Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Wat is een verhaal eigenlijk? Is het niet meer dan een logische opeenvolging van gebeurtenissen? Een gesitueerd verslag van innerlijke verandering? Een beschrijving van een reeks fictieve handelingen, eventueel met een moraal of een “diepere betekenis”? E.M. Forster maakte als een van de eersten het onderscheid tussen verhaal en plot. “De koning stierf en toen stierf de koningin” is een verhaal, zegt hij in Aspects of the Novel. “De koning stierf en toen stierf de koningin van verdriet” is een plot, omdat het causaliteit toevoegt.
De Welshe auteur Cynan Jones zou Forster hoofdpijn bezorgen.
Jones zou beschrijven hoe het in de troonkamer ruikt.
Of hoe het verendek van een pijlstormvogel op het dak van het paleis iriserend glimt.
En dat zou hij dan met heel veel witruimte doen.
Wat er met de koning en de koningin is gebeurd, en waarom, dat moet je zelf maar uitzoeken.
Sowieso heeft Jones het niet met koningen en koninginnen.
In zijn boeken zijn het boeren, jagers en herders die aan het woord zijn.
Als ze al iets zeggen. Meestal wordt er gezwegen.
Stuk voor stuk zwijgzame venten, die personages van Jones. Broedend en stuurs. Heldhaftig, op een manier.
Maar ook een beetje losers, die niet in staat zijn hun demonen te confronteren.
Meestal in conflict met de natuur: hitte, sneeuw, beest en bliksem.
En met zichzelf. Natuurlijk.
Iemand typeert zijn dialogen als “brutalistisch”.
Een grijze wal waar de ander tegenop botst.
Het is de natuur van de dingen dat ze gebeuren zoals ze gebeuren.
Jones heeft geen zin in causaliteit. Hij heeft zin in de entertoets.
In Engelstalige media noemen ze zijn stijl “sparse”, wat niet helemaal vertaalbaar is naar het Nederlands.
Schaars.
Uitgespaard.
Bedeesd?
Misschien zelfs: lui?
De vraag: Is Cynan Jones’ methode meer dan een poëtisch aandoende bladspiegel? Meer dan een camera die wegkijkt van het verhaal? En hoe hanteert hij die methode in zijn meest recente bundel van zes korte verhalen, Deining? Om te zien waar Deining slaagt of mislukt, is het essentieel om te zien hoe Jones zijn unieke stijl, die soms balanceert op de grens van begrijpelijkheid, door de jaren heen heeft geslepen.
Cynan Jones schrijft korte, verstilde boeken over de onvermijdelijkheid van de natuur. Of het nu gaat om een vermist kalf (De lange droogte), een dassenjacht (De burcht) of een wereld die uitdroogt (De wetten van water), bij Jones is de mens een figurant in een grote, onverschillige omgeving. Daarbij hanteert hij een vaste stilistische gereedschapskist die ten dienste staat van die thema’s. Paragrafen breken af na een of twee zinnen, maar bevatten omschrijvingen van de natuur die blijven nazinderen, precies door de ruimte die ze krijgen. Waarom dingen gebeuren, of soms zelf wat er precies gebeurt, wordt verzwegen. Jones beperkt zich tot hoe de dingen gebeuren en dat doet hij meesterlijk.
Jones’ eerste boek, De lange droogte, ontving de Betty Task Award voor debutanten. In deze novelle zoekt een boer op een snikhete dag naar een verdwenen, drachtige koe. De zoektocht wordt, zonder hardhandige symboliek, verweven met een leven van emotionele isolatie en een huwelijk dat verkruimelt onder een onvermogen tot communicatie. Er staat, om het met een cliché te zeggen, geen woord te veel.
Die kwaliteit is de bepalende eigenschap van Jones’ oeuvre geworden en is ook in Deining rijkelijk aanwezig. Sinds 2016 vinden de vertalingen van Manon Smits en Jona Hoek via uitgeverij Koppernik ook een Nederlandstalig publiek. In Inham, uit 2016, wordt een man in een kajak getroffen door de bliksem. Daarna verliest hij het bewustzijn en wordt hij wakker in een toestand tussen realiteit en waanzin, midden op het water, met halve herinneringen en een gebroken lichaam. Dat is rauw, eenvoudig en de opzet is duidelijk. Jones geeft ons het detail, nooit het overzicht. Maar dat overzicht valt bij elkaar te puzzelen uit de close-ups die Jones ons wél geeft. Het ontdekken van de plot (in Forsters zin van het woord) achter die puzzelstukken, is een plezier dat Jones aan de lezer overlaat. De geur van een oude trui triggert iets, “maar het is als een pianotoets die hamert op snaren die ontbreken.”
