Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Ik kan erg genieten van de uitdrukking ‘Er schuilt een addertje onder het gras’. Het verkleinwoord heeft iets onschuldigs. Dat zorgt ervoor dat het beschreven gevoel iets alledaags lijkt, ook al kan de uitdrukking ook op iets venijnigers slaan.
In die zin lost Addertje, de tweede bundel van dichter en beeldend kunstenaar Jolanda Kooijmans (1967) en winnaar van de Amarte Literatuurprijs 2026, zijn verwachtingen in. Eenzelfde gevoel kreeg ik namelijk bij het lezen van deze narratieve poëzie. Addertje bestaat uit vier onafhankelijke verhalende gedichten en in elk daarvan presenteert Kooijmans een andere interpretatie van de duivel. Soms vinden er boosaardige gebeurtenissen plaats, zoals gewelddadige machtspelen. De duivel varieert tussen christelijke en aardse interpretaties en is in een paar gevallen zwaar en politiek beladen en in andere weer lichter, maar altijd bestaat de uitwerking uit luchtige en speelse taal.
Het eerste deel van de bundel, dat dezelfde titel als de bundel draagt, is wat betreft omgeving en verbeelding het meest fantastisch. Hierin blijkt Addertje een jong, paars, duivelachtig, maar niet-kwaadaardig wezentje dat zonder een zorgende ouderfiguur een eigen weg zoekt. Anderen nemen de zorg op zich, maar perken zodoende ook Addertjes vrijheid in. Addertje wint gedurende de afdeling steeds meer vrijheid terug.
In het deel ‘Zuuz’ is de verhaalwereld realistischer, maar staan de beschrijvingen alsnog ver af van een moderne stedelijke omgeving: er wordt verteld vanuit een verlaten, overwoekerd ‘boerenhuiz’. De rust wordt verstoord door een gezin dat de boerderij komt bewonen en vervolgens staan met name het kind Zuuz, die bezeten raakt door de duivel, en de langzame dood van haar oudoom Drie centraal. Het religieuze thema zet zich voort in de afdeling ‘Bubblebeez Verhalala’, waarin een kwaadaardige priester optreedt. De omgeving wordt op haar alledaagst in het deel ‘Constant’, waarin Satan opduikt in een ns-trein en het op een van de passagiers gemunt heeft.
Wat in het oog springt, zijn de verrassende identiteitsvormen van de personages in Addertje. Het personage Moedermeer uit de afdeling ‘Addertje’ is hiervan het meest beeldende voorbeeld. Zij is namelijk niet makkelijk in te delen in een helder afgebakende categorie. Als Addertje in de verte uitkijkt over het ijs waaruit Moedermeer op dat moment bestaat, zijn ‘twee eilandjes […] boven het ijs / als twee borstelige borsten’ te zien. Moedermeer neemt dus de vorm aan van een vrouwelijk lichaam én van een landschap. Ook Addertje zelf is een niet-eenduidig wezen:
Addertjes naam is: de niet op gerekende
Maar ook: de verrassende
Maar ook: de zeker wetende
Dat alles uiteindelijk zal worden rechtgezet
Addertjes naam is de lach in het vuistje
De personages in Addertje zijn nooit slechts wat ze lijken. Ze bieden de lezer zodoende gedachteoefeningen in het doorbreken van identitaire afbakeningen. Kooijmans speelt hierbij opnieuw slim met het diabolische: de niet-indeelbaarheid van personages is op te vatten als chaotisch, of als de duivelse tegenpool van de goddelijke orde. Hier is dit chaotische echter niet iets kwaads, maar wordt het juist een positieve kracht: personages blijken door chaotisch te zijn de macht in handen te hebben om zich niet in hokjes in te laten delen.
In de twee volgende afdelingen wordt er ook met identiteit gespeeld, maar neemt dit weer net een andere vorm aan. Personages zijn geniepig en laten niet zien wie ze zijn. In ‘Zuuz’ wordt er bijvoorbeeld verteld door een personage dat zichzelf doorzichtig maakt en zich verstopt in het vocht op de vensterbank van de verlaten boerderij.
Het personage op de vensterbank overlapt daarmee deels met het ook doorzichtige personage Naaktslak uit de eerste afdeling, waardoor zij in elkaar overlopen. Een andere associatieve lijn tussen personages uit verschillende afdelingen wordt uitgezet door hun stiekeme handelingen. Over de priester ‘heerneef B’ wordt bijvoorbeeld gezegd: ‘in het coulisseland / met de hemelse kamerschermen / kan hij staan achter elke populier’. Juist iemand van wie men het goede zou moeten kunnen verwachten, wordt zo een onheilspellend, duivelachtig personage.
