Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Waarom lijken de Russen de oorlog in Oekraïne te steunen? Bezit Rusland dan daadwerkelijk een slavenziel? En kunnen ze niet anders dan zich bij het eeuwige geweld neer te leggen? In dit tweedelige essay zoekt slavist en auteur van Land van het grote sterven Joris Van Bladel naar antwoorden. Daarvoor verdiepte hij zich in een bijzondere klassieker uit de Sovjetliteratuur: De novelle Alles Stroomt van Vasili Grossman. Want Grossmans paradoxen uit de Sovjet-Unie zijn nog springlevend. In dit tweede en laatste deel toont Van Bladel hoe de wet van het behoud van geweld circuleert binnen de Russische geschiedenis en hoe die doorbroken kan worden.
In de essayistische passages van zijn novelle Alles stroomt formuleert Grossman iets wat op een wet begint te lijken. Geweld verdwijnt niet. Het wordt overgedragen, omgezet, geabsorbeerd – door instellingen, door gezinnen, door individuen die denken dat ze erbuiten staan. Zoals de wet van het behoud van energie in de fysica, maar dan zonder de troost van een formule.
Op een gegeven moment zet Grossman een stap die weinig schrijvers durven zetten: hij verlaat zijn personages en begint te filosoferen. Het is het moment waarop het boek van novelle verandert in iets anders, een essayistisch traktaat over de Russische geschiedenis en het lot van de menselijke vrijheid. Voor sommige lezers is dit het meest verrassende aspect van Alles stroomt: de ogenschijnlijk plotse overgang van novelle naar essay. Maar die overgang is minder abrupt dan hij lijkt. De analyse groeit organisch uit de personages, als een conclusie die de lezer al vermoedde. Grossman zegt hier hardop wat zijn novelle de lezer al influisterde.
Hij doet dat met een opvallende intellectuele discipline. Hij observeert, analyseert en ordent met de nauwgezetheid van een onderzoeker die een complex verschijnsel systematisch ontleedt. Hij behandelt de rol van Vladimir Lenin, de aard van het stalinisme, de collectivisatie van de landbouw en de hongersnood in Oekraïne (de Holodomor), de psychologie van het totalitaire systeem en de vraag naar individuele en collectieve schuld. Dat alles schrijft hij neer zonder retorische verontwaardiging.
Hij veroordeelt zelden expliciet. In plaats daarvan probeert hij te begrijpen. Zijn benadering is bijna klinisch: hij beschrijft mechanismen, legt patronen bloot en ontleedt structuren. Juist omdat hij niet schreeuwt, wordt zijn diagnose verontrustender. De kalmte van de toon staat in scherp contrast met de verschrikking van de inhoud – en dat contrast is geen literaire truc, maar een morele keuze.
Gaandeweg ontvouwt zich zo een indrukwekkende dissectie van de Sovjetgeschiedenis. Grossman toont dat het geweld van het stalinisme geen loutere historische aberratie was, maar wortels heeft die veel dieper reiken. De Russische geschiedenis wordt gekenmerkt door een hardnekkige continuïteit van dwang en onderwerping. De lijfeigenschap van het tsaristische rijk, de revolutionaire terreur van Lenin en de massamoord van Joseph Stalin vormen geen volledig gescheiden werelden, maar schakels in een langere keten. Elke schakel legitimeert de volgende en maakt haar mogelijk.
Uit die dissectie destilleert zich, langzaam maar onvermijdelijk, een intuïtieve regel die de Russische geschiedenis – en misschien wel de hele geschiedenis – lijkt te doordringen. Geweld verdwijnt niet. Het verandert van vorm, verschuift van plaats, neemt nieuwe gedaanten aan, maar blijft aanwezig. Het circuleert door de geschiedenis zoals energie door een fysisch systeem. Grossman noemt dit in zijn novelle de wet van het behoud van geweld.
Grossman beschouwt die wet niet alleen historisch, maar ook psychologisch. Daar begint zijn analyse werkelijk diep te snijden. Het geweld van het systeem nestelt zich zowel in degenen die het ondergaan als in degenen die het uitvoeren. Het verandert van vorm: van de terreur van de bewaker naar de schaamte van de bewaker achteraf, van de angst van de gevangene naar de leegte van de vrijgelatene – maar het verdwijnt niet. Ivan keert terug uit de Goelag, maar de Goelag verlaat hem niet. Het klinkt als een paradox, maar het is er geen.
