Bijgezet voor de eeuwigheid

Volledige werken deel 13

W.F. Hermans

Een paar jaar geleden ging ik samen met Raymond Benders op theevisite bij Milan Kundera. Dat zat zo. Na een tip van mijn kant had Kundera, wiens werk ik vertaal, in Le Monde een enthousiast artikel geschreven over De donkere kamer van Damokles, waarvan een paar maanden eerder een nieuwe Franse vertaling (door Daniel Cunin) was verschenen. Benders, vriend van W.F. Hermans en een van de drijvende krachten achter diens Volledige werken, wilde de voormalige Tsjech graag eens wat meer vertellen over de auteur van de zo gewaardeerde roman. Het werd een aangename dialogue de sourds. Kundera was vooral geïnteresseerd in twee dingen: hoe de Volledige werken tot stand kwamen, en hoe de vrijwillig naar Parijs uitgeweken Hermans zich verhield tot Nederland en de Nederlandse literatuur. Benders, daarentegen, wilde begrijpelijkerwijs vooral veel kwijt over de persoon Hermans.

De moraal van het wezenlijke

De anekdote zou het vermelden niet waard zijn als de preoccupaties van de twee heren niet zo mooi het spanningsveld zouden afbakenen waarbinnen de publicatie van ‘volledige werken’ zich per definitie afspeelt. Kundera belijdt sinds jaar en dag wat hij in Het doek de ‘moraal van het wezenlijke’ noemt: ‘Het oeuvre is datgene wat de romancier goed vindt op het moment dat hij de balans opmaakt. Want het leven is kort, lezen duurt lang en de literatuur is bezig zichzelf kapot te maken door een waanzinnige wildgroei. Te beginnen bij zichzelf zou iedere romancier alles moeten schrappen wat van ondergeschikt belang is […].’ In Kundera’s eigen geval lopen we daardoor behalve een flink aantal gelegenheidsartikelen ook alles mis wat hij heeft geschreven vóór zijn eerste roman, De grap (1967): dichtbundels, toneelstukken en verhalen, die nu niet meer mogen worden uitgegeven of vertaald.

Ook voor het publiceren van ‘tekstvarianten’ in zogeheten ‘kritische’ edities heeft Kundera geen goed woord over. De term varianten, zo constateert hij grimmig, lijkt in te houden ‘dat alles wat de auteur heeft geschreven gelijkwaardig zou zijn en in gelijke mate zijn goedkeuring zou wegdragen’ – terwijl het toch juist gaat om formuleringen en passages die door de auteur zijn verworpen. De nivellerende ‘moraal van het archief’ die tekstbezorgers van kritische edities aanhangen, staat dan ook volledig haaks op de ‘lange arbeid aan een esthetisch project’ die een oeuvre tot een oeuvre maakt.

In Frankrijk is het schoolvoorbeeld van de kritische editie de Bibliothèque de la Pléiade. Opname in die prestigieuze reeks van uitgeverij Gallimard betekent voor een schrijver de ultieme consecratie, waarvan de ernst doorgaans wordt onderstreept door een omvangrijk kritisch apparaat: een lange inleiding (honderd bladzijden zijn geen uitzondering), commentaren over de ontstaans- en receptiegeschiedenis, schetsen, varianten, een uitgebreide bibliografie en natuurlijk een hele berg noten. Niet zelden beslaat dat alles bij elkaar ondanks een priegelig, vrijwel onleesbaar lettertje een kwart van het hele boek. Tijdens het gesprek met Benders had Kundera de Œuvres van Claude Simon als voorbeeld op tafel liggen: daarin figureert weliswaar een indrukwekkend kritisch apparaat met veel aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van de teksten, maar die teksten zijn toch in elk geval geselecteerd door de auteur zelf (een van de zeer weinigen die al bij leven in de reeks terecht zijn gekomen); hier is wel degelijk de ‘moraal van het wezenlijke’ toegepast.

De Volledige werken van W.F. Hermans, een gezamenlijk project van het Huygens Instituut, het Willem Frederik Hermans instituut en uitgeverij De Bezige Bij, zijn duidelijk op de Bibliothèque de la Pléiade geënt. Sterker nog, de luxe editie lijkt qua vormgeving als twee druppels water op het Franse voorbeeld. Een blik op de website van het enorme project (er zijn vierentwintig dikke delen voorzien) leert bovendien dat ook hier het archief een belangrijke rol speelt. De site is visueel gelardeerd met foto’s van manuscripten en brieven, die de niet mis te verstane boodschap uitdragen dat de onderzoekers Hermans’ omvangrijke privéarchief (dertig strekkende meter) van haver tot gort hebben uitgeplozen om tot het gepresenteerde resultaat te komen. En ook teksten die Hermans zelf nooit heeft gebundeld zullen in de Volledige werken hun plaats vinden, zoals Raymond Benders zijn gespreksgenoot trots kon melden: de term ‘volledig’ is niet overdreven.

