Poëzie, Recensies

Pink millennium

Obelisque

Obe Alkema

Het poëziedebuut van Obe Alkema (1993), Obelisque, valt op: het ziet eruit als een glossy magazine, qua vormgeving en formaat (28 x 21,5 cm), binnenin zijn bewerkte reclames van modemerken opgenomen. Verder bevat de bundel meer dan honderd bladzijden aan gedichten die geregeld de hele pagina vullen. Toen ik erin begon te lezen, zag ik al snel door de bomen het bos niet meer, want bijna alle zinnen tonen zich als oneliners die op het eerste gezicht maar weinig met elkaar gemeen hebben. De vraag dringt zich op hoe deze bundel te bespreken.

 

Mogelijk is het zinvol om Alkema te plaatsen binnen zijn generatie. In het Nederlandse taalgebied is hij verwant aan Frank Keizer, Maarten van der Graaff, Hannah van Binsbergen, Dominique De Groen en Arno Van Vlierberghe. Voor het eerst sinds de jaren negentig is er opnieuw een groep dichters zichtbaar geworden die vanuit een diepgevoelde onvrede reageert op een dominante tijdgeest. De generatie van negentig, waar Elma van Haren, Arjen Duinker en K. Michel de aanzet toe gaven, schreef poëzie die het contact met de realiteit wilde herstellen dat door het postmoderne denken was ondermijnd, waarin argwaan en de neiging tot deconstructie en afbraak de belangrijkste deugden waren. De huidige generatie jonge dichters, de millennials (geboren in de jaren negentig, tot ontwikkeling gekomen na 2000), verzet zich vooral tegen de toenemende bestaansonzekerheid die steeds meer mensen ondervinden in een neoliberale samenleving.

 

Een andere insteek om Obelisque te bespreken is de Engelstalige aanbeveling die op de achterkant van het omslag staat afgedrukt van ene Felix Bernstein. Ik ken deze auteur niet, dus raadpleeg ik het internet. Mogelijk maakt een verwantschap tussen beide auteurs iets duidelijk. Bernstein, ook een generatiegenoot van Alkema, is de auteur van een dichtbundel en een essaybundel over poëzie, zijn thematiek wordt met queer theory, metamodernisme en Gaga-feminisme in verband gebracht. Dat zijn termen die om een uitleg vragen.

 

Obelisque is in belangrijke mate een zoektocht naar de eigen identiteit, waarin de queer theory overduidelijk een rol speelt. Binnen dit denken is de seksuele identiteit geen vaststaand gegeven, de maatschappelijke en culturele context bepaalt er de verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke binnen een individu. Op de voorzijde van Obelisque staat Alkema in een kimono en met opgestoken haren afgebeeld; zijn pose is heel vrouwelijk en zelfbewust. Maar ook kwetsbaarheid en misschien zelfs een zekere tragiek stralen je tegemoet: een rommelige kamer met foto’s van artiesten of modellen aan de muur, een aangesproken wijnfles en een ouderwetse gatenplant tasten de glamour wel degelijk aan. Enkele zinnen uit Obelisque die het thema van queerness uitdragen, dat Alkema in de bundel ook pakkend omschrijft met ‘Androgyn laveren’, zijn:

 

Hun curves, my humps. Geharst scrotum, geschoren been in pantalon,

   mascaravlek.

 

   De loepzuivere tekening van een vrouwenlichaam met mannelijke features

   of omgekeerd. Ik bedoel: ik zie mezelf.

 

   […] Hij is een gemarkeerde vrouw.

   […] Wat mensen van mij maken,

   ligt buiten mijn controle. Hoe dan ook archiveer ik het als compliment.

 

De onscherpe grens tussen het mannelijke en het vrouwelijke vervaagt de al te starre seksuele identiteit die de maatschappij ons oplegt, de ‘Vlekkeloze objectificatie die ons allen moet treffen’, en fungeert als een kritische correctie daarvan:

 

Hij zette zich op een hak, langer dan een opgestoken vinger.

