Non-fictie, Recensies

Lang leve intermezzo’s

Doe zelf normaal

Menselijk recht in tijden van datasturing en natuurgeweld

Maxim Februari

De realisatie dat technologie zich genesteld heeft in elk aspect van ons bestaan en het collectieve levenspad vormgeeft is niet meer uit het maatschappelijk debat weg te denken. In Doe zelf normaal neemt filosoof, jurist, schrijver en columnist Maxim Februari ons mee door deze discussie over technologie. Hij bespreekt hoe het onderscheid tussen wat wij kiezen en wat algoritmes voor ons beslissen steeds vager wordt en hoe dat de democratie aantast. Hij zet het bekende adagium ‘meten is weten’ op z’n kop, want hoe vaak meten we niet alleen wat we al weten? Het essay onderzoekt hoe overheden, geconfronteerd met crises zoals klimaatverandering, pandemieën en terrorisme, steeds vaker dwang boven recht verkiezen, waarbij nieuwe technologieën als machtsinstrument dienen. Zijn essay is een pleidooi om iets te doen voordat het te laat is.

Het lijkt alsof Februari op zoek is naar nieuwe normen en waarden die de ‘dwangmatige neigingen’ van de mens en haar relatie met technologie in toom houden. Goed of kwaad, wij leven nu in een wereld waarin dashboards steeds meer van hetzelfde bevestigen, waarin QR-codes opeens de bewegingsvrijheid van mensen kunnen bepalen en waarin apps mensen volgen. Kortom, we bevinden ons in een botsing tussen vrijheid en veiligheid.

Hoe de paradox van het in toom willen houden van dwang precies werkt, laat de filosoof echter in het midden. Tijdens de wereldwijde financiële crisis van 2008 waren het de nationale regeringen die ingrepen om banken te redden van hun teloorgang. De COVID-19-pandemie heeft de blijvende betekenis van de staat verder benadrukt. De opkomst van nationalisme en fascisme in verschillende landen geeft aan dat de staat niet alleen leeft, maar zich ook aanpast aan hedendaagse uitdagingen. In plaats van weg te kwijnen, zijn natie, staat, kapitaal en conflict steeds nauwer met elkaar verweven.

Er zijn helaas meer zaken die de auteur in het midden laat, zoals hoe deze fusie tussen natie, staat, kapitaal en conflict een herbeleving is van oude koloniale verhoudingen. Daarin ligt misschien de reden waarom Februari ervoor kiest het over klimaatrecht te hebben, maar niet over klimaatrechtvaardigheid. Hij beschouwt zijn boek – waarschijnlijk bewust van deze tekortkomingen – als een open bron:

Dit boek is een essay, een Versuch, zouden de oude filosofen zeggen, een kapstok om jassen aan op te hangen. Of, in modernere termen, een opensourcetekst, een programma waaraan je zelf kunt meeschrijven door het ene argument eruit te halen, en het andere argument ervoor in de plaats te zetten. Te veel kennis over de toekomst dreigt bij deskundigen en aan universiteiten te blijven hangen; ik denk dat het goed is die kennis daar op te halen en op tijd een publiek gesprek te voeren over de veranderingen die op ons afkomen.

Deze passage geeft het informele karakter van dit boek goed weer; een stijl die je als lezer heen en weer laat bewegen tussen de gedachte dat Februari een nonchalante filosoof is en de overtuiging dat er een strategie schuilt achter deze stijlkeuze. Tussen de hoofdstukken heeft Februari intermezzo’s geplaatst, drie in totaal. De drie ‘Intermezzo’s’ laten zien hoe zijn betoog persoonlijk wordt, waardoor zijn essay kwetsbaarder en verfijnder blijkt dan op het eerste gezicht.

Intermezzo 1: Hoe zeg je ‘eigenlijk’ in het computers?

