpen waar dit boek vandaan komt: het is een queer blik op een verleden waarin zo’n blik weinig ruimte kreeg.

In een interview met ILFU vertelt Tops dat het idee ontstond toen ze foto’s van haar beide oma’s zag. Die deden haar denken aan Andreas Burnier, die als schrijfster en criminologe een vroege voorvechter was van de vrouwen- en homo-emancipatie. Lesbische vrouwen die honderd jaar geleden leefden, zegt Tops verder in dat interview, wilden geen kinderen, omdat het kind de hoeksteen was van het heteronormatieve denken waartegen ze zich verzetten. Een (iets te) scherp afgesneden bocht, maar wel een boeiend startpunt voor de gedachteoefening die ze in deze roman uitvoert.

 

Ondergronds, bovengronds

Die oefening is een speculatieve hervertelling van het leven van twee grootmoeders. Oma Levi is een Joodse vrouw uit Amsterdam die na het einde van de Tweede Wereldoorlog uit haar onderduikadres komt en wil dansen. Oma Jo is de jongste van dertien kinderen, geboren in een plaggenhut in Drenthe, en trekt met haar familie naar Eindhoven om in de Philipsfabriek te werken. Hun naamloze kleindochter, die na de verdrinkingsdood van haar ouders bij beide grootmoeders opgroeide, vertelt hun levens na en stelt zich voor hoe die levens hadden kunnen lopen als Jo en Levi op het beslissende moment niet getrouwd waren en geen kinderen hadden gekregen. ‘Wanneer ze niet hun opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zouden mijn ouders niet geboren zijn, zou ik niet geboren zijn, hadden zij misschien een vol leven kunnen leiden.’ Egelskop – de roman maar ook een beetje de plant – valt daarom uiteen in twee delen: bovengronds en ondergronds, waarachtig en speculatief, een verhaal waarin Jo en Levi de controle hebben, en een verhaal waarin dat verhaal gekaapt wordt vanuit het heden.

Zelfs los van die speculatieve tweedeling, is de vertelstructuur ambitieus voor een boek van nauwelijks honderdzestig pagina’s. Tops wisselt vier perspectieven af: de ik-verteller in het heden, die op een brug staat en het ongeval van haar ouders minuut na minuut herbeleeft; Jo en Levi, elk in de derde persoon, in de jaren na de oorlog; en een collectief ‘wij’ van vrouwenstemmen, dat met enige ironie de zegeningen van de naoorlogse tijdsgeest bezingt: ‘We vinden vooruitgang in de plotselinge komst van twintig verschillende merken wasmiddel in de supermarkt’.

Je zou verwachten dat zo’n veelstemmigheid een dun boek uit balans brengt, en dat je op den duur niet meer weet wie er aan het woord is. Dat gebeurt niet. Eens de structuur staat, houdt Tops met discipline vol, en door de wisselende belettering en hoofdstuktitels  weet je altijd waar je bent. Nog belangrijker is dat drie van de vier lijnen bijeengehouden worden door een eenheid van tijd en plaats: het arbeidersmilieu van de jaren na de Tweede Wereldoorlog in Eindhoven en Amsterdam. Daardoor weet Egelskop iets te verwezenlijken dat niet vanzelfsprekend is voor zo’n kort en gestructureerd boek. Het krijgt een sfeer, zoals in de passage waarin de arbeiderswijk rondom de Philipssite tot leven komt:

‘Drents Dorp was een wijk vol Drentse katholieken. De Eindhovenaren noemden het de getto’s – de arbeiderswijken. En de arbeiders waren ‘die vuile rooien’, met soms twintig in een huishouden, met vijf op een slaapkamertje, met tweeënhalf per eenpersoonsbed.’

Ook het decennium is goed gekozen. Tussen de literaire canon van de oorlog zelf (Hermans, Vestdijk, Claus) en die van de roerige jaren zestig (Cremer, Wolkers, Heeresma) liggen de jaren vijftig als setting er in de Nederlandstalige literatuur wat verweesd bij. Nochtans waren de fifties in Nederland en België geen ingeslapen tussenperiode, maar een tijd van vooruitgang en idealenstrijd waarin de basis werd gelegd voor structuren die onze samenleving vandaag nog vormgeven. De wet op ondernemingsraden (1950) bijvoorbeeld gaf werknemers – zoals die van Philips – voor het eerst inspraak in hun bedrijf. Tops heeft een neus voor de zintuiglijke kant van die tijd, zoals in de passage over de vrouwenclub: ‘Het rook zoals het begin van het vrouwenstemrecht moet hebben geroken. Als een gezamenlijk ja, tegenover al die individuele nees.’

 

Ernaux met een pointe

Maar in de omschrijving hierboven zit ook al iets dwingends, iets dat een schrijfleerkracht met de dooddoener show, don’t tell zou afstraffen. Soms wordt de lezer van Egelskop te zeer bij de hand genomen en verteld wat er gevoeld of geconcludeerd moet worden. Veel hoofdstukken hebben de vorm van een korte anekdote uit het leven van Jo of Levi, die uitmondt in een pointe. Die pointe wordt dan belichaamd door een figuur, zoals wanneer Levi bij de bebaarde vrouw in het circus belandt. ‘Levi keek om zich heen en dacht: pas als iedereen anders is, is iedereen gelijk’.

