Essaybundel, Proza

De Wet van het behoud van geweld I

Alles stroomt

Vasili Grossman (vert. Anne Stoffel)

 

Waarom lijken de Russen de oorlog in Oekraïne te steunen? Bezit Rusland dan daadwerkelijk een slavenziel? En kunnen ze niet anders dan zich bij het eeuwige geweld neer te leggen? In dit tweedelige essay zoekt slavist en auteur van Land van het grote sterven Joris Van Bladel naar antwoorden. Daarvoor verdiepte hij zich in een bijzondere klassieker uit de Sovjetliteratuur: De novelle Alles Stroomt van Vasili Grossman. Want Grossmans paradoxen uit de Sovjet-Unie zijn nog springlevend. In dit eerste deel toont Van Bladel hoe Grossman na de confiscatie van zijn levenswerk geen blad voor de mond nam.

Ivan Grigorjevitsj stapt na dertig jaar Goelag uit de trein in Moskou. Hij kijkt naar de mensen om hem heen en zwijgt. Dat is de eerste scène uit de novelle Alles stroomt die je bij de keel grijpt, en het is ook de eerste keer dat je het boek sluit. Niet omdat de tekst moeilijk is. Vasili Grossmans stijl is eenvoudig en sober. Maar juist daarom wordt hij soms ondraaglijk.

Grossman schrijft zinnen die je leesritme ontwrichten – niet bruusk, maar onvermijdelijk – als een hand die je bij de schouder pakt en je dwingt te kijken naar wat je liever niet ziet. Je leest een passage, slaat het boek dicht en blijft even stil zitten. Soms ontsnapt er een ingehouden krachtterm, een vloek die een afwezige god aanroept. Soms overvalt je een inzicht: natuurlijk, zo zit het. Dat gevoel van “natuurlijk” werkt verhelderend, het betekent dat je de betekenis van de Russische geschiedenis al aanvoelde zonder haar echt onder woorden te kunnen brengen. Uiteindelijk blijf je verweesd achter, in ongeloof of verontwaardiging, zonder precies te weten waarop die gevoelens zich richten: op het boek, op het Russische verleden, of op jezelf. Want wat je bij de keel grijpt, is dubbel: niet alleen het geweld, de brutaliteit en de hardheid van het alledaagse leven onder het stalinisme, maar ook het mededogen dat erdoorheen breekt.

De onmenselijke razernij van de geschiedenis lijkt soms op de beroemde trojka van Nikolai Gogol: Rusland dat voortstormt terwijl niemand nog begrijpt waarheen, zelfs de koetsier niet. En toch duiken in die razernij momenten van mededogen en melancholie op: de ogen van een geslagen hond die desondanks trouw bleef aan haar kolerieke baas, de herinnering aan een overleden moeder die in gruwelijke omstandigheden het leven liet, een jeugdliefde die geen onvoorwaardelijke liefde bleek, de aarzeling van iemand die een hand wilde uitsteken maar niet durfde. Dat zijn geen decoratieve details. Ze behoren tot wat Grossman in Leven en Lot, zijn magnum opus, de ‘kleine goedheid’ noemt: nauwelijks zichtbare sporen van menselijkheid die buiten ideologie en macht om bestaan. Het bewijs dat er ondanks het geweld altijd iets menselijks blijft sluimeren, iets wat het systeem probeert uit te doven maar nooit helemaal weet te fnuiken.

Alles stroomt behoort hiermee tot de grote Russische literaire traditie waarin geweten en waarheid botsen met de alledaagse werkelijkheid. Het verscheen voor het eerst in het Nederlands in 1993 bij De Geus en werd recent opnieuw uitgegeven door Balans. Die heruitgave is meer dan welkom. Grossmans werk is tegelijk tijdgebonden en tijdloos: het beschrijft een zeer specifieke historische ervaring – de Sovjetmaatschappij na Stalin, tijdens de periode die later bekend zou worden als de ‘dooi’ (1953–1964) – maar legt structuren van menselijk handelen bloot die niet aan die tijd gebonden blijven.