Toch wijken de Volledige werken op een paar belangrijke punten af van de Pléiade-aanpak. Ook Hermans zelf was namelijk van mening dat schetsen en verworpen ‘varianten’ geen bestaansrecht meer hadden, net zomin als de ‘onvolmaaktheden’ die hij in een latere druk had gecorrigeerd (wat hij inderdaad voortdurend deed): ‘Ik zou willen dat alle oude drukken van boeken die in verbeterde vorm herdrukt zijn, als bij toverslag tot stof uiteenvielen, ook al gaat het maar om een komma.’ Wel zegt Hermans het in een brief jammer te vinden dat zijn lezers geen notitie nemen van die ‘zeer ingrijpende en opzettelijke varianten’ (waarvoor je als lezer toch zowel de oude als de nieuwe tekst onder ogen moet hebben), maar voor de bezorgers van de Volledige werken was de wens van de schrijver om alleen de beste, dat wil zeggen de laatste tekst te bewaren terecht doorslaggevend. Geen ‘varianten’ dus, en geen voorbereidende schetsen. Geen erudiete inleiding ook, en geen uitputtende commentaren. Wel korte, heldere nawoordjes over de ontstaans- en receptiegeschiedenis, en annotaties in de delen met beschouwend werk. Al met al zou Kundera zich toch vrij goed kunnen vinden in deze aanpak – afgezien van het streven naar volledigheid.

Die kwestie van de volledigheid speelt natuurlijk vooral bij kortere teksten, met name krantenpublicaties. Al bij de essaybundels die Hermans zelf samenstelde werd hem door sommige recensenten verweten dat ze overbodig waren (volgens Vrij Nederland kon je voortaan je eigen Hermansbundels maken door zijn NRC-artikelen uit te knippen en in een schrift te plakken). Maar Hermans schreef zijn krantenstukken naar eigen zeggen meteen al met de latere bundeling in gedachten, dus dat verwijt snijdt weinig hout. Interessanter is wat hij zelf in een brief aan Johan Polak schrijft tijdens de voorbereidingen voor de bundel Boze brieven van Bijkaart (1977): ‘als [de teksten] erg oud zijn, is het m.i. het beste alles te bundelen: ook het niet meer actuele krijgt dan de bekoring van het antieke […]. Wordt er daarentegen niet zo lang met bundelen gewacht, dan krijgt […] de lezer […] het gevoel, dat het hier en daar oude koek is.’

De mythische werkelijkheid

Op dit moment zijn er in de Volledige werken naast drie delen met romans (waaronder recentelijk een deel met Hermans’ twee beroemdste, De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen) en één met novellen en korte verhalen ook drie kloeke delen met gebundeld beschouwend proza verschenen, en het moet gezegd: wie zoals ik in de jaren 1970 nog te jong was om knippenderwijs zijn eigen Hermansbundels samen te stellen en het grootste deel van deze stukken nu pas leest, met ruim dertig jaar vertraging, heeft inderdaad allerminst de indruk dat het oude koek is. Weliswaar zijn veel onderwerpen die Hermans aansnijdt niet actueel meer, maar ik ervaar dat alleen maar als een voordeel: door de afstand in de tijd ga je zelfs de venijnige polemische stukken over ‘Nederland’s verrotting’ als literatuur lezen, dat wil zeggen als teksten waarvan het voornaamste belang niet gelegen is in de directe (al dan niet juiste) verwijzing naar de buitentalige werkelijkheid, maar – zoals Hermans het zelf noemt in een stuk over de realistische roman – in de ‘mythische werkelijkheid’ die de schrijver erin opbouwt.

‘Ook de realistische romancier is een magiër, ook zijn verhaal is geen objectief relaas maar een sage,’ schrijft hij. Dat geldt net zo goed voor beschouwend proza, en om precies dezelfde reden, namelijk dat (aldus Hermans) ‘de “echte” werkelijkheid nu eenmaal slecht bekend is en niet anders dan slecht bekend kan zijn’. Zowel de romancier als de essayist houdt de wereld een vervormende spiegel voor, waarvan de mate van vervorming onmogelijk objectief kan worden vastgesteld. Wel zinkt de gespiegelde werkelijkheid zelf steeds verder weg in het verleden; wat overblijft is het vervormde beeld, de mythe. Is die krachtig genoeg om ons te blijven boeien, om zich ondanks het gebrek aan ‘actualiteit’ vast te hechten in onze hedendaagse sensibiliteit, dan bezit het werk de ‘bekoring van het antieke’: het is klassiek geworden.