Het collectieve ‘wij’ van vrouwenstemmen neigt er dan weer toe om feiten op te sommen in plaats van ze te laten voelen: ‘De handelingsonbekwaamheid van vrouwen is opgeheven, we mogen nu zelf financiële transacties doen zonder handtekening van een man.’ Dat zijn relevante weetjes die helemaal in de tijdsgeest passen, maar ze worden verteld door een koor, niet beleefd door personages. Soms lijkt het alsof Tops een lijst met urgente thema’s heeft die allemaal aan bod moeten komen, zonder dat er tijd is om elk thema een eigen scène te geven.

Soms schemert ook het heden door in de taal van het verleden. Een personage dat ‘altijd aan’ staat, Levi die ‘Ugh’ denkt, het woord ‘sekswerker’. Dat zijn woorden en idiomen die in de jaren vijftig nog niet in omloop waren. Misschien is dat een bewuste keuze, omdat het uiteindelijk de kleindochter is die de verhalen van haar grootmoeders vanuit het heden vertelt, maar het haalt je af en toe uit de sfeer die Tops zo zorgvuldig opbouwt.

De Groene Amsterdammer noemde het boek ‘Ernaux met een beat’. Die vergelijking klopt voor een deel: net als Annie Ernaux vertelt Tops de twintigste eeuw opnieuw aan de hand van onderbelichte vrouwenlevens uit haar eigen familie (al zou ik Ernaux zelf niet meteen beatloos noemen). Het verschil zit in de afstand. Ernaux laat de feiten van een leven voor zichzelf spreken, Tops wil ook opschrijven wat ze betekenen. De verleiding is dan groot om Egelskop weg te zetten als een tendensroman, een boek waarin verhaal en personages vooral in dienst staan van een maatschappelijke boodschap. Dat zou te hard zijn. Er is wel degelijk een verhaal, en Tops geeft duidelijk om Jo en Levi. Hun strijd is boeiend, specifiek en origineel genoeg om meer te zijn dan een illustratie bij een stelling.

 

Afbreken en opbouwen

Egelskop opent met een scherpe gedachte: ‘Ouders zoeken in kinderen hun medestanders, bevestiging van hun goede bedoelingen en verdiensten als opvoeder. Vrouwen die geen kinderen kregen hebben deze getuigen niet gehad’. Vrouwen die geen kinderen krijgen, blijven volgens de verteller anoniem achter, ‘met hun liedjes, hun liefjes, hun eigenaardigheden en hun meisjesnamen.’ Het is een ontroerend beeld, maar ook een wat normatief begin voor een roman, als een moreel kader dat eerst moet worden uitgelegd voor het verhaal kan beginnen.

Dat kader wringt vooral op het einde. In de laatste dertig pagina’s neemt de verbeelding van de verteller de regie op het leven van Levi en Jo over. Levi wint een belangrijk danstoernooi met een partner die in het geheim een vrouw is, Jo schopt het als een van de eerste vrouwen tot in de Tweede Kamer. Zo eindigt het boek met twee beknopt beschreven triomfen, maar het zijn wel ingebeelde triomfen.

Eerder schrijft Tops over Levi: ‘Daar, in die tent, met de grootste kater van haar leven, had ze kunnen kiezen voor een groots en meeslepend leven’, en in het alternatieve leven kiest ze daar dan ook voor: geen man, geen huis, geen gezin. Levi kiest voor abortus en wordt beroemd. Het volle leven en het moederschap staan zo lijnrecht tegenover elkaar. Als random dude is mijn mening daarover niet de eerste die je moet horen, maar een roman die vrouwen wil bevrijden uit het keurslijf van het moederschap, riskeert een nieuw keurslijf aan te reiken, waarin een vrouwenleven pas vol is als het kinderloos is. Gelukkig merkte Maria Vlaar dat in De Standaard ook al op.

Opvallend is dat het boek zelf een genuanceerder antwoord in zich draagt. Jo ‘wilde geen kinderen omdat ze die moest krijgen, ze wilde eerst dat er een mogelijkheid bestond om geen kinderen te krijgen, pas dan kon ze een echte beslissing nemen. Eerst afbreken, dan opbouwen.’ Daar gaat het om de keuze zelf.

De kracht van Egelskop, dat genomineerd is voor De Bronzen Uil (2026), zit volgens mij minder in de ambitieuze vertelstructuur of in de triomfantelijke conclusie dan in wat eraan voorafgaat: de volle huizen in Drents Dorp, de vrouwenclubs en vakbondsbijeenkomsten. Dat zijn de wortelstokken van dit boek, het deel dat je niet meteen ziet maar dat het geheel bijeenhoudt. Egelskop is een debuut met een duidelijke stem, een origineel decor en een structuur die beter werkt dan je voor zo’n dun boek zou verwachten. Dat Tops af en toe te veel wil zeggen, hoort bij een schrijver die veel te vertellen heeft.

Een recensie van Egelskop van Teddy Cops door Pieter Van de Walle, in samenwerking met het Algemeen-Nederlands Verbond en het Willemsfonds in het kader van De Bronzen Uil.

Willemsfonds - Wikipedia

 

 

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2025
ISBN 9789038813219
160p.

Geplaatst op 29/10/2026

Tags: Algemeen-Nederlands Verbond, De Bronzen Uil, debuutroman, Willemonds

Categorie: recensie, roman

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.