 

   Ik verhinder mezelf uit te leveren aan de

   assimilatiecapitulatie, […]

 

Maatschappijkritiek uit zich in deze bundel, aansluitend bij Alkema’s generatiegenoten, ook in een vlijmscherpe aanval op de neoliberale koers die Nederland in lijn met de hele westerse wereld vaart. ‘Het rechtse kabinet laten gebeuren’, zoals Alkema gelaten noteert, maakt het ingehouden ongenoegen in de bundel niet minder: ‘Ik, glossy en grimmig, weet niet goed met mijn boosheid om te gaan’. Daarbij kan de auteur zijn ogen niet sluiten voor de gevolgen van het rechtse beleid in zijn land: ‘Neergestreken armoede, ontkiemde woede.’ Voor wie onder deze omstandigheden op zoek gaat naar zijn identiteit is het bitter te moeten constateren: ‘Je wordt geoogst in een liberale samenleving.’

 

In zijn woede doet Alkema niet veel onder voor hen die zich momenteel in gele hesjes verzetten tegen de neoliberale politiek van hun land: ‘Als twijgjes hebben we lang meegebogen’; en over de moeilijkheden om je te handhaven in zo’n samenleving schrijft hij: ‘Ademen wordt oedemen’. De ongezonde uitwerking van het nieuwe werkwoord ‘oedemen’ spreekt voor zich. Toch berust de auteur niet: ‘Als ik ooit weer wilde functioneren moest ik de ontregeling erkennen.’ Zijn kritiek op het kapitalisme doortrekt de hele bundel:

 

Te jong voor verantwoordelijkheden, nooit te oud om aangerand te worden

   door tijdelijke dienstverbanden.

 

   De innovatief vertakte graaihanden. Zondige mondiale preek.

 

   De totaliteit van de eenentwintigste-eeuwse Inquisitie erkennen.

   De tuchtraad overleven.

 

In de neoliberale samenleving tast een verstikkende gelijkvormigheid in denken en doen de vrijheid en zelfstandigheid van het individu steeds meer aan en worden de mogelijkheden op goede scholing, huisvesting en werk steeds meer beknot. Gevoed door deze inzichten wordt Alkema niet automatisch een criticaster uit de linkse hoek: ‘Toch voel ik me tussen al die socialisten niet thuis’; wat hem aan hen vooral stoort is de ‘Linkse ideeënarmoede’. Echt ontluisterend wordt het als hij zichzelf in het spel betrekt: ‘Die rode onmogelijke politiek. / Die uitblijft, want ik ben lui’, culminerend in de opmerking: ‘Het enige radicale gebaar voor 2019 is je bescheiden op te stellen.’

 

Deze afzijdigheid past ook goed bij een ander aspect van zijn poëzie. Bernstein schrijft: ‘Alkema is the Baudelairean-Maldororian complement to this post-Kardashian age.’ De ‘bloemen van het kwaad’ en de ‘zangen van Maldoror’ maken inderdaad deel uit van Alkema’s universum: zwarte romantiek in een eenentwintigste-eeuws jasje. De hedendaagse wereld van de showbizz staat inderdaad helemaal niet zo ver af van het dandyisme dat Baudelaire uitdroeg, dat als een uiting van glamour in de negentiende eeuw gezien kan worden. De diepzwarte stemming waarmee Baudelaire het begin van de moderne tijd ervoer ligt voor Alkema in het verlengde van het neoliberale kapitalisme:

 

   Een spiegel showt een boeket bloemen dat zich zwak ritselend opent als

   woestijn.

 

   […] Ik ben gewend aan een oneindige, onverrassende jobstijding.

   Werk vinden in ondergang.

   Werk vinden in Avondland.    

 

   Met een Monsanto-blik overzie ik de globe.

   Tijd om het licht uit te doen.