Het boek beschrijft een verleden dat afgesloten lijkt. Maar die geschiedenis is nooit echt voorbijgegaan. Alles stroomt is meer dan een verhaal over het Sovjetverleden. Het werpt een verhelderend licht op het Rusland van vandaag. Meer dan ooit, nu Poetin zijn land in een agressieve oorlog tegen Oekraïne heeft gestort en de Russische samenleving opnieuw wordt geconfronteerd met dezelfde mechanismen van aanvaarding, ontkenning en rationalisering. Dezelfde stiltes. Dezelfde ongeschreven regels over wat gezegd mag worden en wat niet. Alsof de ‘dooi’, en later ook de perestrojka, nooit echt een dooi waren, maar eerder een herfstige ochtend zoals die waarop Ivan Grigorjevitsj in Moskou arriveert: een moment van schraal licht tussen twee winters. Hij stapt uit de trein. De trein rijdt verder, en ‘dendert voort met een snelheid die almaar, als was het uit leedvermaak, toeneemt, een snelheid die ruimte en tijd platslaat en doormidden splijt.’

Daarmee keert de vraag terug die door het hele boek spookt en die Grossman onbeantwoord laat: verdwijnt het geweld ooit? Of dendert de trein van de geschiedenis gewoon voort?

 

De context: een schrijver zonder bescherming

Om Alles stroomt goed te begrijpen, moet je weten in welke omstandigheden het geschreven werd. Niet als biografische curiositeit, maar als sleutel tot het boek zelf. Grossman begon eraan te werken rond 1954, in de nasleep van Stalins dood het jaar ervoor, toen de Sovjetmaatschappij aarzelend begon te spreken over haar eigen verleden. Maar halverwege het schrijven werd hij getroffen door een van de meest verpletterende ervaringen die een schrijver kan ondergaan: de confiscatie van zijn levenswerk.

Zijn grote roman Leven en lot, een Tolstojaans epos over de Slag om Stalingrad (1942-1943), over het nazisme en het stalinisme als spiegelbeelden van elkaar, over de menselijke waardigheid die standhoudt of bezwijkt onder totale druk, werd in 1961 door de KGB in beslag genomen. Niet alleen de manuscripten. Ook de carbonpapiertjes. Ook de typelintjes. Ze namen alles wat een letter had kunnen dragen. Michail Soeslov, een van de machtigste ideologen van het Centraal Comité van de Communistische Partij, deelde Grossman mee dat er geen sprake van kon zijn het boek de komende tweehonderd jaar te publiceren.

Het was een vorm van literaire executie en tegelijk iets ergers dan executie. Bij een executie is het voorbij. Dit was iets anders: het boek bestond nog, maar het kon niet meer gelezen worden. De schrijver leefde nog, maar zijn stem werd gesmoord. In een brief aan Nikita Chroesjtsjov typeerde Grossman zelf de inbeslagname als de ontvoering van zijn werk. Het systeem liet Grossman in leven als bewijs dat het hem monddood had gemaakt. Zo functioneerde het systeem. Grossman was op dat moment 55 jaar oud. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij drie jaar als frontverslaggever gewerkt. Hij had Treblinka bezocht kort na de bevrijding en er een van de eerste grote reportages over geschreven die in de Sovjet-Unie zijn verschenen, en hij had de Slag om Stalingrad van dag tot dag gevolgd en gedocumenteerd, de slag die het keerpunt van de oorlog zou worden en die hij later tot de kern van Leven en lot zou maken. Hij was dus allesbehalve een naïeve idealist die niet wist waartoe de stalen hand van de almachtige staat in staat was. Hij wist dat maar al te goed. Hij had het met eigen ogen gezien, in Treblinka, aan het front, in de gezichten van mensen die terugkeerden uit plaatsen waar ze liever niet over spraken.

De confiscatie van Leven en lot markeert een breuk. Ze moet Grossman ervan overtuigd hebben dat er geen compromis meer mogelijk was. Aan Alles stroomt werkte hij al sinds 1954, maar na de confiscatie lijkt het boek een andere toon te krijgen. Als je toch alles verloren hebt, wat houdt je dan nog tegen? Als het systeem je levenswerk al heeft afgenomen, welk compromis heeft dan nog zin? Alles stroomt, dat onvoltooid bleef bij zijn dood in 1964, is een radicaal vrijer boek dan alles wat hij ervoor had geschreven. Een boek van een schrijver die niets meer te verliezen heeft en die daarom zegt wat gezegd moet worden, zonder omwegen, zonder de voorzichtigheid die het overleven in een totalitair systeem vereist. De confiscatie had hem monddood willen maken. In plaats daarvan opende ze hem de mond.

Dat maakt van Alles stroomt ook een bijzonder soort getuigenis, een soort die zeldzamer is dan men denkt. Het is geen boek van iemand die achteraf, vanuit de veiligheid van de ballingschap of de bevrijding, de waarheid over het verleden optekent. Het is geen getuigenis die de tijd heeft gehad zichzelf te ordenen, te nuanceren, zich te beschermen tegen de gevaren die ze beschrijft. Het is een boek dat geschreven werd van binnenuit, terwijl het systeem nog bestond, terwijl de KGB nog jacht maakte op dissidenten, terwijl de angst nog de lucht doordrong als de geur van iets wat verbrand is maar nog niet helemaal uitgedoofd. Die context is geen voetnoot bij het boek. Ze is de substantie ervan. Elk woord van Alles stroomt is geschreven door iemand die wist dat schrijven gevaarlijk was – en die toch de pen oppakte.

 

De man die terugkeert

Ivan Grigorjevitsj komt na dertig jaar ballingschap terug in de bewoonde wereld, op zoek naar het leven dat hij dertig jaar eerder heeft achtergelaten. Hij kijkt naar de mensen om hem heen, mensen die nooit weggegaan zijn, die hun leven hebben geleefd terwijl hij wegkwijnde in Siberië, die hun carrières hebben uitgebouwd, hun kinderen hebben grootgebracht, hun compromissen hebben gesloten. Grossman beschrijft het zonder dramatiek. Er zijn geen grote gebaren, geen dramatische onthullingen, geen theatrale herkenningsscènes. Ivan is gewoon terug. En die ogenschijnlijke eenvoud legt onmiddellijk een ongemakkelijke spanning bloot die de hele novelle zal blijven bepalen: niemand weet precies hoe men moet reageren op iemand die te veel weet. Er is medelijden, maar ook schaamte. Er is nieuwsgierigheid, maar ook angst. Mensen vermijden bepaalde onderwerpen, veranderen plots van gespreksonderwerp, spreken in halve zinnen of zwijgen volledig. Het verleden is overal aanwezig, maar blijft onbespreekbaar. Het geweten knaagt, maar bevrijdt niet. Zoals blijkt uit Ivans toevallige ontmoeting met een oude kennis:

‘En plotseling besefte Pinegin dat Vanja niets wist en ook niets kon weten. Zenuwen, zenuwen… De zekerheid dat Ivan hem niet in het gezicht zou spuwen en hem niet ter verantwoording zou roepen, vervulde hem met een stralend licht.’

In deze ontmoetingen ontstaat een subtiele, maar meedogenloze tegenstelling tussen het zichtbare en het onzichtbare. Wat gezegd wordt is minder belangrijk dan wat verzwegen wordt. De Sovjetmaatschappij leeft in een ruimte van verdraaiingen, stiltes en impliciete afspraken. Iedereen weet dat iedereen het weet, maar niemand zegt het hardop. Het is een communicatieve orde die niemand gepland heeft, maar langzaam gegroeid is uit jaren van terreur, uit de geleidelijke internalisering van de grens tussen wat gezegd wordt en hetgeen verzwegen moet worden. Een grens die zo diep is ingesleten dat mensen haar niet langer ervaren als een grens, maar als de natuurlijke orde der dingen. Buiten het kamp, ontdekt Ivan, loopt de prikkeldraad van binnenuit.

Er is een passage in het boek waarin Ivan in Leningrad naar de gezichten kijkt van de mensen om hem heen. Grossman beschrijft die gezichten zonder sentiment: mannen en vrouwen die boodschappen dragen, die soms lachen, die soms in gedachten zijn. Gewone mensen. En Ivan kijkt naar hen en vraagt zich af wat er achter die banaliteit van alledag schuilt. Wat hebben zij gedaan in de jaren dat hij weg was? Wat hebben zij gezegd, of niet gezegd? Wie hebben zij aangegeven, of niet aangegeven? Tijdens zijn verblijf in Leningrad, waar hij op zoek is naar zijn jeugdliefde, observeert hij:

‘Vandaag zag hij in de veelkoppige menigte van Leningrad geen bekenden en maakte geen kennis met onbekenden. In de grootste gemene delen van de gezichten had zich een grote verandering voorgedaan. Zichtbare en onzichtbare banden waren verdwenen, verbroken door de tijd, door de massale verbanningen na de moord op Kirov, door de sterfte tijdens de blokkade, verscheurd door stormen, bedekt met sneeuw en het stof van Kazachstan. Ze waren weg, hij was alleen, een vreemde.’

De vraag hangt in de lucht als rook en ze verdwijnt niet wanneer Ivan verder loopt.

Tegenover Ivan tekent Grossman diens neef Nikolaj Andrejevitsj: een wetenschapper die nooit gearresteerd is, die zijn carrière heeft uitgebouwd, die getrouwd is, die een appartement heeft, die lid is van het systeem. En die zweeg toen Ivan werd gearresteerd. Nikolaj weet dit. Ivan weet dit. Ze weten allebei dat ze het weten. En toch ontmoeten ze elkaar. Ze eten samen. Ze praten, met het verraad tussen hen in, als een lijk aan tafel. Niemand benoemt het lijk. Zoals blijkt uit Nikolajs eigen woorden:

‘Hij had een hartstochtelijk verlangen Ivan uit te leggen dat alles veranderd was, nieuw geworden, dat alle oude maatstaven waren geschrapt, dat Ivan omvergeworpen was en verpletterd, en dat zijn bittere lot geen toeval was. Ja, ja, de grijze gesjeesde student! Wat had hij achter de rug? Wat had hij voor zich? Waarschijnlijk kwam het juist door dat hartstochtelijke verlangen, de koppige drang deze dingen tegen Ivan te zeggen, dat Nikolaj Andrejevitsj precies het tegenovergestelde zei. Wat verbazend goed toch: in de belangrijkste dingen, Vanja, zijn wij gelijkwaardig, en ik wou je zeggen: als je ooit het gevoel krijgt dat je dertig jaar van je leven kwijt bent, dan moet je nu, als je mensen tegenkomt die in die jaren niet gehakt en gespit hebben, maar boeken geschreven en dergelijke, dat gevoel van je afzetten. In wezen ben je gelijkwaardig aan diegenen die de wetenschap vooruit hebben gebracht, die in het leven en in hun werk geslaagd zijn.’

 

Vier judassen

Wat Grossman hier doet, is iets wat weinig schrijvers aangedurfd hebben: hij probeert de informant te begrijpen zonder hem te vergeven. Nikolaj is niet wraakzuchtig of sadistisch. Hij is zwak. Hij is bang. Hij heeft gedaan wat miljoenen Sovjetburgers gedaan hebben: ja zeggen wanneer nee het juiste antwoord was. En eenmaal in die logica gevangen was er geen weg terug meer. Het eerste compromis maakt het tweede makkelijker. Het tweede maakt het derde bijna onvermijdelijk. Tot de som van al die kleine compromissen een leven wordt dat je niet meer herkent als het jouwe – maar dat je ook niet kunt opgeven omdat het alles is wat je hebt. Dat is de val van het totalitarisme: het maakt mensen medeplichtig aan hun eigen gevangenis.

Hier raakt Grossman aan een van de diepste vragen van het totalitarisme: hoe ontstaat verraad? Niet als uitzondering, maar als regel. In een van de essayistische passages van Alles stroomt opent hij daarvoor bijna een tribunaal, niet dat van de staat, maar dat van het geweten. Vier stemmen spreken er, vier manieren om naar schuld te kijken. Het zijn, zoals Grossman ze noemt, vier judassen: vier gezichten van het verraad in een totalitaire staat.

De eerste judas is de fanatieke gelovige. Hij verraadt omdat hij werkelijk gelooft dat de geschiedenis zijn kant heeft gekozen. In zijn ogen is het slachtoffer geen slachtoffer, maar een vijand van de vooruitgang, een obstakel dat uit de weg geruimd moet worden opdat de grote mars van de geschiedenis ongehinderd kan doorgaan. De tweede judas is de bange. Hij verraadt niet uit overtuiging maar uit angst. Hij weet dat het verkeerd is, maar hij weet ook dat weigeren gevaarlijker is dan gehoorzamen. Hij kiest voor zichzelf. De derde judas is de bureaucratische judas: de man van formulieren en dossiers, die zonder passie en zonder haat het systeem draaiende houdt. Hij is niet wreed. Hij is gewoon nauwgezet. En ten slotte is er de vierde judas: de judas van de stilte, degene die niets doet, niets zegt, niets ziet en juist daardoor deel wordt van het mechanisme. Hij heft zijn handen ten hemel. Ze zijn niet schoon.

Samen vormen zij een taxonomie van het verraad in een totalitaire staat. Het is geen systeem dat enkel bestaat uit beulen en slachtoffers; het leeft van een complex web van overtuiging, angst, routine en zwijgen. Het geweld van het systeem wordt niet alleen uitgevoerd door de machthebbers, maar ook gedragen door de talloze kleine handelingen waarmee gewone mensen zich aanpassen aan wat zij denken dat onvermijdelijk is. En precies die massale aanpassing aan wat men als onvermijdelijk beschouwt, houdt het systeem in stand.

In deze typologie klinkt een gedachte door die in vrijwel dezelfde jaren ook in de politieke filosofie werd geformuleerd. In Eichmann in Jerusalem beschreef Hannah Arendt wat zij de ‘banaliteit van het kwaad’ noemde: het inzicht dat grote misdaden niet noodzakelijk worden gepleegd door demonische monsters, maar vaak door gewone mensen die hun werk doen, bevelen opvolgen of eenvoudigweg zwijgen. Grossman en Arendt kwamen tot een verwante conclusie langs heel verschillende wegen. Arendt observeerde een bureaucratische misdadiger in een rechtszaal. Grossman keek naar de Sovjetmaatschappij om zich heen en verwerkte de compromissen van gewone mensen in zijn literaire verbeelding. Waar Arendt haar inzicht ontwikkelt door politieke analyse, laat Grossman hetzelfde mechanisme zien in de morele spanningen van alledaagse relaties. Het kwaad verschijnt bij hem niet als uitzonderlijke wreedheid, maar als iets veel alledaagser: overtuiging, angst, bureaucratische routine en stilte.

Maar waar Arendt vooral toont hoe gewone mensen het kwaad kunnen uitvoeren, laat Grossman zien hoe een hele samenleving er langzaam in verstrikt raakt.

Overtuiging, angst, bureaucratische routine en stilte – het zijn de mechanismen waardoor geweld zich door een samenleving verplaatst, van mens tot mens, van generatie naar generatie. Wie vandaag naar de Russische samenleving kijkt, stuit op wat het grote mysterie blijft: waarom blijft een samenleving zo opvallend passief tegenover een oorlog die al honderdduizenden eigen soldaten het leven heeft gekost? Grossman geeft geen antwoord, maar hij stelt de vraag scherper dan welk opinieonderzoek ook. Alles stroomt leest niet alleen als een novelle over het verleden, maar als een diagnose van een politieke psychologie die hardnekkig blijft voortbestaan. Grossman schreef in de jaren zestig. Hij had het ook vandaag kunnen schrijven.

Het totalitarisme begrijpt de menselijke zwakheid beter dan welke psycholoog ook. Het heeft angst niet alleen tot instrument van repressie gemaakt, maar ook tot instrument van morele corruptie. En die corruptie verspreidt zich als een besmetting: van de gearresteerde naar de informant, van de informant naar zijn gezin, van het gezin naar de buurt, van de buurt naar de samenleving. Het is niet het geweld van het slagveld dat het totalitarisme het gevaarlijkst maakt. Het is de systematische vergiftiging van de vertrouwensrelaties die een samenleving bijeenhouden. Wanneer niemand meer weet wie hij kan vertrouwen, is de samenleving gebroken, ook al staat ze nog overeind.

Grossman begrijpt Nikolaj volledig, en toch verwijt hij hem zijn gedrag. Want begrip is niet hetzelfde als onschuld. Nikolaj is geen demon, maar iemand die bezwijkt onder druk en zich terugtrekt in zwijgen – een combinatie van verraad uit angst en verraad door niets te doen. Het is misschien het moeilijkste wat een schrijver kan doen: iemand zo volledig begrijpen dat de lezer bijna met hem meevoelt, en hem dan toch verantwoordelijk houden. Dat evenwicht is de morele ruggengraat van het boek.

Dat is de wet die Grossman beschrijft. En het is het punt waarop Alles stroomt ophoudt een verhaal te vertellen en een aanklacht wordt. Een aanklacht zonder rechter. Zonder vonnis. Maar ook zonder vrijspraak.

Balans, Amsterdam, 2026
ISBN 9789463824842
221p.

Geplaatst op 09/05/2026

Categorie: Essaybundel, Proza

Naar boven

Reacties

  1. manu waegemans

    Uitstekende bespreking van een belangrijke novelle !

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.