Hoewel de afdelingen ieder een eigen verhaal vertellen, ontstaat door deze overlappende karaktereigenschappen toch een doorlopende lijn. Mijn interpretatie van de identiteit van het lyrisch ik in ‘Zuuz’ was bovendien tijdens het lezen van de afdeling veranderlijk. Leven in vocht op een vensterbank wekt associaties op met insecten. Dit beeld wordt nog eens versterkt doordat alle eind-s’en vervangen zijn door de letter z, waardoor de gedichten op een cartooneske manier iets zoemends krijgen. Halverwege de afdeling blijkt het lyrisch ik echter het ingrediënt dat ome Drie nog miste om dood te kunnen gaan:
en opeenz zie ik het in, ja nu paz!
het wachten is op mij!
ik zigzag al rond de zeshoek
rustig in het rond
alsof ik preciez weet hoe het moet
en poef
het pitje van ome Drie springt in de kaneel
[…]
Ome Drie neemt zijn gebloemde kussen mee
Naar zijn laatste rustplaatz
Waar het personage eerst een dierlijke associatie opwekte, lijkt het in deze regels eerder een abstract fenomeen als ‘de dood’ te zijn, of de veroorzaker daarvan. Opnieuw bevindt identiteit zich in een tussenpositie, maar dit keer doordat de interpretatie van het personage veranderlijk is.
Net als ik bij het lezen van deze bundel naar betekenis zocht en die ongrijpbaar bleek, zoeken de personages zelf naar betekenis zonder die ooit te vinden. Zo is ‘Constant’ duidelijk ingebed in een ordelijke Nederlandse context – ‘een land dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat’. Ondanks die met moeite aangebrachte orde, wordt het land in ‘Constant’ telkens overspoeld met rampen en blijkt die orde zodoende vatbaar voor chaos. Bovendien ervaart het lyrisch ik:
treinen zoeven kriskras door het land
wat er leuk uitziet
maar eigenlijk is het triest want ook treinen waren ooit één geheel
alles trok alles voort
en nu zitten we met de fragmenten
ze glijden voorbij in de verte
ze vertrekken vlak voor je neus
in een ontspoorde
wereld
eh
nee we zitten hier niet in een metafoor alsjeblieft zeg
dat niet dat niet maar wat dan wel
dat niet dat niet maar wat dan wel
In plaats van dat zijn omgeving zich als een duidelijk geheel aan hem presenteert, zijn er slechts fragmenten en in die chaos lijkt het personage geen samenhangend beeld meer van de wereld te kunnen vormen. Als iets duidelijk lijkt, is dit dus ook slechts een construct waarachter chaos woekert.
De poëzie van Kooijmans is zeer spreektalig. Ze bevat uitroeptekens, is elliptisch en kent originele, zeer rake beeldspraak: ‘we spreken begin december / de bomen staan klaar in hun skelettenpak’. Wellicht is het niet toevallig dat Kooijmans naast dichter ook beeldend kunstenaar is.
Het taalspel treedt duidelijk op de voorgrond in Addertje. De bundel heeft daardoor iets weg van plezierdichten. Nooit wordt de taal te intellectualistisch en vaak is de stijl associatief. Juist die lichtheid onderstreept de ernst van de zware thematiek. De taal van de personages krijgt hierdoor iets onschuldigs en vormt zo een contrast met het kwaad dat hen overkomt. Tegelijkertijd benadrukt de alledaagse taal ook de alledaagsheid van deze gebeurtenissen.
In ‘Bubblebeez Verhalala’ ontstaan happen tussen lettergrepen: ‘o on be grij pe lij ke grij per / geest van aan dacht en goe de raad, ge loof en hoop, vrees en vre de […] // bren ger van lief de en vreug de’ (originele cursivering). Je leest door die vormgeving vanzelf de regels op een trager tempo dan normaal, zoals ook het kind Ot dat doet.
Tegelijkertijd zorgt de traagheid ervoor dat ik de goedheid die in de regels centraal staat in twijfel wil trekken. Het trage tempo roept namelijk leugenachtigheid bij mij op. Doordat op de pagina hierna blijkt dat het kind slachtoffer wordt van misbruik door een priester, krijgt de traagheid voor mij een politieke lading. Dit maatschappelijke misstand kan namelijk plaatsvinden binnen een kerkelijke context die juist het goede wil representeren. De traagheid zorgt op die manier voor vertwijfeling.
Jolanda Kooijmans heeft met Addertje een dichtbundel geschreven waarin personages niet met een dikke viltstiftlijn gedefinieerd zijn. Het werk heeft bovendien iets van een film waarin de beelden elkaar op hoog tempo afwisselen en waarin je niet alle details even goed kunt volgen. Hierdoor ontstaat er echter ruimte voor de vraag wie deze personages zijn en wat er in Addertje precies gebeurt en word je als lezer uitgenodigd om er zelf op los te associëren.
Signalement door Lisa Wijker over Addertje van Jolanda Kooijmans.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.