Blijven zoals het nooit is geweest

Krijg nou de lyriek

Benno Barnard

‘Experimentele poëzie’: de benaming doet me denken aan het misverstand dat het bestaansrecht van de kunst ten opzichte van de wetenschap dient te worden gelegitimeerd door procedures en normen van die wetenschap. Kunst als een vorm van onderzoek, leidend tot onderzoek als een vorm van kunst. Wie wel eens een instelling voor contemporaine kunst binnenwandelt, weet dat ‘onderzoek’ en ‘proces’ er als bezweringsformules worden gebruikt om de geringste neiging tot afronding, voltooiing en uiteindelijkheid buiten de deur te houden. Natuurlijk probeert een kunstenaar al doende van alles en nog wat uit, nu eens met veel plezier, dan weer met de nodige frustraties, maar zonder dat het hem om die probeersels op zich gaat, althans dient te gaan. Ik herinner me van mijn studiejaren op de kunstacademie dat we te maken kregen met een docent die bij zijn beoordeling de nadruk legde op het proces dat tot ons eindwerk zou moeten leiden. Behalve dat zijn opvatting aanleiding was om deze docent van een gebrek aan eigen talent en vakbekwaamheid te verdenken (terecht zoals zou blijken), ensceneerden we, overgeleverd aan het dictaat van de moderniteit, een ‘studietraject’, compleet met mislukkingen en doodlopende stegen, nadat we ons zogenaamde eindwerkstuk hadden vervaardigd. Overigens was dat dan weer onbedoeld een alleszins aangename oefening in verbeeldingskracht.

De aanduiding ‘experimenteel’, in de hierboven geschetste, artistiek modernistische betekenis, past helemaal niet bij de poëzie van Benno Barnard. Toch noemt hij, in de aantekeningen achter in zijn poëziebundel Krijg nou de lyriek, zijn lange gedicht ‘De bovenwereld’ ‘een morfologisch experiment’. Het is mijn indruk dat het woord ‘experiment’ hier, allicht onvoorbedacht, is neergezet om mogelijke hekelaars de wind uit de zeilen te nemen. Want het is allerminst ondenkbaar dat bij weglating van deze expliciete verantwoording en impliciete vraag om verschoning (een experiment mag immers mislukken) de dichter door deze of gene zou worden beticht van gemakzuchtig overschrijven, groot willen lijken op de schouders van een reus en zelfs lijkenpikkerij. ‘De bovenwereld’ is namelijk een soort palimpsest. Het is geschreven over het beroemde gedicht ‘Zone’ van Guillaume Apollinaire heen, waarbij dat Franse gedicht echter allerminst is weggekrabd en verdoezeld: ‘Zone’ speelt evident mee in de tekst en leent zijn bouw en rijmschema uit aan het Nederlands. Barnard heeft ‘Zone’ intens gelezen, in zich opgenomen, hij is voorts in Parijs geweest en heeft de stad sterk door de sensibiliteit van Apollinaires gedicht heen ervaren en beleefd, zoals het idealiter gaat wanneer een kunstwerk je iets van de wereld toont. Vervolgens heeft hij zijn eigen en eigentijdse beleving binnengeschreven in het beeld, in zijn herinnering aan de structuur, aan de sfeer en de inhoud van het bijna honderd jaar oude Franse gedicht.

Zo, stel ik me voor, moet het ongeveer zijn gegaan. En zo ongeveer dient het ook te gaan met lectuur, met de ervaring van de wereld door die lectuur en met het vervolgens wederom over en in die wereld verder schrijven. Het verslonden werk en zijn dichter komen verlevendigd uit zo’n stofwisseling te voorschijn: in het licht van onze gelimiteerde mogelijkheden en het besef dat Saturnus uiteindelijk zijn kinderen zal verslinden, is het een win-winsituatie met frappant tegenstrijdige kannibalistische trekken. Zo kan Barnard het in zijn ‘bovenoverschrijving’ hebben over ‘een dichter die twee dagen voor de kanonnen zwegen stierf aan de griep’ en die ‘zijn omzwachtelde zwart-witte hersenen scheef [houdt] alsof iemand hem riep’, waardoor Apollinaire als het ware zelf zijn kop opsteekt vanuit zijn gedicht uit 1913. En uiteraard maakt Barnard in ‘De bovenwereld’ gebruik van en toespelingen op versregels uit ‘Zone’ zelf. ‘Les aiguilles de l’horloge du quartier juif vont à rebours’ bijvoorbeeld keert terug in ‘de achterwaarts lopende klokken van de Joden’, de ‘kuddes autobussen wachten gedwee’ als de ‘troupeaux d’autobus’ om weer ‘mugissant près de toi’ te gaan rijden.