Tegelijk verzet Grossman zich – en dit is even belangrijk als alles wat hij aantoont – tegen een al te eenvoudig historisch determinisme. De wet van het behoud van geweld is geen wet van de onvermijdelijkheid. De geschiedenis lijkt soms noodlottig te verlopen, maar doet dat nooit volledig. Tegenover de krachten van geweld en onderwerping plaatst Grossman een andere mogelijkheid: de vrijheid van het individu. Niet de abstracte vrijheid van politieke theorieën, maar een eenvoudige, bijna weerbarstige menselijke vrijheid die zich uitdrukt in kleine gebaren van mededogen, solidariteit en liefde. Zulke kleine gebaren – een vrouw die brood deelt, een man die iemand niet verklikt terwijl hij dat wel had kunnen doen, een kind dat een ander kind troost – vormen bij Grossman de tegenbeweging. Niet de grote revolutie, niet het heroïsche verzet, maar de micro-ethiek van de dagelijkse keuze. Het is weinig. Maar bij Grossman is het nooit niets.
In de officiële Sovjetmythologie was Vladimir Lenin onaantastbaar. Vasili Grossman spaart hem echter niet. In dat verhaal was Lenin de heilige vader, de zuivere bron waaruit de revolutie ontsprong. Joseph Stalin was de afwijking, de pervertering, de verrader van Lenins nalatenschap.
Dat was ook de lijn die Nikita Chroesjtsjov had ingezet in zijn beroemde ‘geheime toespraak’ van 1956 – Over persoonsverheerlijking en de gevolgen ervan – die het Stalintijdperk veroordeelde maar Lenin zorgvuldig buiten schot hield. Dat was geen toeval. Door Stalin als afwijking te presenteren kon het regime de terreur veroordelen zonder de revolutionaire grondslagen van het systeem zelf ter discussie te stellen. Het was een politiek nuttige fictie. De beul werd geofferd. De architect bleef heilig.
Grossman neemt deze scheidslijn radicaal op de korrel. Voor hem is Stalin niet de verrader van Lenin, maar zijn voltooier. De terreur, de concentratiekampen, de onderdrukking van oppositie en de vernietiging van de burgermaatschappij lagen al besloten in de kiemen van het leninisme. Lenin had de Tsjeka opgericht – de geheime politie die later zou uitgroeien tot de NKVD en uiteindelijk de KGB. Hij had oppositiepartijen verboden en de rode terreur gelegitimeerd als instrument van de revolutie. Ook had hij de arbeidersklasse, in wier naam de revolutie was gevoerd, systematisch van elke politieke macht beroofd. Stalin vond dit niet uit. Hij perfectioneerde het, schaalde het op en maakte er een systeem van industriële massamoord van. Maar de blauwdruk was van Lenin.
Tot zover de historische diagnose. Maar Grossman gaat verder – en daar wordt zijn portret van Lenin werkelijk verontrustend. Hij beschrijft hem ook als privépersoon: gecultiveerd, minzaam, bescheiden. Iemand die van muziek hield, vriendelijk was in de omgang en geen behoefte had aan uiterlijk vertoon. Geen tiran in de traditionele zin, geen man die genoot van macht om de macht zelf. En precies dat maakt zijn politieke gedaante zo moeilijk te bevatten, zoals Grossman zelf schrijft:
‘Als de mens Lenin hetzelfde karakter zou hebben gehad als de politicus Lenin, dan zou hij primitief en grof zijn geweest, een agressieve, bazige, meedogenloze, razend eerzuchtige, dogmatische schreeuwlelijk. Maar zo was het niet. De man in de arena van de wereld bleek tegengesteld aan de man in zijn persoonlijke leven. Plus en min, min en plus.’
Zodra Lenin de hoedanigheid van politicus aannam, veranderde hij. Dan werd hij fanatiek, onverdraagzaam en meedogenloos. De beschaafde mens verdween achter de zekerheid van de doctrine. Het was geen masker. Het was een metamorfose.
Grossman beschrijft deze ambivalentie met een precisie die geen expliciet oordeel uitspreekt – en juist daardoor des te vernietigender werkt. Lenin geloofde dat het doel de middelen heiligt. Hij geloofde dat de historische wetmatigheid – de onvermijdelijke overwinning van het proletariaat – hem het recht gaf elke maatregel te nemen die nodig was. Hij geloofde in de mensheid in abstracto, maar verachtte mensen in concreto. Wie niet met hem mee was, werd een vijand van de geschiedenis zelf – en vijanden van de geschiedenis verdienen geen medelijden. De gecultiveerde man en de meedogenloze politicus woonden in hetzelfde lichaam. Ze schenen elkaar niet te storen.
Die ogenschijnlijk onbegrijpelijke ambivalentie is misschien het meest beangstigende wat Grossman over Lenin schrijft – en tegelijk het meest verhelderende voor het begrip van de ideoloog in het algemeen. Ze toont dat wreedheid geen wreed karakter vereist. Ze vereist alleen een idee dat groot genoeg is om het individu onzichtbaar te maken. Grossmans Lenin is daarom niet alleen Lenin. Hij is het prototype van de ideoloog die zijn menselijkheid niet verloren heeft, maar haar opzijzet – netjes, ordelijk, zonder drama – telkens wanneer de Grote Idee dat verlangt.