Het uitgekiende Inham is een boekje van minder dan honderdvijftig pagina’s. Dat kortte Jones nog verder in tot het verhaal ‘The Edge of the Shoal’, geen twintig pagina’s lang, waarmee hij in 2017 de BBC National Short Story Award won. De zes korte verhalen in Deining zijn even minimalistisch van uitvoering. Als er iemand de kunst van het schrappen verstaat, dan is het Jones dus wel.
De vraag is echter hoe ver je deze geciseleerde stijl kunt oprekken voordat het fundament van een genre bezwijkt. In De Wetten van Water uit 2019 begeeft Jones zich op het terrein van de speculatieve fictie. Hij schetst een toekomstwereld waarin water schaars is geworden. IJsbergen worden vanuit het poolgebied naar de steden gesleept en een trein met miljoenen liters water rijdt van stad naar stad om de uitgedroogde bevolking te bevoorraden. In twaalf fragmenten, die oorspronkelijk werden geschreven als hoorspelen voor BBC Radio 4, krijgen we zicht op de wereld van De wetten van water, van een agent die de watertrein moet bewaken tot een professor die libellen onderzoekt. Voor meer dan een enkele gebeurtenis of observatie per verhaal is er met de gereedschapskist van Jones geen ruimte.
Maar het plezier van speculatieve fictie zit hem net in de zorgvuldige opbouw van een wereld. Een lezer – alleszins, deze lezer – wil begrijpen hoe de machtsstructuren lopen, waarom de treinen rijden (of waarom ze gesaboteerd worden), en hoe de samenleving op dit punt is aanbeland.
Jones’ weigering om gebeurtenissen uiteen te zetten, om te bepalen waar, hoe of waarom dit verhaal zich afspeelt, werkt hier tegen hem. Zelfs al krijgt een lezer de verschillende personages van De wetten van water aan elkaar gelinkt, hun wereld voelt als een lappendeken. Klimaatfictie valt of staat met de geloofwaardigheid ervan, en bij De Wetten van water kan ik die niet eens beoordelen.
Online vergelijken lezers dit boek wel eens met Het Ministerie van de Toekomst van Kim Stanley Robinson, als twee tegenpolen van wat klimaatfictie of cli-fi kan zijn. Aan het ene uiterste heb je de ijle miniaturen van Jones, aan het andere de (geo)politieke netwerken van oorzaak en gevolg van Robinson. In Het Ministerie wordt de samenleving ook geconfronteerd met de desastreuze gevolgen van klimaatverandering, maar het boek heeft geen tijd voor anekdotes. De plot is een puzzel die moet worden opgelost door verdragen, machtsspelletjes en ultrabureaucratie. Op een manier bereikt Jones in De Wetten van Water toch iets dat waarachtiger voelt dan Het Ministerie van de Toekomst, maar het valt wel moeilijker na te vertellen. Jones’ klimaatfictie geeft je ook geen oplossingen (tenzij je ijsbergen naar Londen slepen een prima idee vindt), terwijl Het Ministerie van de toekomst er bol van staat. Misschien is het laatste daarom ook een cli-fi-bestseller geworden, en Jones’ werk een acquired taste.
Deining is de nieuwste worp van de Welshe schrapper. Het is een verzameling van zes korte verhalen. De verhalen zijn alledaagser dan zowel Inham als De Wetten van water. Geen bliksemschichten die de realiteit versplinteren. Geen apocalyptische droogte. Jones keert terug naar realistische (misschien zelfs: sociaal-realistische) verhalen over mannen op het Welshe platteland. Ze roven kuikens uit het nest van een slechtvalk, worstelen met de moeilijke bevalling van een koe, of proberen hun familie te beschermen tegen een boom die op de elektriciteitskabels dreigt te vallen.
