Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Vanuit haar atelier op Ruigoord, werkend aan beeldende kunst en beeldende poëzie, waarin ze onderzoek doet naar het zijn en het zelf, slingerde Roberta Petzoldt in 2019 haar debuut Vruchtwaterlinie de wereld in. Dat debuut werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Het vervolg op dat succes dient zich nu aan met haar nieuwste bundel Zeebeving (2025). Petzoldt trekt de lezers mee in kritische beschouwingen op de wereld en het eigen handelen. Dat doet ze met bravoure en herkenbare beelden, eigenschappen die we kennen uit haar eerste bundel. De dichter staat stil bij kleine momenten van verwondering, rouw en vervreemding.
In veel gedichten wordt de menselijke drang om alles in taalregisters en ideeën te vangen, aangewezen als veroorzaker van enig ongemak: ‘We noemden vooruitgang staal en zogen bloed uit de aarde’. Er is onbegrip en paniek om de grote problematiek in de wereld, waaraan de dichter ook op microniveau niet kan ontsnappen. Zo verspringt Petzoldt binnen één gedicht van ‘Ik sta bij de rivier die alles begraaft // Mijn lippen spelen voor mooi meisje / fossiele brandstof wordt opgestookt / door de oorlog in mijn hoofd’ naar ‘precisiebombardementen in de Bermudadriehoek’ en ‘Ik ben het verdriet dat me anders maakt’.
De dichter wapent zich tegen dit gevoel van onmacht door op de wereld om haar heen te reflecteren en deze uiteindelijk te laten vervreemden: ‘Eenzaamheid is een cel. De eerste keer dat ik gevangen zat wist ik met / mijn humor te ontkomen […]’, gevolgd door ‘Ik zag hoe grappig mijn positie was: Ik, een / dier, een kooi van glas en de ramenlappers die mijn jeugd beklaagden’.
De natuur bekleedt in veel van Petzoldts observaties een grote rol. Daarbij heeft de dichter oog voor de sporen die mensen en hun herinneringen achter hebben gelaten in de natuur. In het gedicht ‘strobreed’ reflecteert de dichter via een dijk waar ze naar ‘Schotse hooglanders’ kijkt op een jeugdherinnering: ‘verknipte laagland / snipper dijk langs de snijlijn van de snelweg […] De economie was op vakantie / ik slenterde in het stille binnenland / door een eindeloze zomer’. Petzoldt laat de dijk niet alleen als fysieke scheiding in het land fungeren, maar ook als splitsing tussen heden en verleden. Zowel het landschap als de dieren worden in Zeebeving veelvuldig als reflectie instrument ingezet. Zo lezen we over ‘een mot met een enkele voelspriet’ die over kampeerproducten loopt. ‘Wat hoopt hij te vinden met die antenne die hij in zijn toekomst steekt / waarom die onstilbare honger naar licht / als je ’s nachts leeft?’
In Petzoldts reflecties zijn een hoge mate van ambivalentie en surrealisme aanwezig, zowel in strofevorm als inhoud, waardoor verwondering en een zeker gevoel van futiliteit elkaar in razendsnel tempo afwisselen. De dichter verplaatst zich hierin telkens van beschouwing in de buitenwereld naar resonantie in de binnenwereld: ‘Tussen het on-kruid plantte ik bloemen maar de bijen / lusten alleen de wilde. / Ben ik het on-mens gekweekt onder LED-licht / of de wilde, geboren uit het verlangen van mijn moeder?’
Zeebeving is opgedeeld in drie segmenten. Het is een rappe vertelling van zowel klassieke strofen als pagina’s die uitwaaieren vol komma’s waarin Petzoldt grote vragen tot een zekere relativiteit reduceert. Daardoor lijkt de drang naar antwoorden overbodig te worden.