Hier raakt Grossmans analyse aan iets wat de Russische context overstijgt. De bereidheid om mensen te offeren op het altaar van een abstract doel herkennen we in ideologieën van uiteenlopende signatuur: in het nazisme, het maoïsme, religieus fundamentalisme, maar ook in modern technocratisch beleid waarin mensen worden gereduceerd tot variabelen in een model of cijfers in een berekening. De beschaafde man die meedogenloos beleid voert. De technocraat die mensen herleidt tot parameters. De ideoloog die ’s avonds naar muziek luistert en overdag beslist wie er niet meer meetelt. Het patroon is ouder dan Lenin – en het heeft hem moeiteloos overleefd.
In die zin is de wet van het behoud van geweld ook een wet van de abstractie: hoe groter het Idee, hoe onzichtbaarder de individuele mens die eraan wordt geofferd. Het totalitarisme is de meest extreme vorm van deze logica, maar niet de enige. Elke ideologie die mensen behandelt als middelen in dienst van een einddoel – hoe verheven dat doel ook lijkt – draagt de kiem van deze logica in zich. De grens tussen de gecultiveerde privépersoon en de meedogenloze politicus blijkt dunner dan we willen geloven.
Grossman wist dat. Daarom schreef hij.
Op een ander moment in het boek stelt Grossman een vraag die hem zichtbaar pijn doet: is het Russische volk zelf verantwoordelijk voor zijn eigen slavernij? Bestaat er in de Russische geschiedenis of cultuur iets wat hij de ‘slavenziel’ noemt – een mentale erfenis die het totalitarisme niet alleen mogelijk maakte, maar misschien zelfs hielp voortbrengen?
Het is gevaarlijk terrein, en Grossman weet dat. Hier ontstaan nationalistische mythes en krijgt cultureel determinisme zijn lelijkste gezicht. Het debat over de zogenoemde ‘Russische ziel’ glijdt in zulke discussies al snel af naar theatrale filosofie, historische clichés en grote generalisaties. Grossman begeeft zich dus bewust op glad ijs. Maar hij doet het toch: ‘Het wordt tijd dat de ontraadselaars van Rusland begrijpen dat de mystiek van de Russische ziel is geschapen door duizend jaar slavernij en door niets anders.’
Niet om het systeem vrij te pleiten door de schuld bij het volk te leggen, en ook niet om een beschuldigende beschavingsdiagnose over Rusland uit te spreken. Hij probeert iets anders te begrijpen: hoe een samenleving ertoe kan komen haar eigen knechting te aanvaarden, te normaliseren en uiteindelijk mee te helpen dragen.
Grossman schrijft hier niet als een buitenstaander. Hij schrijft als iemand die zijn eigen volk liefheeft en er tegelijkertijd door gekweld wordt. Het is de pijn van een gedesillusioneerde patriot.
Zijn diagnose is scherp en hard. Rusland heeft slechts zelden, en nooit langdurig, vrijheid gekend. Van de lijfeigenschap tot de tsaren en de Sovjetstaat heeft een overheersende macht generaties Russen geleerd dat vrijheid niet voor hen was weggelegd. En mensen die generatie na generatie leren dat ze niet vrij zijn, worden niet vanzelf vrij zodra de ketenen even losser hangen. Onvrijheid wordt geïnternaliseerd. Ze wordt onderdeel van gewoonten, verwachtingen en morele reflexen. Uiteindelijk kan vrijheid zelfs gaan verschijnen als een gevaarlijk en ontwrichtend ideaal, iets dat eerder chaos brengt dan bevrijding.
Grossman noemt dit de slavenziel. Maar hij gebruikt het woord niet als een simpele verklaring. Integendeel, hij beschrijft een complex en tegenstrijdig psychologisch landschap als volgt:
‘De Slavische kern van de Russische ziel bepaalt zowel het Russische geloof als het Russische ongeloof, zowel de zachtmoedige menslievendheid van de Rus als zijn roekeloosheid, vermetelheid en vernielzucht; zowel zijn gierigheid en kleinburgerlijkheid, zijn nederige werklust en ascetische zuiverheid als zijn extreme bedrieglijkheid; zowel de angstaanjagende moed van de Russische soldaat als het ontbreken van menselijke waardigheid in het Russische karakter; zowel de wanhopige rebellie van Russische opstandelingen als de extase van sekteleden.’