Geen nobelere tegenstander dan de natuur. Of het nu walvis, tijger, Alaska of Arrakis is, de natuurlijke omgeving is een van de meest vanzelfsprekende tegenstanders voor de personages in een verhaal. Dat zal Forster, die in zijn eigen werk de natuur inzette als een macht die de menselijke ratio ontmaskert, ook beamen. In bijna alle verhalen in Deining – en in veel van Jones’ oeuvre – lijkt het op het eerste gezicht alsof de mens tegenover de natuur staat. Sommige van die verhalen hebben daardoor iets ouderwets of heldhaftigs, maar bij Jones overwint de mens zelden.
De mens staat niet echt tegenover de natuur, want dat impliceert dat ze aan elkaar gewaagd zijn. Bij Jones torent de natuur boven de mens uit. De mens stort neer, wordt bedolven, of keert verminkt terug. Een confrontatie met de natuur is niet de hero’s journey die we verwachten. Oog in oog staan met de onverschilligheid van de natuur maakt je gek van angst en nietigheid. Zoals de berenjager opmerkt in de laatste woorden van het verhaal Rendier: ‘Niets leek echt.’
Soms schuift Jones uit. In zijn zoektocht naar brandende, unieke beelden die de witregel waard zijn, construeert hij soms zinnen die nauwelijks leesbaar zijn. De eerste zin van het allereerste verhaal is er zo één:
‘Toen de gedaante van de twee mannen verscheen, vlogen de vogels op, vreemd genoeg lichtgevend door de maan die nacht, van het ondiepe water waar de rivier bij de zee uitkwam.’
Maar voor elk van dat soort tangen zijn er tien die wel slagen, omdat het beeld helder en bijzonder is.
Het hoogtepunt van de bundel is Rendier. Een man wordt door de politie gevraagd om een beer te doden die uit zijn winterslaap is ontwaakt en de lokale rendierpopulatie uitmoordt. Wat volgt is bloedstollend:
‘Pas toen hij zich omdraaide, alsof hij zijn idee wilde staven, zag hij de twee rendieren hoog tussen de takken. […] Op de grond lag de afgerukte poot van een van de dieren. Het andere hing met de kop omlaag, de helft van het gewei was weg, de schedel opengereten.’
Rendier is rauw, angstaanjagend, bloederig en bijna transcendent. Hoewel de overige verhalen in Deining prima verkenningen zijn van Jones’ stijl en thema’s, steekt dit verhaal erbovenuit in intensiteit. Je voelt de beer. Je hoort de beer en je ruikt de beer. Je volgt zijn spoor van bloed en bot en je concludeert zelf: dit is een tegenstander waartegen geen mens is opgewassen.
Die spanning is andere verhalen minder aanwezig. In het verhaal Slechtvalk bereiden twee mannen zich in het holst van de nacht voor op een tocht per motorboot, zonder dat hun doel voor de lezer direct duidelijk is. Pas gaandeweg ontdek je dat ze de confrontatie met de elementen aangaan om jonge vogels uit een nest te roven, een missie waarbij de zintuiglijke details van de nachtelijke omgeving de overhand krijgen op de eigenlijke plot. Dat roept herinneringen op aan Burcht, een eerdere novelle van Jones waarin de gewelddadige wereld van de dassenjacht centraal staat. In Slechtvalk is het verhaal echter al voorbij voordat je goed en wel beseft wat er gebeurt.
Slechts twee verhalen zakken echt in. Zowel Voorraad en het korte Witte gaan over mannen die iets willen doen om hun tekortkomingen goed te maken. Wat ze dan precies doen, is in beide gevallen voorspelbaar en toch ongeloofwaardig. Dat verbreekt heel even de betovering die Jones in verhalen zoals Rendier en Koe en zijn eerdere novelle Inham in stand houdt.
Misschien is dat de uiteindelijke definitie van een verhaal: het is pas een verhaal als je het gelooft. We kunnen Forsters voorbeeld dus aanvullen. “De koning stierf en de koningin stierf” is een gebeurtenis. Het wordt pas een verhaal als je het ook gelooft. Uiteindelijk is het de schrapzucht van Jones die de lezer dwingt om dat geloof zelf op te brengen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.