 

En ook hier voelt de dichter zich medeplichtig aan datgene wat hij bestrijdt en lijkt hij ook zichzelf niet te willen sparen in een zwartromantische hedendaagse setting: ‘Ik takel de guillotine van de Boedelbak en wacht af.’

 

Toch is Obelisque niet eendimensionaal ondergedompeld in een stemming van neergang en ondergang. Er klinkt een voorzichtig optimisme op uit de kleine maar onherroepelijke stapjes die worden gezet naar een toekomst, hoe onzeker die ook is. Hier is sprake van een metamodernistische houding. In reactie op de versplintering van de realiteit die het postmodernisme in onze ervaring heeft teweeggebracht, wordt gezocht naar een oprechte, niet-ironische omgang met de wereld om ons heen; deze houding is pragmatisch en idealistisch tegelijk, getuigt van geestdrift en noodzaak. Alkema verwoordt dat ook: ‘Alleen al de gigantische variatie geeft de boodschap: je moet iets kiezen.’ Met deze instelling wordt niet alleen het postmodernisme bestreden maar ook het neoliberale kapitalisme. Bij Alkema lezen we zinnen als:

 

Het klassenonderscheid rot pas weg als het lijk dat het heeft gedragen  

   wegrot. […]

  

   In het empathische duister groeit de ziel.

 

   Mark stond naast me.

   Mark knikte.

   Mark droop af.

 

Vanuit de nieuwe tijdgeest van het metamodernisme ontstaat er een andere mogelijkheid dan het linkse denken om het neoliberalisme te bestrijden en mogelijk te overwinnen:

 

Toch is er ruimte voor het optimisme waarmee we dergelijke dystopische

   visioenen kunnen bestrijden.

   Behoud het elan om de toekomst op te bouwen uit nieuwerwetse haat en

   natuurgewonnen plastic.

 

Hier spreekt niet een persoon die een geel hesje heeft aangetrokken om te revolteren, maar een individu dat een geweldloze ommekeer proclameert in het denken en doen. Uit het ‘natuurgewonnen plastic’ van Alkema’s citaat blijkt de grote betrokkenheid bij het milieu binnen deze stroming.

 

Maar opnieuw is de complexe Alkema niet helemaal in te delen bij een alternatieve beweging in reactie op het kapitalisme. Gefascineerd door glamour en luxe is hij wel zo eerlijk te erkennen dat ‘het meest smerige geld waar ik verlekkerd naar kijk’ ook deel uitmaakt van zijn wereldbeeld. En in het verlengde daarvan voegt hij toe: ‘De gentrificatie gaat door, waarom geen graantje meepikken? De kosmos maakt het niets uit’. Hij haalt zichzelf helemaal onderuit met: ‘Tegen elk aannemelijk bod: mijn idealen, mijn maagdelijkheid, mijn irrealis.’ Voedt deze kapitalistische karaktertrek, die niet alleen in de maatschappij maar ook in hemzelf aanwezig is, zijn ‘totale walging’, ‘de vertwijfeling’, zijn ‘angst en verlangen’ – al deze begrippen komen ter sprake in het gedicht ‘Impasse (no time like the present)’ – en vormt deze karaktertrek de ‘Kanker in het formidabele weefsel van de Vinex’ voor hem? Het is veelzeggend dat bijna de hele bundel zich afspeelt in de comfortabele omgeving van een Vinex-wijk, die hij vervolgens wel benoemt tot ‘vallei der tranen’.

 

Alkema is duidelijk niet de gedroomde acoliet van een nieuwe idealistische beweging of een geloof, want bijna pesterig spreekt hij over een ‘Tegencultuur in de vorm van de minirok.’ Zijn glossy kant wint het hier van het idealisme. Hij schrijft over ‘een uitweg richting fame’; daarnaast merkt hij op: ‘Glitter is altijd een goed idee.’ Wat mij betreft is dit een invulling van het Gaga-feminisme; Alkema spreekt ook over ‘radical chic’. Lady Gaga staat voor een nieuw soort feminisme waarin buitensporige verschijningsvormen de grenzen van het geïnstitutionaliseerde vrouwzijn verleggen. Al vraag ik me wel af of de Kardashians, Rihanna en Patricia Paay, namen die in Obelisque vol bewondering worden genoemd, met dezelfde instelling hun glossy chic uitdragen. En over wie spreekt Alkema als hij schrijft: ‘Om twaalf uur verandert deze assepoes in een klasse-snoes’? Mijmert hij hier met het luie deel van zijn geest over een van de genoemde sterren of over zichzelf? In het laatste geval beseft hij overigens wel degelijk:

 

   Wat de Kardashians overkomt, kan mij ook overkomen.

   ’n Zeepbel.

 

Toch zie ik Alkema wel degelijk als een dichter die ergens voor staat en iets heeft uit te dragen: ‘Sta daar niet zo aan de zijlijn’, ‘obstinaat als zonsondergang’, ‘alleen’, ‘huilend’, ‘met lege handen’, ‘zonder toekomst’, maar: ‘zwart op wit’. ‘We moeten de waarheid serieus nemen’, lees ik als verzet tegen het postmodernisme, waarin we constant worden gemanipuleerd door de media, zoals hij opmerkt, en met halve en niet-bestaande waarheden opgezadeld. ‘Werkelijkheidscorruptie’ is niet voor niets een woord dat een volledige regel in zijn bundel krijgt toebedeeld.

 

Ik heb tot nu toe alleen over de inhoud van de gedichten gesproken. Aan de vorm ervan ben ik nog niet eens toegekomen. Het moet gezegd: die is wel heel prozaïsch van karakter, laat zoveel poëtische middelen achterwege dat er veel aan raffinement wordt ingeboet. En is het een probleem dat heel veel van de zinnen citaten lijken te zijn uit andere bronnen? De authenticiteit van de gedichten wordt er mogelijk door aangetast en de samenstelling van de gedichten oogt ook tamelijk willekeurig. Tevens mag je je afvragen of een bundel van 128 bladzijden niet te veel gevraagd is van de meeste lezers. En is het een zwaktebod dat de gedichten alfabetisch zijn gerangschikt zonder een duidelijk aanwijsbare reden en dat binnen een reeks zelfs alle zinnen daaraan zijn onderworpen? Kortom: mogelijke formele bezwaren te over, maar daar staat tegenover dat de toon of kleur van de bundel je dermate opslokt, op zo’n wijze pakt, dat tijdens het lezen de meeste van deze bedenkingen als sneeuw voor de zon verdwijnen.

 

‘Obe Alkema aanprijzen’ staat ergens aan het einde van de bundel geschreven. Ik doe dat graag. Om te besluiten citeer ik daarom de woorden waarmee hij zijn poëzie samenvat en waarin de kleur wordt genoemd die haar karakteriseert:

 

   Druipend in millennial pink sta ik op

  uit de zoden.

   Mijn privacy opnieuw opeisen.

   Heel erg hedendaags: dit onvindbaar voorbij zijn.

 

In het voorlaatste gedicht staat geschreven: ‘De werkelijkheid is een waardevol goed. Je moet er wel toegang toe hebben.’ Maar om het waardevolle van de werkelijkheid in te zien en om er in onzekere en veranderlijke tijden toegang toe te krijgen vanuit een individu dat niet minder raadselachtig is en zijn tijd kennelijk onvindbaar vooruit, daarvoor is deze bundel waarschijnlijk nog te dun.

 

het balanseer, 2018

Geplaatst op 01/05/2019

Tags: Arno van Vlierberghe, Baudelaire, Dominique De Groen, Felix Bernstein, Frank Keizer, Gender, Glossy, Hannah van Binsbergen, Kardashian, Lady Gaga, Maarten van der Graaff, Maatschappijkritiek, Maldoror, Man, Millennial pink, Obe Alkema, Obelisque, Patricia Paay, Queer, Vrouw

Categorie: Poëzie, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.