Het zijn tegenstellingen die Grossman niet probeert op te lossen. Ze vormen de paradoxale erfenis van een geschiedenis waarin een volk zelden de kans kreeg zichzelf vrij te ontwikkelen. Die mentale erfenis speelde volgens Grossman ook een rol in Lenins revolutie. De slavenziel bracht niet alleen onderwerping voort, maar ook haar revolutionaire tegenbeeld: een ontvankelijkheid voor radicale theorieën, een bezeten geloof in historische verlossing, een bereidheid tot geweld in naam van een idee. De revolutie vernietigde de oude orde, maar reproduceerde tegelijk de diepere structuren van macht en onderwerping. Ook hier verschijnt het patroon dat door het hele boek loopt: vormen veranderen, maar onderliggende structuren blijven bestaan.
Toch moet hier nauwkeurig worden gelezen. Wanneer Grossman over de slavenziel spreekt, bedoelt hij niet dat Russen door natuur, ras of bloed tot onvrijheid veroordeeld zijn. Hij zoekt geen biologische of essentialistische verklaring. Wat hem bezighoudt, is een historische en psychologische vraag: hoe vormen eeuwen van knechting bepaalde mentale gewoonten? Hoe veranderen langdurige structuren van dwang de verwachtingen, reflexen en politieke verbeelding van een samenleving?
De vraag luidt dus niet: wat is de Rus van nature? Maar: wat heeft de geschiedenis van de Rus gemaakt?
Juist daarom is zijn analyse zo ongemakkelijk. Ze suggereert dat langdurige onvrijheid niet alleen instellingen vernietigt, maar ook het menselijke karakter vormt. Terreur breekt niet alleen lichamen. Ze herschept verwachtingen, verlangens en morele horizonten. Mensen kunnen leren leven in onvrijheid tot het punt waarop vrijheid hun niet langer als mogelijkheid verschijnt, maar als bedreiging.
Grossman staat daarin niet alleen. De Wit-Russische schrijfster Svetlana Aleksijevitsj gebruikt een gelijkaardige term – slavenmentaliteit – maar voegt er een dimensie aan toe die bij Grossman slechts impliciet aanwezig is. Volgens haar is slavernij niet alleen een historisch restant, maar ook een politiek project. Het systeem legt onderwerping niet alleen op; het reproduceert haar actief, generatie na generatie, via onderwijs, propaganda en sociale instituties. De slavenziel is dus niet alleen een erfenis van het verleden. Ze kan ook bewust worden gecultiveerd.
Toch is enige nuance hier op haar plaats. De notie van een slavenziel heeft een lange en vaak problematische geschiedenis in het westerse denken over Rusland en het Oosten in het algemeen. Het gevaar bestaat dat men een universeel menselijk verschijnsel – de neiging tot conformisme en morele aanpassing onder repressie – herinterpreteert als een nationaal karakter. Dat is een stap die argwaan verdient.
En het is ook niet de stap die Grossman uiteindelijk zet.
Want wat hij beschrijft als Russisch, is in wezen ook menselijk. De psychologie van de totalitaire onderdaan is niet uniek voor Rusland. Ze is herkenbaar in Duitsland, in China, in Cambodja – overal waar terreur, ideologie en sociale ontwrichting lang genoeg hebben huisgehouden. Het zijn de omstandigheden die zulke mentale patronen voortbrengen: de structuren van dwang, de systematische vernietiging van vertrouwen, de langdurige internalisering van onvrijheid.
In die zin is Grossmans diepste inzicht universeler dan zijn formulering soms doet vermoeden. Hij doelt niet op het feit dat een bepaald volk een slavenziel bezit, wel op het gegeven dat elk volk dat lang genoeg onder bepaalde omstandigheden leeft bepaalde psychologische structuren ontwikkelt.
Dat is tegelijk een ontluisterende en een bevrijdende gedachte. Ontluisterend, omdat ze toont hoe diep onvrijheid een samenleving kan vormen. Bevrijdend, omdat ze impliceert dat zulke structuren niet eeuwig zijn. Wat historisch is ontstaan, kan ook historisch veranderen.
Alleen gebeurt dat niet vanzelf. Het duurt generaties. Het vereist instellingen, gewoonten, opvoeding, moed – en een collectief geheugen dat niet telkens opnieuw wordt uitgewist.
Misschien ligt daar de tragiek van Rusland: dat het zulke generaties van vrijheid nauwelijks heeft gekend, en dat het systeem, zoals Aleksijevitsj laat zien, actief het tegendeel blijft cultiveren.
De slavenziel is geen lot. Maar zolang ze politiek, cultureel en institutioneel wordt beheerd, krijgt ze de schijn een noodzaak te zijn.
Tussen de vele scènes waarin Vasili Grossman het geweld van de twintigste eeuw ontleedt, nemen de bladzijden over de Holodomor een bijzondere plaats in. Het gaat om de door Stalin georganiseerde hongersnood in Oekraïne van 1932–1933, die miljoenen mensen het leven kostte. Schattingen lopen uiteen van drie tot zeven miljoen doden. Maar de exacte aantallen verliezen hun betekenis zodra men Grossmans beschrijving leest. Statistieken vragen om begrip. Grossman vraagt om iets anders.
De Holodomor verschijnt in Alles stroomt niet alleen als historische gebeurtenis, maar als een van de meest concrete illustraties van wat Grossman de wet van het behoud van geweld noemt.
Na zijn terugkeer uit de Goelag ontmoet Ivan Grigorjevitsj een vrouw, Anna. Hun verhouding groeit voorzichtig, zonder pathos. In haar vindt Ivan iets wat hij na dertig jaar ijs en eenzaamheid nauwelijks nog had durven verwachten: warmte, nabijheid, een lichaam dat het zijne verdraagt. Grossman beschrijft die intimiteit sober, als twee mensen die elkaar ontmoeten in de ruïnes van wat het systeem van hen heeft overgelaten. ‘Zij kwam naast hem liggen en hij voelde haar warmte, haar zachte borst, haar schouders, haar haar. Het leek of hij nog steeds droomde: als hij wakker was, was hij nooit gelukkig.’ Die tederheid is broos en bijna onwerkelijk, alsof geluk alleen nog in de vorm van een droom kan bestaan.
Maar na hun eerste nacht samen gebeurt iets onverwachts. Anna begint te spreken.
Ze zegt eenvoudig: ‘Ik was mooi, maar ik was ook slecht.’
Wat volgt heeft de vorm van een biecht. Grossman construeert de scène bewust als een seculier sacrament: Ivan als de man tegenover wie gezondigd is en die luistert zonder te oordelen; Anna als iemand die haar ziel probeert te ontlasten van wat ze jarenlang heeft meegedragen.
Tijdens de collectivisatie was Anna een activist geweest. Zij behoorde tot de brigades die de graanvoorraden bij boeren confisqueerden en de akkers leegmaakten terwijl de mensen erbij stonden te sterven. Ze geloofde dat ze het juiste deed. De boeren waren volgens de doctrine koelakken, vijanden van de revolutie. De honger was hun eigen schuld.
Ze geloofde dat werkelijk.
Dat is precies wat Grossman zo zorgvuldig laat zien. Anna was geen cynicus die wist dat ze mensen vernietigde en het toch deed. Ze was een gelovige, een gelovige judas. De ideologie had haar blik zo volledig gevormd dat ze haar eigen ogen niet meer kon vertrouwen wanneer die iets zagen wat in tegenspraak was met de doctrine. Tot het moment waarop dat niet langer vol te houden was. Tot de werkelijkheid sterker werd dan de leugen die haar had gedragen.
Toen zag ze wat ze werkelijk deed.
Anna’s getuigenis behoort tot de moeilijkste passages in het boek. Niet omdat Grossman schreeuwt of aanklaagt – hij doet precies het tegenovergestelde. Hij laat Anna spreken. Kalm. Chronologisch. In de taal van iemand die dit verhaal al zo vaak in haar hoofd heeft herhaald dat het een eigen orde heeft gekregen, los van de emotie. Wanneer ze zich tot Ivan richt, klinkt dat bijna als een biecht: ‘En voor mij ben jij, niet boos worden, als Jezus. Ik wil aldoor bij je biechten, zoals je voor God biecht. Ach, lieverd, ik wil het je vertellen, ik wil je alles vertellen wat er gebeurd is.’ Die intieme aanhef markeert geen uitbarsting, maar juist het begin van een relaas dat zich daarna met een bijna verstilde helderheid ontvouwt.
In die beschrijving valt geen theatrale gruwel te bespeuren. Alleen het simpele, ondraaglijke feit: mensen sterven van honger omdat de staat hun voedsel heeft afgenomen. Kinderen liggen op straat terwijl hun moeders naast hen sterven. Mensen eten wat niet gegeten kan worden. Dingen gebeuren die Anna niet kan benoemen – omdat de woorden ontbreken, of omdat sommige ervaringen alleen bestaan in het donker van het geheugen, in de slapeloze uren voor de ochtend.
Grossman was een van de eerste grote Russische schrijvers die de Holodomor openlijk benoemde als wat hij was: een door de staat georganiseerde massamoord. In de Sovjet-Unie bestond de hongersnood officieel niet. In het Westen wisten velen ervan, maar sommigen kozen ervoor het niet te weten. De New York Times-correspondent Walter Duranty minimaliseerde de hongersnood en schreef wat het regime geschreven wilde zien. Hij was niet de enige. Totalitaire systemen hebben vaak kunnen rekenen op een kleine kring van buitenlandse sympathisanten die hun ogen sluiten voor wat ze zien. Mensen die uit overtuiging of verblinding de propaganda van het systeem overnemen en haar helpen verspreiden terwijl ze menen de waarheid te verdedigen. Grossman schrijft tegen die leugen in. Hij schrijft voor de doden die niemand telde.
Maar wat Anna’s getuigenis werkelijk ondraaglijk maakt, is niet alleen de beschrijving van de honger. Het is de beschrijving van de innerlijke beweging van de dader. Anna deed mee. Ze deed dat met overtuiging, met ideologische zekerheid, met het gevoel dat ze aan de juiste kant van de geschiedenis stond. Tot het moment waarop die zekerheid brak onder het gewicht van de werkelijkheid.
Wat overbleef was schuld, als een ‘ijzeren splinter in het hart’. Een schuld die niet verdwijnt. Niet door woorden, niet door vergetelheid. Ze blijft aanwezig in slapeloze nachten, in stiltes aan tafel, in een leven dat verder moet terwijl het verleden niet verdwijnt.
Dat Anna deze schuld uitspreekt tegenover Ivan – een man die zelf dertig jaar heeft geleden onder het systeem waarvoor zij werkte – maakt de scène des te schrijnender. Ivan zwijgt. Hij veroordeelt haar niet. Maar hij spreekt haar ook niet vrij. Wanneer Anna hem op het einde van haar relaas vraagt: ‘Daarom vraag ik aan jou: kan dat zomaar?’, antwoordt hij slechts: ‘Ach kijk, nou is onze nacht alweer voorbij, het wordt licht. We moeten weer aan het werk.’ In die haast achteloze reactie ligt alles besloten: geen oordeel, geen vergeving, alleen een terugtrekking in het alledaagse.
In het zwijgen van Ivan ligt een van de diepste morele vragen van het boek: wat betekent het om iemand te begrijpen zonder die vrij te spreken?
Hier verschijnt opnieuw de wet van het behoud van geweld, maar nu in haar psychologische vorm. Het geweld dat Anna heeft helpen uitvoeren, heeft haar niet verlaten. Het heeft zich genesteld in haar geweten, in haar herinneringen, in haar onvermogen om verder te leven alsof er niets gebeurd is.
Het systeem heeft niet alleen slachtoffers voortgebracht. Het heeft ook de daders beschadigd. Die twee vormen van beschadiging zijn niet gelijkwaardig – dat morele onderscheid mag niet verdwijnen. Maar ze bestaan beide. Het totalitarisme vernietigt niet alleen degenen die het ondergaan. Het corrumpeert ook degenen die het uitvoeren.
En die corruptie verdwijnt niet wanneer het systeem verdwijnt. Ze blijft circuleren: in families, in gemeenschappen, in generaties die de gebeurtenissen zelf niet meer hebben meegemaakt maar de littekens wel erven. In die zin toont Anna’s verhaal misschien het scherpst wat Grossman bedoelt met de wet van het behoud van geweld. Het geweld verdwijnt niet wanneer de kampen sluiten of de leiders sterven.
Het verandert van drager.
Het verlaat het systeem en nestelt zich in het geheugen, in het geweten, in de levens van mensen die verder moeten leven met wat zij hebben gedaan – of hebben laten gebeuren.
Het geweld sterft niet met de daders.
Het herrijst in een andere gedaante.
Het is moeilijk over Alles stroomt te schrijven zonder Aleksandr Solzjenitsyn te noemen. In het westerse geheugen zijn beide auteurs bijna vanzelfsprekend met elkaar verbonden: twee grote Russische stemmen die de Goelag hebben beschreven, het stalinisme hebben aangeklaagd en hun leven hebben geriskeerd om de waarheid te spreken. En toch verschillen ze fundamenteel van elkaar – in stijl, in methode en uiteindelijk in wat zij van de lezer vragen.
Solzjenitsyn is de schrijver van de grote aantallen en de epische aanklacht. De Goelag Archipel is een monumentaal werk dat de schaal van het systeem blootlegt met de nauwgezetheid van een cartograaf. Kamp na kamp, getuigenis na getuigenis, pagina na pagina groeit het beeld van een universum van repressie. Maar Solzjenitsyn is ook een schrijver die gelooft. Hij gelooft in het Russische volk, in de orthodoxe christelijke traditie en in een historische roeping van Rusland die het lijden van de twintigste eeuw uiteindelijk overstijgt.
Dat geloof geeft zijn werk een bijzondere kracht, maar ook een beperking. Voor het lot van de niet-Russische volkeren van de Sovjet-Unie – voor de Oekraïense, Kazachse of Georgische ervaring van het stalinisme – heeft Solzjenitsyn minder oog dan Grossman. Hij ziet het systeem. Hij ziet zijn eigen volk. Maar hij ziet niet altijd de anderen.
Vasili Grossman werkt anders. Hij heeft geen systeem, geen doctrine en geen heilsgeschiedenis die het lijden achteraf betekenis geeft. Hij heeft alleen zijn personages en zijn geweten. En hij is Joods – een gegeven dat geen bijkomstigheid is, maar een essentieel onderdeel van zijn perspectief. Als Joodse schrijver in de Sovjet-Unie kende Grossman een dubbele ervaring van vervolging: eerst als intellectueel onder het stalinisme, later als Jood tijdens de antisemitische campagnes van Stalins laatste jaren. Zijn moeder werd vermoord tijdens de Holocaust.
In Leven en lot trekt Grossman een vergelijking die in de Sovjet-Unie strikt verboden was: de parallellie tussen nazisme en stalinisme. Die vergelijking ondermijnde het officiële zelfbeeld van de Sovjetstaat als bevrijder van Europa en overwinnaar van het fascisme. Alles stroomt zet die gedachte voort. Het is het werk van een schrijver die twee vormen van georganiseerde massamoord heeft meegemaakt en begreep dat totalitaire systemen, ondanks hun ideologische verschillen, vaak dezelfde structuren van vernietiging voortbrengen.
De wet van het behoud van geweld kent geen ideologische kleur.
Maar er is nog een derde schrijver die in dit gezelschap thuishoort en die in westerse discussies over Russische literatuur te vaak over het hoofd wordt gezien: Joeri Trifonov.
Zijn roman Het huis aan de kade, gepubliceerd in 1976 – wat in het Sovjetsysteem op zichzelf al opmerkelijk was – beschrijft het leven van de Sovjetelite in een prestigieus Moskous appartementsgebouw. De bewoners genieten privileges, bouwen carrières op en zwijgen over wat er met hun buren gebeurt wanneer die ’s nachts worden opgehaald.
Trifonov schrijft niet over de Goelag van binnenuit, zoals Solzjenitsyn. Hij schrijft over de Goelag van buitenaf – over de mensen die blijven, die zich aanpassen, die wegkijken. Over de Nikolajs van de Sovjet-Unie.
In die zin vult Trifonov Grossman aan. Waar Grossman in Alles stroomt een taxonomie van het verraad formuleert en haar filosofisch doordenkt, laat Trifonov diezelfde logica zien in de alledaagse routines van een samenleving die haar eigen lafheid niet wil herkennen. Men zou kunnen zeggen dat Trifonov de vier judassen van Grossman niet benoemt, maar laat rondlopen in de gangen van één Moskous flatgebouw. Zijn personages weten niet dat ze laf zijn. Ze noemen het voorzichtigheid. Ze noemen het realisme. Ze noemen het overleven.
En Trifonov beschrijft hen, maar net als Grossman zonder ze vrij te spreken.
Het verschil tussen de drie schrijvers is uiteindelijk ook een verschil in positie tegenover het systeem. Solzjenitsyn benoemt het systeem frontaal en betaalt daarvoor de prijs van ballingschap. Grossman schrijft van binnenuit, zonder hoop op publicatie, wetend dat hij spreekt voor een toekomstig nageslacht dat hij zelf niet meer zal meemaken. Trifonov publiceert in de Sovjet-Unie zelf, tussen de regels, in de taal van de allusie en de weglating – en bereikt daarmee een publiek dat de anderen nauwelijks konden bereiken: de mensen die het systeem dragen zonder het te benoemen.
Drie stemmen, drie methoden, één werkelijkheid.
En dezelfde wet die door hun werk blijft circuleren.
De titel van het boek verwijst naar Heraclitus: panta rhei – alles stroomt. Alles verandert. Niets blijft wat het was. De rivier waarin men stapt, is nooit dezelfde rivier. Voor Grossman fungeert dit fragment als een filosofisch kompas. Vrijheid is geen toestand die men bezit of verliest, maar een beweging: een mogelijkheid die blijft bestaan, ook wanneer zij wordt onderdrukt.
Die keuze voor Heraclitus was echter niet vanzelfsprekend – en zeker niet onschuldig. De vraag die in de titel besloten ligt – beweegt de geschiedenis vooruit of draait zij in cirkels? – hield Grossman al decennia bezig. Lang vóór de oorlog worstelde hij met de spanning tussen verandering en herhaling, tussen geschiedenis als vooruitgang en geschiedenis als eeuwige terugkeer. Die twijfel bracht hem in conflict met het officiële marxistische optimisme, dat elke twijfel aan de historische vooruitgang als ideologisch verdacht beschouwde. In die zin is Alles stroomt niet alleen een boek over de Sovjet-Unie. Het is ook de uitkomst van een levenslange poging om te begrijpen of de geschiedenis werkelijk verandert – of slechts van kostuum wisselt terwijl haar structuren onder de oppervlakte blijven bestaan.
