Poëzie, Recensies

De mens als residu

Nederland in stukken

Maarten van der Graaff

Als reactie op de #MeToo-beweging is het in Zweden sinds 1 juli 2018 verboden om seks te hebben met iemand die daar geen toestemming voor heeft gegeven. De Zweedse regering voelde zich genoodzaakt om wettelijk iets te doen aan seksueel grensoverschrijdend gedrag na de eindeloze reeks schandalen die #MeToo ook in eigen land aan het licht had gebracht. In een krantenartikel uit die tijd lees ik dat de nieuwe wet ook op veel hoon kon rekenen. Het zou beter zijn om aan een cultuuromslag te werken, een andere manier van opvoeden en onderwijzen waarin nieuwe sekseverhoudingen het doel moeten zijn. In onze westerse, neoliberale samenlevingen ligt misbruik echter meer voor de hand, als gevolg van ongelijke machtsverhoudingen. Niet alleen de cultuur van het geld verdienen wordt daardoor bepaald, maar ook andere domeinen op het gebied van klasse, ras en sekse.

In het eerste gedicht van zijn nieuwe bundel, Nederland in stukken, legt Maarten van der Graaff (1987) een vorm van misbruik in de seksuele omgang tot in de meest verfijnde details contractueel vast. Wie argeloos het gedicht begint te lezen slaat de schrik al snel om het hart. Onder de titel ‘Contract tussen man en jongen’ lezen we:

 

   partijen bij deze overeenkomst

   te weten

   ik

   hierna te noemen

   de jongen

   mijn aanrander

   hierna te noemen

   de man

   handelingen bij deze overeenkomst

   te weten

   feitelijke aanranding van de eerbaarheid

   hierna te noemen

   aanranding

 

In dezelfde formele taal verplicht de man zich tegenover de ouders om een excuus te bedenken voor de reis met de jongen naar ‘het speelveld’ ergens in Frankrijk. In hoeverre de ouders daardoor medeplichtig worden aan de aanranding is onduidelijk, maar de context van het gedicht maakt alles en iedereen verdacht.

De hele bundel is geschreven in een stijl die het meest aan de dorre taal van ambtenaren en beleidsmakers doet denken. Woorden als ‘contract’, ‘Word-document’ en ‘index’ maken deel uit van de reekstitels. Verder staan de gedichten vol met woorden als ‘overeenkomst’, ‘criteria’, ‘condities’, ‘coördinaten’, ‘documenten’, ‘bestanden’ en ‘nota’s’. Deze begrippen overheersen heel nadrukkelijk de woorden met een gevoelswaarde. In deze poëzie is er niet alleen sprake van ‘Nota’s van gevoel’, ook gaat er een ‘Ruimtelijke hoofdstructuur’ vooraf aan ‘Gloeiende onrust’ en vriendschap blijkt er uit werk te ontstaan. En als de uitdrukking ‘Diep in mijn hart’ opduikt, blijkt dat slechts geleende taal te zijn, afkomstig uit het repertoire van de volkszanger Jaap Valkhoff.

In het gedicht ‘Zesde document’ uit de reeks ‘Word-document Nederland’, ontstaat er misselijkheid bij de samensteller van dat document door het citeren van de typische formele taal die kennelijk door niemand meer vermeden kan worden. De Randstad is in dit jargon megalomaan omgedoopt tot ‘Deltametropool’,

 

[…] Waar je weer het gevoel hebt

   in de blauwdruk van iets rond te lopen wat nooit af zal zijn

   en ook niet naar voltooiing streeft, maar naar voortdurende innovatie,

   een leven zonder weerwoord of adempauze, organisch en technologisch,

   digitaal en fysiek, met een grammatica die iedereen doet verstommen

   en de belofte van een comfort

   waar weinigen zich iets bij kunnen voorstellen.

 

Ziehier het Nederland in stukken dat Van der Graaff ons voorschotelt in de bundel. Dat ‘in stukken’ kan zeker op drie manieren gelezen worden. Ten eerste verwijst de uitdrukking naar documenten, de bundel lijkt vooral opgebouwd uit een collage van beleidsstukken en andere formele teksten. Ten tweede verwijst zij naar het fragmentarische karakter van de bundel. Vooral in de reeks ‘Word-document Nederland’ lijken de gedichten te bestaan uit aan elkaar gesamplede fragmenten, die op zinsniveau vaak versnipperd en verhaspeld worden gepresenteerd. Ten derde is ‘in stukken’ synoniem met ‘aan flarden’, de dichter presenteert Nederland als een totaal kapot gepland en gerationaliseerd land. Niet voor niets komt de moderne filosoof René Descartes (1596-1650) als grondlegger van het objectiverende denken nog even ter sprake in een hedendaagse context waarin de dood regeert: ‘Ging Descartes naar de slager. Legde het dier. / Afgeschermd van kantoorlawaai. Bloot.’