Het eerste intermezzo eindigt met de vraag ‘Hoe zeg je “eigenlijk” in het computers?’ Deze vraag verwijst naar de uitdaging van het vertalen van complexe menselijke emoties, nuances en morele overpeinzingen naar een taal die computers kunnen begrijpen. Het woord ‘eigenlijk’ impliceert een zekere dubbelzinnigheid, die moeilijk te vangen is in de strikte logica en regels van computertaal of algoritmes. In de context van de tekst wordt benadrukt dat morele en ethische overwegingen voor technologieontwikkeling vaak niet zwart-wit zijn en dat ze afhankelijk zijn van context, interpretatie en menselijke ervaring.

Wat ging er ‘eigenlijk’ mis in de systeemlogica van Nederland bij de toeslagenaffaire? Waarom willen belangenbehartigers van de voormalige kolonies ‘eigenlijk’ herstelbetalingen? En begrijpt het huidige kabinet ‘eigenlijk’ wel wat ze verzoeken? Februari speelt in zijn schrijven met tempowisselingen. Er is iets bijzonders aan de kunst van het pauzeren, aan een onverwachte tussenstop nemen. In de introductie verwerkt hij deze nuances op een poëtische wijze in ‘ja, nee, ja’-, ‘of, nou ja’- en ‘misschien’-argumenten. Hij betoogt dat we juist nu, in dit digitale tijdperk, zelf weer de regie moeten nemen over wat ‘normaal’ is. Hiermee prikkelt hij de lezer om op een verfijnde wijze niet alleen na te denken over technologie, maar ook over hoe de maatschappelijke en politieke systemen die deze technologie vormgeven bepaalde grammatica selecteren om te automatiseren en andere uitsluiten.

Intermezzo 2: Inclusie voorbij de mens

In het tweede intermezzo bespreekt Februari ‘Post-Electoral Democracy’, een concept van de Spaanse filosoof Daniel Innerarity dat stelt dat democratie zich uitbreidt in drie dimensies: transnationaal, transgenerationeel en transecologisch. Een maatschappij voorbij de huidige democratie zou zich volgens Innerarity moeten uitbreiden voorbij de grenzen van het hier en nu. Ze zou rekening moeten houden met de belangen van degenen die nog niet geboren zijn, en zelfs van de aarde en haar ecosystemen. Kan het huidige politieke systeem nog wel democratisch worden genoemd als het deze dimensies uitsluit? Hoe kunnen we spreken over rechtvaardigheid als we de stemmen van de natuur en toekomstige generaties blijven negeren? En hoe maakt digitale technologie dit mogelijk?

Ik las dit intermezzo kort nadat ik de VN-toespraak van Mia Mottley, de premier van Barbados, zag. Februari legt net als Mottley bloot hoe onze huidige democratie faalt om op te komen voor de belangen van wie of wat nog geen stem heeft – of dat nu toekomstige generaties zijn, dieren, of de aarde zelf. Een echte postdemocratie zou pas ontstaan als data van ongeborenen en niet-menselijke soorten zelfstandig in de besluitvorming worden meegenomen. Dit zou leiden tot een ‘datacratie’ waarin de legitimiteit van macht ontbreekt. Februari lijkt achter de stelling van Innerarity te staan, vooral in de context van de uitbreiding van democratische beschouwing. Hij impliceert dat de representatieve democratie aangevuld moet worden met een deliberatieve democratie, een systeem waarin er meer ruimte is voor dialoog. Hij gebruikt voorbeelden als de Adviescommissie Burgerbetrokkenheid in Nederland, de Climate Assembly in het Verenigd Koninkrijk en de Burgerconventie voor het Klimaat in Frankrijk.

Februari laat overtuigend zien dat democratie geen neutraal systeem is en vaak bestaande machtsstructuren in stand houdt. Het politieke debat wordt gedomineerd door sommige groepen, terwijl stemmen voor klimaatrechtvaardigheid structureel minder gehoord worden. Hoewel zijn werk urgent is, had een bredere blik op alternatieve politieke structuren het betoog nog krachtiger kunnen maken.

Intermezzo 3: Een tijdperk van surveillance of symbiose?

In het derde intermezzo reflecteert Februari op zijn laatste bezoek aan de Biënnale van Venetië. Dat plande hij, in zijn woorden, ten goede van zijn geestelijke gezondheid. Tijdens het bezichtigen van de tentoonstellingen merkt hij op dat kunstenaars de mensheid continu wijzen op haar verbondenheid met andere levensvormen en de planeet, waarbij de mens minder centraal staat. Curator Cecilia Alemani stelt volgens Februari dat het voortbestaan van de mensheid bedreigd wordt en dat veel kunstenaars in hun werken een posthumane toekomst vormgeven waarin soorten symbiotisch vermengen. Hij waardeert deze holistische benadering, maar mist de erkenning van conflicten en de instituties die zijn ontstaan om deze aan te pakken. Hij stelt: ‘[D]e grote blauwdrukken beloven ons om het hardst een toekomst zonder conflicten: of het nu regimes zijn die met surveillance de misdaad uitbannen of kunstenaars die symbiose willen.’ De auteur bekritiseert in het tweede hoofdstuk vervolgens klimaat en milieusystemen:

Want waarom zou dit gebruik van een dashboard om de natuur te stroomlijnen niet net zo goed een geval van schromelijke zelfoverschatting zijn als de eerdere technocratische plannen? Wordt het belang van informele processen hier niet evenzeer over het hoofd gezien, het belang van belichaming, intuïties, ervaringen?

De autoritaire of controlegerichte systemen gebruiken de technologie en surveillance al om criminaliteit te bestrijden. De implicatie is dat door het constant in de gaten houden van mensen en het straffen van ongewenst gedrag conflicten en misdaad kunnen worden verminderd of geëlimineerd. Deze aanpak kan echter ook leiden tot een verlies van privacy en vrijheid en kan de onderliggende oorzaken van conflicten negeren. De bekende vraag van de Indiase literatuurtheoreticus Gayatri Spivak ‘Kan de ondergeschikte voor zichzelf spreken?’ galmde tijdens het lezen steeds weer door mijn hoofd. Wat is het in Februari’s schrijfstijl dat deze gedachte bij mij opwekte? Ja, we kunnen dromen van een wereld waarin mens en natuur, en mens en technologie in harmonie leven, maar wie bepaalt in die nieuwe wereld wie of wat een stem krijgt? Google, Meta, Microsoft en Salesforce hebben inmiddels een Symbiosis Coalition opgezet. Deze coalitie heeft al een markttoezegging van twintig miljoen ton om te investeren in de volgende generatie van wat zij ‘natuur-gebaseerde koolstofverwijderingsprojecten vóór 2030’ noemen, met zelfverklaarde positieve resultaten voor mens en planeet. Wat garandeert in dit project een andere stem? Is dit niet gewoon een herhaling van het oude, verpakt in een hippe artistieke naam? Wat voorkomt dat idealistische kunstinitiatieven worden overgenomen door de oude koloniale verwevenheid van natie, staat, kapitaal en conflict?

Trias filosofica

Februari opende zijn boek door het een ‘Versuch’ te noemen, een opensourcetekst in wording. Bij open source-ontwikkelingen symboliseren ‘updating,’ ‘forking’ en ‘branching’ het vermogen van de community om zich aan te passen, te innoveren en af ​​te wijken van het oorspronkelijke project. Ik sluit deze bespreking daarom af met zo’n ‘vertakking’. Februari stelt een tegenstelling vast tussen de ‘werkelijkheid die terugslaat’ en de ‘kunstmatigheid die oprukt’. Daarom vraag ik in mijn vertakking van Februari’s werk: heeft technologie ooit echt losgestaan van de mens en onze evolutionaire voorgangers?

De gedachtegoed van de Britse antropoloog en bioloog Jane Goodall, de Hongkongse filosoof Yuk Hui en anderen doet mij die vraag negatief beantwoorden. Hoewel andere diersoorten werktuigen gebruiken, zoals het werk van Goodall over chimpansees in de jaren zestig bewees, onderscheidt de mens zich met het vermogen om geleidelijk van eenvoudige naar complexe collectieve systemen toe te werken. Hui moedigt ons aan om verder te kijken dan een universele relatie tussen mens en technologie. Hij voegt niet-westerse ideeën, zoals Chinese kosmologie, toe aan het technologiedebat en opent daarmee een breder gesprek over de relatie tussen de binnenwereld van mensen, technologie en lokale ecologie, die hij ‘technosymbiose’ noemt. In zijn nieuwste werk, Machine and Sovereignty (2024), spreekt hij over een nieuw filosofisch traktaat dat afwijkt van eerdere politieke bewegingen door technologie te positioneren als een actieve deelnemer in het vormgeven van politieke realiteiten en door de nadruk te leggen op de noodzaak van een genuanceerd begrip van soevereiniteit in het tijdperk van AI en data. De kunstmatige wereld waar Februari over spreekt en de werkelijkheid die daarop reageert, vormen samen een symbiose die we zelf hebben gecreëerd sinds het modernisme, met de koloniale schade aan mens en natuur tot gevolg. De kern van Hui’s technologiekritiek is een ontregeling van het lineaire en modernistische gedachtegoed over vooruitgang, die kennis en kunde uit het Westen vooropstelt.

Maar wat maakt dan de rol van technologie in deze tijd urgenter dan voorheen? Februari’s intermezzo’s bieden een strategie voor diepere betrokkenheid. Als rechtsfilosoof had ik echter meer juridische handvatten verwacht. In zijn persoonlijke intermezzo’s benadrukt de auteur het belang van reflectie en geheugen. Het is niet voor niks dat Februari een hoofdstuk wijdt aan ‘haast en dwang’. Stel je voor: het is een drukke werkdag, je bent omgeven door schermen en meldingen, je voelt je voortdurend gepusht om efficiënter te zijn, sneller, productiever. Kunnen juist hier de onverwachte pauzemomenten een revolutie zijn? Als Februari echt gelooft dat we ruimte moeten behouden voor menselijke moraal en voor ethische discussies die niet passen in de kaders van een algoritme, dan dient de rechtstaat vast te houden aan het onvoorspelbare, het onmeetbare. Iedereen zou in zekere zin een filosoof moeten zijn. Sinds de komst van slimme zoekmachines en taalmodellen zoals ChatGPT zouden we allemaal moeten leren om beter te worden in het stellen van vragen.

Met de haast en dwang van de technologie om tot ‘het concrete’ te komen, is de trias politica gevangen in het operationeel en reactief besturen, een platte scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Is een aanvullende trias filosofica ondenkbaar? Dit lijkt een kleine stap, maar ‘eigenlijk’ is het een beetje rebels. Met een trias filosofica zou de verdeling van macht niet alleen functioneren als een systeem van checks and balances tussen de drie machten, maar zou die ook gefundeerd zijn op een diepere reflectie op ethiek (wat is rechtvaardig?), kennis (wat is ware kennis?) en het bestaan (wat betekent het om deel uit te maken van een gedeelde wereld, voorbij de dwang van mensgedreven kolonialistische technologie?). Ik denk hierbij aan platformen die online beraadslaging en stemmen faciliteren, die inclusievere deelname aan politieke processen mogelijk maken, waardoor diverse stemmen gehoord kunnen worden en de concentratie van macht in de handen van enkelen wordt verminderd. Denk aan lokale initiatieven die gemeenschappen in staat stellen hun eigen internetinfrastructuur te creëren, waardoor ze toegang krijgen tot informatie en communicatie zonder dat grote techbedrijven deze filteren of censureren. Ik denk ook aan het internet-der-dingen dat stem geeft aan de ecologie. Kortom, vertraagt Februari genoeg in Doe zelf normaal? Misschien is de mogelijkheid om jezelf te onttrekken aan de haast en dwang om deze vraagstukken uit te werken juist de ruimte waarin wij onze menselijke vrijheid terugkrijgen.

 

Een recensie door Juan-Carlos Goilo over Doe zelf normaal. Menselijk recht in tijden van datasturing en natuurgeweld van Maxim Februari.

Prometheus, Amsterdam, 2023
ISBN 978 90 446 5085 3
143p.

Geplaatst op 28/03/2025

Tags: AI, algoritmes, Big Data, ChatGPT, Klimaat, Klimaatcrisis, Klimaatverandering, Maxim Februari, Technologie

Categorie: Non-fictie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.