Die vraag verschijnt in het boek als een spanning tussen twee centrale metaforen. Aan de ene kant staat Grossmans wet van het behoud van geweld: geweld verdwijnt niet, maar keert terug in nieuwe vormen. Aan de andere kant staat de heraclitische stroom: niets is permanent – ook het geweld niet, ook het totalitarisme niet, ook de Sovjetstaat niet.
Welke van beide is doorslaggevend?
Het antwoord van Grossman lijkt te zijn dat beide waar zijn. En precies die spanning vormt de intellectuele eerlijkheid van het boek.
Als alleen de wet van het behoud van geweld zou gelden, dan zou elke hoop op verandering illusoir zijn. Het geweld zou eindeloos circuleren, systemen zouden elkaar opvolgen zonder hun structuur wezenlijk te veranderen, en de geschiedenis zou niets anders zijn dan een herhaling van dezelfde mechanismen.
Maar als alleen de heraclitische stroom zou gelden, dan zou er geen reden zijn voor morele ernst. Systemen zouden vanzelf verdwijnen, zoals alle dingen verdwijnen. Waarom dan weerstand bieden? Waarom schrijven, als de geschiedenis zichzelf toch corrigeert?
Grossman weigert tussen beide te kiezen. Hij gelooft in de wet – en de Russische geschiedenis lijkt hem daarin gelijk te geven. Het tsaristische geweld transformeerde in het leninistische geweld, het leninistische in het stalinistische. Zelfs na de dooi, zelfs in de periode van relatieve ontspanning waarin Ivan terugkeert, zijn de structuren van angst en onderwerping niet verdwenen. Ze zijn alleen minder stringent geworden.
Maar tegelijk gelooft hij ook in de stroom. Systemen vergaan. Zelfs de meest totale macht is niet onbeperkt. En de mens houdt niet op mens te zijn, ook niet na decennia van systematische ontmenselijking.
Dat is weinig. Maar het is niet niets. Het zijn geen comfortabele geloofspunten. Ze bieden geen troost. Ze vragen alleen om waakzaamheid – en om iets wat misschien een groot woord is, maar waarvoor geen geschikter benaming bestaat: moed.
De moed om te weigeren. De moed om zichzelf te blijven.
Ivan Grigorjevitsj heeft dertig jaar Goelag overleefd niet dankzij heroïsche wilskracht, maar dankzij iets weerbarstigers: de eenvoudige weigering te stoppen met zichzelf te zijn. En in een systeem dat erop gericht was mensen van zichzelf te vervreemden, wordt precies dat een vorm van verzet. Niet het verzet van de barricade, maar het verzet van de aanwezigheid.
Ik ben er nog. U hebt me niet.
Maar Grossman is te eerlijk voor een triomfantelijk slot. Ivan keert terug in een wereld die geen plaats meer voor hem heeft. De mensen om hem heen zijn verdergegaan. De stad is veranderd. Hij is een man uit een verleden dat niemand wil herinneren – een levend anachronisme, een vraag die niemand wil beantwoorden.
De vrijheid die hij heeft bewaard, heeft hem alles gekost.
Daarmee stelt Alles stroomt de vraag die het boek niet beantwoordt maar die in elke bladzijde resoneert: wat is vrijheid waard als zij je alles kost? Is een leven lang bewaarde menselijkheid, in eenzaamheid en verlies, de prijs waard?
Grossman geeft geen troostend antwoord. Maar hij weet dat de vraag gesteld moet worden
Michail Soeslov had Grossman meegedeeld dat er geen sprake van kon zijn de roman de komende tweehonderd jaar te publiceren. Alles stroomt is het antwoord van een schrijver die besloot niet te wachten. Alsof hij begreep dat de wet van het behoud van geweld ook een andere wet impliceert: de wet van het behoud van de getuigenis. Want naast het voortrazende geweld blijft ook de getuigenis rondwaren.
Die getuigenis mag niet worden opgeslokt door het systeem, door de stilte of door het vergeten. Grossman is daar het levende bewijs van. Hij besloot te spreken wanneer zwijgen makkelijker was, terwijl de trein voortdenderde.
Aan het begin van dit essay verscheen Gogols beroemde trojka: Rusland dat voortstormt, razend en ongrijpbaar, terwijl niemand precies weet waarheen. Die trojka rijdt nog steeds. Ze heeft verschillende bestuurders gehad, verschillende vlaggen gedragen, verschillende namen aangenomen – maar haar beweging lijkt onveranderd.
Toch stappen er af en toe mensen uit.
Misschien is dat ook wat Grossman zelf deed toen hij na de confiscatie van Leven en lot toch weer achter zijn bureau ging zitten. Niet omdat hij hoopte.
Maar omdat zwijgen erger was dan spreken in het duister.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.