Net als ‘Zone’ is ‘De bovenwereld’ een elegisch lofdicht op Europa. De ‘je’ van Barnard slentert door Parijs met een mobiele telefoon bij de hand, hopend op een liefdesblijk van zijn vrouw ‘die werkt in de hoofdstad van Europa’, er zijn toeristen uit Japan, ‘in een donker raam gloort een sprankje televisie’, in de ‘voorstad woekeren muzelmannen’ en – nog zo’n pregnant beeld – ‘de rozenverkoper mijdt eenzaam dinerende heren alsof die onder hun tafelkleed onaneren.’ In feite vat Barnard wat ik hierboven omslachtig trachtte uit te leggen wonderwel samen met de paradoxale slotzin van zijn lange gedicht: ‘Alles moet blijven zoals het nooit is geweest’.

Tegelijkertijd mag je als lezer van ‘De bovenwereld’ de poëzie van Apollinaire volledig buiten beschouwing laten, hoewel dat je niet lukt wanneer je het werk van de verfranste zoon van een Poolse moeder en Italiaanse vader al kent. Ik bedoel simpelweg dat Barnards gedicht ook helemaal op zich gelezen kan worden en dat zich dan een bewegende waaier aan boeiende observaties, indrukken en gemoedsbewegingen ontvouwt, voortkomend uit een rusteloos brein en een kwetsbaar hunkerend hart midden in het westen van Europa anno nu. Nog eenvoudiger gezegd: ‘De bovenwereld’ is een fascinerend, prachtig meanderend hedendaags gedicht.

Dichter of opiniemaker?

Politiek en sociaal engagement kan Barnard niet worden ontzegd. Zijn uitlatingen in blogs en andere geschriften zijn niet voor de poes en hebben al menigmaal tot animositeit jegens hem geleid. Een actievoerder is verloren en een politicus is corrupt zo gauw hij niet meer gelooft in de maatschappelijke noodzaak en invloed van zijn werk. Een dichter echter is verloren zo gauw hij gelooft dat zijn werk de wereld zal moeten en kunnen veranderen.

Het is curieus te zien hoe de persoon Benno Barnard aan de ene kant de gedreven polemiserende opiniemaker en aan de andere kant de dichter is die het adagium van een van zijn grote voorbeelden onderschrijft: ‘Poetry makes nothing happen. It survives in the valley of its sayings’ (W.H. Auden). Voorgaande verwoording suggereert echter zoiets als een scheiding en nevenschikking van gelijkwaardige activiteiten. Tijdens het lezen in Krijg nou de lyriek begon me het denkbeeld te dagen dat hier veeleer sprake zou kunnen zijn van onderschikking en hiërarchie.

Krijg nou de lyriek bestaat uit drie afdelingen. Na het lange gedicht volgen ‘Twintig gedichten’ en ‘Zijne Kortstondigheid’, nog eens zes, deels gelede gedichten. Natuurlijk gaan al deze gedichten ergens over en raakt hun inhoud menigmaal aan het verloop van de wereldgeschiedenis en de huidige, door de media in sterke mate mede geënsceneerde stand van zaken op de aardbol: ‘Germanen later. Bourgondische vorsten. / Habsburgers. Alva. Napoleon. Hitler. Osama. / Dit ontwaar je allemaal op televisie,’ staat er in het gedicht met de titel ‘Darfur en Dawkins’. Het leven is voor onszelf immers geen verzameling proefopstellingen in smetvrije compartimenten. Toch gaat het Benno Barnard uiteindelijk om zeer nabije kwesties van lijf en leden en om het lot dat hoe dan ook onze natuur uitmaakt, zoals blijkt uit het gedicht ‘Natuurlijk nazisme’:

Dat allitereren van dichters en doodgaan –
een vleermuis zwenkt, zwenkt om het sterfhuis,
een cirkelzaag snerpt en de bomen verstijven,

een kromzwaard prikt tussen de schouderbladen
van een Saoedische dader… Zijn hoela. Maar
tegen een onheilstijding van dierbaren

is hij niet gewapend: de natuur is een nazi,
ze heeft weer eens in het voorgeborchte
geaborteerd. (…)

Het is dit besef dat mededogen voortbrengt en het is dit mededogen dat een poëzie mogelijk maakt en nodig heeft die de schoonheid en dierbaarheid juíst van onze kwetsbaarheid evoceert. Dat levert openbaringen op als deze in het gedicht ‘Agnostische vesper’:

Hij lag in dat dal te luisteren naar de canon voor koor
en kraai, de heilige woorden, de vliesvleugelige bedrijvigheid;
en uit de klokken hoog boven hem barstte te tijd.

Met open mond (en tranende ogen) uitgeleverd aan de handen en ogen van ‘Prithivi de tandarts’, leidt het tot gewaarwordingen van visioenen:

Genade, roepen al zijn gedachten;
en haar ogen omvatten sneeuwwitte verten:
er gorgelen beekjes in het gebergte,

het water kloklacht zijn angst weg.
In het dal zijn de hete kolen gedoofd
en de zon koelt af voor hun ogen.

Het roept de machteloosheid op van de woede vanwege het genadeloos natuur zijn van de natuur, zoals bij het begraven van een huiskat en de vragen erbij van een paar kinderen die

(…) grafgiften bereiden voor in de schoenendoos:

een belletje, voldoende brokjes voor de grote reis,
gestolde tranen om de duisternis mee af te kopen. Vader!
je graaft in de grond, je graaft in de klok; vader!

je spade is kwaad op de aarde. En zij wachten
op een verklaring. En jij hebt geen verklaring,
want een sterveling moet sterfelijk denken,

een sterveling moet niet onsterfelijk denken.
Een verstijfde fazantenhaan klapwiekt omhoog,
praatjes makend door je merg en been.

Deze strofen laten ook goed zien hoe Barnard een terloopsheid weet te bereiken die nochtans zeer afgewogen is, waarin realisme moeiteloos wordt afgewisseld door een metafoor en omgekeerd (de vergelijking van de brokjes met tranen, het graven in de grond dat samenvalt met het graven in de tijd). Zoals ook de toon sterk kan wisselen, van exclamatief naar overpeinzend bijvoorbeeld. En het lawaai van het bij dit kleine doodsritueel onverwacht opleven van de natuur middels die fazant, laat de verteller uiteraard niet zonder nadenken met de schrik in zijn beenderen achter.

Over door merg en been gaan gesproken: de poëzie in deze bundel is vaak aangrijpend (en nooit larmoyant) waar het om privékwesties gaat. Dit vanwege het onuitgesproken besef dat de hele aardbol niet in grotere nood kan verkeren dan één enkele ziel, zoals Ludwig Wittgenstein het uitdrukte. Het gedicht ter nagedachtenis aan Kamiel Vanhole begint zo:

Met de scheikunde tot in zijn tenen
is er nog vijfenvijftig kilo vriend,
die iets hoest over het boek dat hij leest –

plus het geringe gewicht van zijn ziel

Telkens wanneer ik Krijg de lyriek weglegde, kreeg ik de indruk dat ik poëzie met nogal wat eindrijm had gelezen. Met uitzondering van het lange gedicht dat dus zijn vorm met veel gepaard rijm heeft ontleend aan ‘Zone’ van Apollinaire, bevat de bundel echter niet bijster veel eindrijmen. Die indruk, deze suggestie komt ongetwijfeld voort uit Barnards vakkundig plaatsen en doseren van met name binnenrijmen, herhalingen en alliteraties, waarbij ik de kanttekening wil maken dat ‘vakkundig’ iets anders is dan ‘gecalculeerd’ of ‘uitgedacht’. Barnard is een dichter met evenzeer feeling voor begrip als begrip voor feeling. Het betekent tevens dat deze poëzie zichzelf serieus neemt door zijn lezer ook resonantie- en verbeeldingsruimte te laten.

The valley of its sayings

Om van hier, tot slot, terug te komen op Barnard de opiniemaker en Barnard de dichter: na lezing van deze bundel na-experimentele poëzie durf ik te stellen dat de eerste er slechts is om de tweede te dienen, dat wil zeggen, om, uit angst of bezorgdheid, ‘the valley of its sayings’ te behoeden voor bezetting en bezoedeling door zowel onbuigzame geestelijke ideologieën als spijkerhard materieel utiliteitsdenken. En met het risico te veel te zien wat ik denk te kunnen zien of zou willen zien, valt het me op dat de bundel opent met een woord dat veeleer op een afsluiting duidt: ‘Uiteindelijk slenter je door Parijs alsof je gelukkig bent’. Net als ‘À la fin’, de eerste woorden van Apollinaires ‘Zone’, wijst deze binnenkomer, als een stap over een drempel, tijdelijk demarquerend terug naar een wereld buiten de literatuur. Letterlijk aan de andere kant wordt de bundel juist besloten, beter gezegd, weer verlaten via een imperatief, een uitroeptekenloze oproep die, als het ware door het achterplat heen, aan de buitenwereld gericht is: ‘Bewonder elkaar’. Daar tussenin krijg je de lyriek. Om die naderhand mee te nemen, de wereld in.

Links

Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2011
ISBN 9789045018843
56p.

Geplaatst op 22/04/2011

Deel:

Reacties

  1. marc thief

    Er verschijnen dan toch boeken die het lezen waard zijn. Dit zet aan.

    Beantwoorden

  2. Joris Note

    Tegen deze recensie had ik van meet af grote bezwaren, waar ik bij een andere gelegenheid op in zal gaan. Maar nu, maanden later, verneem ik via een blog van Barnard (http://www.knack.be/nieuws/boeken/blogs/benno-barnard/bij-een-graf-in-lourmarin/opinie-1195099733174.htm) dat beide dichters goed bevriend zijn. Welnu, ik vind dat de Reactor geen recensies van vrienden over vrienden moet publiceren. Beurskens zou zelf moeten beseffen dat zoiets niet kan, maar ach.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.