Ook de mens lijkt onderworpen aan die bijna dodelijke rationaliteit, de schrijver van de bundel niet uitgezonderd. Kennelijk onontkoombaar schrijft hij: ‘Dit. Nieuwe gedichten van Maarten van der Graaff worden geschreven, / in de stijl die jullie het beste lijkt.’ Ik denk dat de schrijver zich daarmee schikt naar de wensen van de ambtenaren en beleidsmakers, politici en andere machthebbers die door middel van geformaliseerde denkpatronen en -stijlen ons leven en schrijven in belangrijke mate bepalen. Je vraagt je af waar in deze poëzie de mens van vlees en bloed is gebleven, met zijn gevoelens en vrije gedachten. Het antwoord van de dichter getuigt van ontgoocheling en ontreddering: ‘Onder water / denk je een stem te horen, maar het is een koude stroom, / een massa.’ De mens lijkt in deze ontzielde wereld niet bij machte zijn individuele stem te laten horen.

Deze gedachten over de Deltametropool lijken als kritiek bedoeld op de neoliberale maatschappij, waarin het heil van de meeste mensen wordt opgeofferd aan dat van de enkeling: ‘dit is een verhaal dat slecht begint en nog moet eindigen.’ Ook een reeks gedichten die nog wat utopisch gedachtegoed belooft, ‘De Nederlandse commune’, biedt geen soelaas en lijkt alleen nog maar ironisch te verwijzen naar betere tijden uit het verleden. In de huidige commune is er slechts ‘communicatie tussen machines en zakenwereld’, de mens dobbert in deze stroom willoos mee als ‘crushed ice’.

Met dit pessimisme sluit Van der Graaff nauw aan bij enkele generatiegenoten. Een nog verontrustender toekomstperspectief schetst Dominique De Groen in haar recente Sticky drama (2019), waarin onze wereld en de mens in zijn huidige vorm helemaal ten onder zijn gegaan aan een milieuramp. En ook Vloekschrift (2017) van Arno Van Vlierberghe en Obelisque (2018) van Obe Alkema liggen mij nog vers in het geheugen als bundels die overlopen van kritiek op en woede over het huidige politieke en maatschappelijke klimaat. Is het toeval dat al deze boeken eenzelfde kleurenschema voor het omslag hanteren: zwarte letters op een roze ondergrond? ‘pink millennium’ is de gevoelskleur waarmee Alkema de weltschmerz benoemt die deze generatie dichters beheerst. Bij Lief slecht ding (2019) van Frank Keizer is de kleurstelling op het omslag precies omgekeerd: oranjeroze letters op een blauwzwarte ondergrond, alsof zijn gedachten over een communistische of socialistische transformatie van het kapitalisme door de oplichtende letters nog enig perspectief hebben, zoals bij Alkema het twijfelende zoeken van de metamodernist: ‘Behoud het elan om de toekomst op te bouwen uit nieuwerwetse haat en // natuurgewonnen plastic.’ Maar bij Van Vlierberghe, De Groen en Van der Graaff is er geen plaats voor optimisme. Precies hier wringt poëtisch gezien de schoen? De kritische analyses van het neoliberalisme en de dystopische vergezichten op het kapitalisme zijn bij al deze dichters indringend en misschien wel onontkoombaar, maar als de ervaringswereld en de verbeeldingskracht niet meer aan een allesdoordringend pessimisme weten te ontsnappen wordt het wereldbeeld wel erg schraal en eendimensionaal.

Dit wreekt zich in het zeventien bladzijden tellende slotgedicht van Nederland in stukken. In 555 genummerde fragmenten beschrijft Van der Graaff hierin het relaas van een moeder die haar dochter zoekt, die zich ergens in het buitenland heeft teruggetrokken in zelfgebouwde spelonken:

 

  1. ze maakte een wereld van schaduwen
  2. ver weg van het allesdoordringende licht
  3. de tirannieke lust tot zien
  4. die alles openbaar wil maken geobsedeerd door naaktheid
  5. het kwetsbare
  6. gekwetste
  7. weg van de ruis die uit de poriën van verfijnde technologieën lekt
  8. en het leven zo uitzonderlijk maakt zo vol en doods

 

Bij Plato verwijzen de alledaagse verschijningsvormen als afschaduwingen van de Ideeën nog naar de wereld in het volle licht waaraan wij ons kunnen spiegelen, in Van der Graaffs slotgedicht is die mogelijkheid tenietgedaan. Ontsnapping aan de wereld van de schaduwen is er niet meer mogelijk en kennelijk ook niet meer nastrevenswaardig.

De vorm van dit gedicht lijkt op de reeks gedichten ‘Something borrowed, something nude’ van Obe Alkema uit Obelisque, waarin de gedichten en regels niet numeriek maar alfabetisch zijn gerangschikt. Alkema schetst in zijn reeks een hoofdpersoon die vanuit verschillende invalshoeken en (vaak botsende) karaktereigenschappen geduid wordt, waarbij nog iets van optimisme mogelijk is. Bij Van der Graaf trekt de hoofdpersoon zich alleen maar pessimistisch terug in haar zelfontworpen spelonken om te ontsnappen aan het proces van ontmenselijking daarbuiten. In deze toekomstige wereld worden mensen die in het systeem meedraaien als ‘residuen’ omschreven: ‘residuen worden vaak ingezet in de dienstensector’. Eigen initiatief is daar natuurlijk niet gewenst. Residuen die zich hebben teruggetrokken in de spelonken worden eerst ‘buitengewoon’ genoemd en later ‘verward’, zodat ze als alternatieve gemeenschap uiteindelijk helemaal niet meer serieus worden genomen.

Gelukkig bezit een residu nog wel ‘menselijke restwarmte’, aldus Van der Graaff. Maar is deze constatering voldoende voor een bundel die zich niet alleen voordoet als een verstikkende maatschappijkritiek? De dichter bekommert zich wel degelijk ook om het menselijk bestaan: ‘kijken wezens naar de toekomst, rillen bij die aanblik.’ Als analyse van het huidige tijdsgewricht met de mogelijke ontluisterende consequenties ben ik onder de indruk van de bundel, maar ook voel ik een dringende behoefte aan enig perspectief zoals je die aantreft in de gedichten van Keizer en Alkema. Van der Graaff schrijft de dichter-kunstenaar nog wel enige vitaliteit toe, maar die bevindt zich ‘op het snijvlak van politiek, affect en digitaliteit.’ Zijn dichterschap lijkt daarvan te getuigen. Toch vraag ik mij af waarom in deze bundel niet wordt gezocht naar een mogelijke oplossing die zich bevindt op het snijvlak van filosofie, spiritualiteit en realiteit? Heeft Van der Graaff het vertrouwen in het individu volledig opgegeven? Zijn poëzie lijkt dat te bevestigen:

 

Het is met de geest een eigenaardig

   ding. Het maatschappelijk zijn overheerst haar, zó, dat ze laf,

   loom, doodop kan worden,

   geen eigen beweging haast meer heeft.

 

Wel voegt hij enigszins hoopvol hieraan toe: ‘Door samen bezig te zijn / ontstaat er iets nieuws’, hoewel hij dat iets eerder al ontkracht lijkt te hebben met de woorden: ‘Er zijn vrienden. Ze vormden een commune voor een dag, / dezelfde historische dag als gisteren, waarop ze ontzet / en van elkaar bevrijd werden.’ Gemeenschap en individu lijken beide te falen in de zoektocht naar alternatieven voor het neoliberalisme of kapitalisme. In mijn ogen is het utopische denken als aanvulling op het dystopische ervaren wel noodzakelijk om het leven leefbaar te houden en niet ten onder te laten gaan in pessimisme. ‘Lig en rot’ wordt ons in een van de gedichten voorgeschoteld, om dat te voorkomen is elke positieve impuls van individuele kunstenaars en denkers of van alternatieve gemeenschappen welkom en noodzakelijk. Of schat ik de mogelijkheden daartoe als vertegenwoordiger van een oudere generatie inmiddels te rooskleurig in?

Uitgeverij Pluim, Amsterdam, 2020
ISBN 978 94 929 2860 3
75p.

Geplaatst op 15/03/2020

Tags: #MeToo, Arno van Vlierberghe, Dominique De Groen, Frank Keizer, Lief slecht ding, Maarten van der Graaff, Obe Alkema, Obelisque

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

  1. Arno Van Vlierberghe

    Heb jij wel dezelfde bundels gelezen van De Groen en Alkema, of circuleren er aangepaste vormen speciaal voor jou ontdaan van alle optimistische elementen? Sticky Drama eindigt letterlijk met de groei van een nieuwe boom des levens, en heel de bundel kan worden gelezen als een post-antropologisch pleidooi voor radicale empathie. Vloekschrift knalt her en der tegen de bierkaai, zeker en vast, maar je moet wel echt van kwade wil zijn, of niet zo goed kunnen lezen, om het als eendimensioneel en pessimistisch neer te zetten. En laten we het niet eens over Obelisque hebben, een bundel barstensvol taalplezier en spel. Jeetje. Jullie recensenten doen altijd wel erg je best om dezelfde namen te noemen in relatie tot Maarten. De School Van der Graaff moet er echt nog gaan komen.

    Beantwoorden

    • Peter van Lier

      Ja, het post-antropologische perspectief van ‘Sticky drama’ van De Groen, dat is iets waar je mij op Facebook ook al op wees. Ik ga de bundel zeker herlezen, maar of dit perspectief mij als mens optimistischer maakt… Bij Alkema merk ik op dat zijn twijfelende zoeken als metamodernist wel degelijk perspectief biedt op een mogelijke uitweg uit het pessimisme waar het neoliberalisme velen onder ons mee heeft opgezadeld.

      Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.