Zo blijkt uit het gedicht ‘oversteek’, gedrukt op een grijze pagina en aan weerszijden afgeschermd door volledig zwarte bladzijden. Het gedicht fungeert niet alleen als oversteek naar het laatste segment van de bundel, maar valt symbolisch met de inhoud samen. Aan deze oversteek gaat de reeks gedichten ‘nomina numina’ vooraf, die een titel draagt waarin de kracht van naamgeving en taal doorschemert. Deze gedichten bouwen op naar een ‘zeebeving’. Ondanks het geringe woordenaantal dat Petzoldt aan deze beving toeschrijft, krijgt ze een mythische, onheilspellende gedaante: ‘Zeebeving. / Lengtekrimp. / Kan iemand voorspellen op welke stippels aarde de regen vallen zal?’
Kan de mens voorspellen wat er nu gaat komen? Een vraag die des te sterker op de achtergrond aanwezig is dankzij de openingsstrofe van ‘nomina numina’: ‘De schepping begon met een daad van ongehoorzaamheid / we vielen uit de kop van de kosmos / metoorregen bevruchtte de aarde.’. Het idee voorbestemd te zijn voor een groter iets staat hier op gespannen voet met het idee dat ons bestaan puur op kans is gebaseerd. Deze scheiding tussen het idee van een lotsbestemming en de zintuigelijke ervaring van een wereld die uit chaos lijkt te bestaan, veroorzaakt zinloosheid en verwarring. Deze gevoelens laat Petzoldt in veel gedichten terugkomen.
In het laatste segment omschrijft Petzoldt, nog steeds met veel vragen, een wereldbeeld dat zowel genadeloos hard is als op momenten melancholisch en romantisch:
‘Wat ik zittend, in mijn twintig procent vastigheid
dacht
was
dat
de branding – het uitstorten van zelf in zelf, het overmeesteren van
eigen lichaam, overgave en overmacht, het terugsluipen van de verne-
derlaagde om zich op te richten in een wie het laatst lacht… en in het
lachsalvo zichzelf weer uitlacht, kleine schijnbeweging van een golf in
de nacht, beantwoord door de bergen.’
Op alle vragen die de dichter hardop stelt in de bundel, komt geen antwoord. De ene vraag is wat sterker dan de andere. ‘[…] Halen wij het beste uit/ onszelf of halen we het luidste uit onszelf?’ voelt onnodig dichotomisch. Petzoldt is op haar sterkst wanneer ze inzet op vervreemding en surrealisme, wat zowel tot komische momenten, als gitzwarte beschouwingen kan leiden. Zo overpeinst Petzoldt in het gedicht ‘Ploumanac’h’ verschillende woordkeuzes voor een gedicht, maar komt er maar niet uit. Daardoor rijst het beeld op van de dichter als huichelaar, een lange lijn mensen die – lomp gezegd – ook geen snars verstand hebben van het leven: ‘en Pablo Neruda heeft het vast allemaal al gezegd / maar hij is dood / en ik leef en de oceaan leeft nog steeds’.
Niet alle gedichten komen even goed uit de verf. Soms kiest Petzoldt voor nogal pompeuze taal in voorspelbare combinaties. Dat voelt misplaats ten opzichte van de felle en weloverwogen taal uit de rest van de bundel. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘wat doe ik hier’: ‘in het schaakspel van de wereldmacht’ en ‘zalig gemaakt kanonnenvlees / voor de watertandende wapenindustrie’ is in veel opzichten te makkelijk gekozen. Dat staat in schril contrast met het gedicht ‘Roadkill’, waar Petzoldt wel haar dichterlijke kracht toont: direct, fel, op momenten clichématig, maar met een stevige ondertoon van rouw en strijdbaarheid:
‘Er zullen mensen mij ontleden in de woorden die ik schrijf en in waar-
om ik nu het nu kies. Er zal een boterham in mij verteren die nog niet
gedorst is, waarvan de aren nog niet gegolfd hebben in de zon. