Poëzie, Recensies

Op zoek naar een nieuwe mannelijkheid

De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan

Mattijs Deraedt

Het is een vreemd voorrecht om gedomineerd te worden door je eigen dominantie. Dat is volgens Pierre Bourdieu (1930 – 2002) het paradoxale lot van de westerse man. De Franse socioloog vraagt zich in zijn boek La domination masculine (2001) af of deze man wel een andere keuze heeft dan te participeren in de vaak kinderlijke machtsspelletjes die de maatschappij hem oplegt. Hij lijkt veroordeeld tot zijn eigen almacht en is de slaaf van de rol die hij verwacht wordt te spelen: je zou bijna medelijden met hem krijgen.

In De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan (2020) gaat Mattijs Deraedt op zoek naar een lyrisch antwoord op dit vaak veronachtzaamde probleem. Een oefening in medelijden is het debuut van deze zevenentwintigjarige Brusselse dichter echter niet geworden, wel een kritische en genuanceerde, zij het soms wat vreesachtige poging om ‘barsten te slaan in het mannelijk pantser’.

 

Blindheid als oogmerk

Aan het eind van het eerste gedicht ‘Moorsele, I’ besluit de dichter zich niet langer te verlaten op zijn gezichtsvermogen: ‘Met gesloten ogen wandel ik zover als ik durf’. Het lijkt een weinig productief uitgangspunt voor wie de patriarchale cultuur kritisch wil onderzoeken. Toch zou deze moedwillige zelfverblinding wel eens een noodzakelijke stap kunnen zijn voor de denkoefening die de dichter voor ogen staat. De door Deraedt opgeroepen wereld lijkt immers bezeten van een nogal dwangmatig verlangen om te kijken. Dat blijkt al uit de eerste regels van de bundel: ‘Boven dit vlakke land hangen / parachutisten als ogen in de lucht’. Verderop maakt ‘de man met de uilenogen’ zijn opwachting die de inwoners van Brussel begluurt in hun huizen ‘als figuurtjes in een kijkdoos’, is er sprake van ‘hyenajongens’ die de nacht vangen ‘in het zwart van hun ogen’ en noemt het lyrisch ik zich ‘een vreemde god, die toekeek’.

Het is moeilijk om in dit ballet van begerige blikken geen allusie te lezen op de zogeheten male gaze. De Britse filmwetenschapper Laura Mulvey introduceerde dit begrip in 1975 om de stereotiepe portrettering van vrouwen in populaire cinema aan te duiden: al te vaak lijken vrouwelijke filmpersonages slechts ontworpen om de mannelijke wensdroom te dienen. Filmkijkers zien de wereld volgens Mulvey daarom op systematische basis door een masculiene lens.

Ook in De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan bepaalt de traditionele heerschappij van de man zich in de eerste plaats tot diens blik, tot de vraag wie kijkt en wie bekeken wordt. De keuze van het ik om met gesloten ogen, op de tast, zijn weg te zoeken in de wereld is dan ook programmatisch voor Deraedts poëzie. Uit zijn gedichten spreekt een sterk verlangen om ideologisch geladen zienswijzen voorgoed af te zweren en een nieuw, oprecht soort mannelijkheid uit te vinden.

 

Van goddelijke heersers naar alledaagse mannelijkheid

Het beeld van de parachutisten is nog om een andere reden van poëticale relevantie: het is betekenisvol dat de superieure, letterlijk ‘hogere’ macht waarop gealludeerd wordt (‘ogen in de lucht’) hier concreet gestalte krijgt in een relatief alledaags, in ieder geval (klein)menselijk tafereel: de popachtige silhouetten van parachutisten die zich aftekenen aan het zwerk. Dit procedé krijgt in de loop van de bundel structureel gewicht: hoe goddelijk de manbeelden die op hem afgevuurd worden ook mogen lijken, deze dichter zal de mythe altijd trachten te herleiden tot haar banale, dagelijkse verschijningsvorm.

Een voorbeeld. Als Deraedt het bronstige gedrag van mannen (en hun bewonderaarsters) in een fitnesszaal beschrijft, noteert hij droogjes en met de nodige zelfspot: ‘De spiegels zijn gebold, daarom keren de mannen / zo graag terug en trappen de vrouwen zwetend in het rond. // Tussen deze lichamen ben ik een bejaarde / die zijn dunne witte benen op het kussen legt / en ze strekt tegen de aftakeling. // Aan de bar koop ik mezelf wat snoepgoed, / maar ook dat blijkt stijf te staan van de anabolen’. De dichter lijkt met dit schouwspel op satirische wijze te suggereren dat een obsessie met mannelijke hardheid en daadkracht zich diep in het dagelijkse leven heeft verankerd. Zelfs het snoepgoed is behept met viriele geldingsdrang!

Het zijn dan ook de kleine, vaak nauwelijks opgemerkte manifestaties van een onbuigzaam mannelijkheidsideaal waar het Deraedt om te doen is. Eerder dan op woeste visioenen en surrealistische nachtmerries focust zijn poëzie op triviale, ogenschijnlijk ‘normale’ details, die niettemin traditionele genderverhoudingen mee in stand houden, zoals een Action Man-pop, stukgegooide bierflesjes en een droom waarover de ik zijn vriendin niet wil vertellen, want ‘dat doen mannen niet’. Dat neemt niet weg dat deze schijnbaar onschuldige taferelen bij momenten ook ontsporen in ‘toxische’ fantasieën. In het gedicht ‘Wat je moet weten voor je beslist om een man te zijn’ gaat jongensachtige stoerdoenerij (‘Een man zijn betekent je niet als vlinder / laten schminken, maar als schedel.’) resoneren met onheilspellende evocaties van een geweldzuchtig machismo: ‘Een man is een jachtgeweer. / Hij draagt zijn spieren als een blinkend harnas, / laat zich kruisigen tot hij glimlachend / in een jacuzzi van bloed baadt, een glas whisky in de hand’.

 

Bildungspoëzie

Deraedts keuze om het concept mannelijkheid in zijn alledaagse gedaante te onderzoeken weerspiegelt zich ook in de sterk persoonlijke inslag van zijn gedichten. In de eerste cyclus schetst de dichter zijn opgroeien als jongeman: van zijn kinderjaren in West-Vlaanderen over zijn studententijd in Leuven naar zijn volwassen leven in Brussel. We zijn getuige van zijn eerste amoureuze ervaringen, het verlies van een grootvader en zijn zoektocht naar een eigen, levenswaardige identiteit. Dit alles geeft Deraedts debuut iets van een lyrische, 21ste-eeuwse variant van de bildungsroman en dat is vanuit intertekstueel oogpunt niet onzinnig: zoals de Amerikaanse onderzoeker Todd Reeser opmerkt in zijn Masculinities in Theory (2009) was deze literaire vertelvorm in vorige eeuwen in de regel het vehikel van normatieve opvattingen over hoe de ideale man eruit zou moeten zien.

In De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan speelt Deraedt handig in op de conventies van dit ‘mannengenre’, dat volgens Reeser gelezen kan worden als ‘a series of transitions to masculinity’. Het gedicht ‘Dublin’, bijvoorbeeld, leest als de kritische pendant van zo’n mannelijkheidsritueel – en het kritische schuilt hier andermaal in het bij uitstek banale, alledaagse karakter ervan: na een reis vol kleine, weinig spectaculaire belevenissen besluit het lyrisch ik: ‘Dit is hoe het moet voelen om als frontsoldaat terug te keren, / om als Braziliaanse tiener van een brug in de rivier te springen / onder het gejuich van de sloppenwijk, om als jonge Ethiopiër / de rite de passage te overleven door je rivaal tot bloedens toe te slaan. / Dit is hoe het voelt om voor man door te gaan.

Typerend voor de bildungsroman is overigens dat de ouder wordende jongeman zich in zijn reis naar de volwassenheid tijdelijk spiegelt aan een of meerdere rolmodellen en een bepaald ideaal dat deze exemplarische figuren belichamen. Denk bijvoorbeeld aan Hermann Hesses Demian, waarin de protagonist Emile Sinclair vriendschap sluit met de vroegrijpe, aan de lopende band levenslessen debiterende Max Demian, om dan uiteindelijk zijn eigen weg te gaan. Ook in Deraedts dichtbundel duiken er herhaaldelijk dominante mannen op die het lyrisch ik willen bijbrengen hoe hij in de wereld moet staan:

 

De sergeant leert me een man te zijn:
je mond houden wanneer je
met je hoofd tegen de wanden knalt!
Maar plots val ik door het gat
en verlies mezelf uit het oog.

 

Deze scène stamt uit ‘De sergeant en ik’, het laatste gedicht van De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan. Het lijkt een symbolisch afscheid van de verlokkingen waaraan het ik zich de hele bundel lang blootgesteld wist. Zoals in de meeste klassieke bildungsromans heeft dat ik zich aan het slot van Deraedts debuut ontwikkeld tot een zelfstandig, volwassen individu, zij het dat de geprefereerde mannelijkheid in dit geval gespeend is van grootheid en krachtpatserij. De dichter zweert in de slotregels bij een nederiger, authentieker zelfbeeld:

 

Is dit een man, een god, een superheld?
Nee, dit is Mattijs Deraedt.

 

Van surreëel experiment naar ‘New Sincerity’

Behalve het culminatiepunt van Deraedts reflecties over mannelijkheid, zijn de slotregels van De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan ook een poëticaal statement. Deze poëzie contrasteert immers opvallend met het werk van andere jonge dichters zoals Tijl Nuyts (Anagrammen van een blote keizer, 2017), Radna Fabias (Habitus, 2018), Asha Karami (Godface, 2019) en Jens Meijen (Xenomorf, 2020). Het is opmerkelijk hoe hun debuten in zekere zin omgekeerd evenredig lijken met dat van Deraedt: deze dichters starten met een vastomlijnd, duidelijk herkenbaar profiel (de naam op het titelblad van hun bundel), maar als je hun gedichten begint te lezen, stel je vast dat ze dat schrijvers-ik liefst zo grondig mogelijk oplossen in een complex gegoochel met identiteiten.

Neem bijvoorbeeld Nuyts’ Anagrammen van een blote keizer. Bij aanvang van de bundel deelt de dichter mee ‘besmet’ te zijn geraakt door een zekere Kuluri, een mysterieuze figuur die vermomd als jak ronddraaft in het gebergte, voortdurend kleuren afgeeft (die tegelijk ook klanken zijn) en wel lijkt over te vloeien in de wereld die hem omgeeft. In de daaropvolgende gedichten leren we over een ‘nieuw gezicht’ dat het ik voor zichzelf heeft vervaardigd, ontmoeten we een collectie levende namen in een kooi en worden we en passant gewaarschuwd voor ‘het gevaar de dingen te noemen’ – het zijn snapshots van een surrealistisch universum waarin de contouren van mensen, dieren en dingen verwateren en vermengd raken. Aan het slot van de bundel lijkt het lyrisch subject samengevallen te zijn met de veranderlijke Kuluri: ‘ik ben een jak nu, een simpele jak in de himalaya: / hoogschoftig, bont, bruin-zwart-wit-rood’.

Ook in Xenomorf kan het ik nooit als een afgebakende, samenhangende entiteit naar voren treden omdat de laatkapitalistische, door en door technologische samenleving zoiets onmogelijk maakt. Meijens debuut is één koortsachtige monoloog van een menselijk bewustzijn dat zich niet langer kan losweken van zijn digitale omgeving (‘Ik koop mezelf atoom per atoom terug, / intussen is mijn lichaam de inflatie, onbetaalbaar, / helder en rein en karaat uit staal geslagen / concludeer mezelf uit keuzes. Brouw een brein uit datalekken.’) en dat in toenemende mate vervreemd is geraakt van de aardse, fysieke realiteit. Terwijl het alleen nog maar machteloos kan toezien hoe de natuur in ijltempo desintegreert, leeft het ik intussen in een eindeloze, dwangmatige herhaling – als om nog een laatste illusie van een eigen identiteit in stand te houden.

Deraedt daarentegen lijkt die onmogelijk gewaande eigen identiteit juist ergens in de loop van zijn bundel op het spoor te zijn gekomen: aan het slot presenteert hij zich aan de lezer als een enkelvoudig, benoembaar mens. Dat heeft wellicht veel te maken met zijn ambitie om een soort ‘New Sincerity’-poëzie te schrijven, die zich, zoals Deraedt zelf aangaf in een interview, niet langer verschuilt achter ‘symbolen, metaforen, moeilijke taal’. In navolging van onder anderen de Nederlandse dichter Ingmar Heytze wil hij over oprechte gevoelens en universeel-menselijke gebeurtenissen dichten. Het maakt van De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan een debuut waarin nogal wat op het spel staat: de cultuurkritische zoektocht naar een nieuwe, meer integere vorm van mannelijkheid is tegelijk een poging om tot een authentiekere, menselijkere poëzie te komen.

De vraag is natuurlijk of een dergelijke zuiverheid en eenvoud überhaupt wel van deze wereld zijn. Is het in een nog steeds sterk masculien georiënteerde cultuur wel mogelijk om je volledig los te zingen van een giftig manbeeld, om op een mooie dag herboren te worden als een authentiek en autonoom individu? Ik meen dat de even persoonlijke als herkenbare gedichten van Deraedt niet de meest effectieve manier zijn om een dermate diepgeworteld ideaal als dat van de almachtige man te ontmantelen. Een verregaande onderdompeling in de mannelijke fantasie had deze poëzie confronterender kunnen maken. Er zijn weliswaar de flitsen van bloeddorstige dreiging en heerszuchtige ontaarding waar ik het eerder over had, maar écht gevaarlijk wordt Deraedts man nooit. Echt verleidelijk evenmin. Daarvoor lijken zijn gedichten te beschroomd te willen vasthouden aan het politiek wenselijke, aan een morele verontwaardiging die er soms te dik op ligt:

 

Hoe meer ik met mijn vuist op tafel sla,
Hoe belachelijker mijn woede wordt.

 

[…]

 

Hoe meer blote vrouwen punk spelen in de kerk,
Hoe belachelijker mijn woede wordt.

 

Hoe meer vluchtelingen er neerstrijken,
Hoe belachelijker mijn woede wordt.

 

Een verlangen naar zuiverheid en authenticiteit verdraagt zich niet altijd met kritische gelaagdheid. Dat blijkt overigens uit het enigszins ironische gegeven dat Deraedts gedichten nauwelijks andere dan mannelijke stemmen aan het woord laten: een vrouwelijk of transseksueel perspectief op mannelijkheid wordt niet verkend in De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan. Daardoor verwordt deze zoektocht naar een nieuwe mannelijkheid alsnog tot een mannenzaak. Dit terwijl de inspraak van anderen nu juist een heilzame uitwerking zou hebben op zo’n verstokte alleenheerser.

 

Recensie: De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan van Mattijs Deraedt door Aragorn Fuhrmann

Poëziecentrum, 2020

Geplaatst op 30/11/2020

Tags: De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan, La domination masculine, Laura Mulvey, Mannelijkheid, Mattijs Deraedt

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.