De meeste schrijvers bereiken die status nooit. Hermans wel. De Volledige werken vervullen in dat proces de rol van katalysator, precies zoals in Frankrijk de Pléiade doet: ze zouden er niet zijn gekomen als het werk niet al een zekere klassieke status had bereikt, maar versterken die status en garanderen de duurzaamheid ervan. En ze maken ook dat we het werk anders gaan lezen, niet alleen doordat alles nu zonder enig onderscheid naar literair belang wordt aangeboden in een uniforme vormgeving (‘de zoete gelijkheid van een gigantisch massagraf’, noemt Kundera dat), maar ook door de aanwezigheid van annotaties en commentaren, hoe prettig ingetogen die ook mogen zijn. Vooral de goedgekozen, bijzonder interessante citaten uit Hermans’ correspondentie zullen de verdere receptie van zijn werk ongetwijfeld sterk beïnvloeden.

Een mooi voorbeeld is de Leidse episode in De donkere kamer waarin Osewoudt zwemmend de Zoeterwoudsesingel oversteekt om te ontsnappen aan de Duitsers. Als hij daar na de bevrijding over wordt ondervraagd, blijkt zijn beschrijving van de omgeving niet te kloppen: er is aan de overkant geen kromme straat waar hij in gevlucht kan zijn, zoals hij beweert (en zoals de lezer met eigen ogen heeft gelezen). Zelf heb ik als ex-Leidenaar altijd aangenomen dat hij de Singel moest zijn overgezwommen op de plaats waar die een scherpe bocht maakt, zodat hij op dezelfde oever terechtkwam (waar inderdaad een kromme straat is). Maar op een brief van Hans van Straten, die precies hetzelfde vermoeden uit, antwoordt Hermans dat hij de passage aanvankelijk had geschreven zonder enige kennis van de omgeving, en dat hij het hoofdstuk over de ontmaskering van Osewoudt als leugenaar juist heeft toegevoegd nadat hij alsnog een kijkje ter plaatse was gaan nemen en had geconstateerd dat er in de hele buurt geen kromme straat te vinden was.

Wie die voorkennis bezit, zal niet snel meer op zoek gaan naar een logische verklaring voor een van de grootste raadsels van het boek. Gevolg: van een potentieel realistische roman, met Osewoudt als onschuldig slachtoffer van de Geschiedenis met een grote G, verandert De donkere kamer voor de lezer definitief in een doolhof zonder uitgang, een nachtmerrieachtige constructie die logisch gezien onmogelijk is, de realistische illusie ten spijt. Het maakt van Hermans een schrijver die veel dichter bij Kafka staat (over wie hij ook behoorlijk veel geschreven heeft) dan bij zijn realistische tijdgenoten – waarmee de ‘fantastische’ romans Conserve en Ruisend gruis, respectievelijk de ouverture en het sluitstuk van zijn romaneske oeuvre, en passant ook een heel andere status binnen dat oeuvre krijgen.

Juist die kafkaëske kant van Hermans’ werk had die andere Kafka-liefhebber, Milan Kundera, overigens goed aangevoeld in zijn recensie van De donkere kamer in Le Monde. Hij spreekt van een ‘eenheid van het werkelijke en het fantastische’ en legt een relatie met het ‘wonderbaarlijk-werkelijke’ van de surrealisten. Het zou me verbazen als de Hermans-receptie de komende decennia niet steeds meer die kant op zou gaan, geholpen door deze prachtige Volledige werken.

Willem Frederik Hermans, Volledige werken 13 (beschouwend werk: Ik draag geen helm met verderbos en Klaas kwam niet) en 3 (romans: De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen)

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2010
ISBN 9789023440437
1001p.

Geplaatst op 05/01/2011

Deel:

Reacties

  1. Martin de Haan

    Pas na het schrijven van dit stuk heb ik vernomen dat het volledige ‘officiële’ oeuvre van Milan Kundera in het voorjaar van 2011 zal verschijnen in een tweedelige Pléiade-editie, bezorgd door François Ricard.

    Beantwoorden

  2. Menno Lievers

    Martin,

    dank voor deze mooie recensie! Zou het kunnen dat Kundera ook Claude Simon voor zich had liggen i.v.m. diens L’Acacia?

    Beantwoorden

  3. Martin de Haan

    Dag Menno, ik denk niet dat Kundera Simon echt waardeert als schrijver, ik vermoed dat hij hem te formalistisch zal vinden.

    Beantwoorden

  4. Martin de Haan

    Sterker nog: L’Acacia staat niet in de Simon-Pléiade!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.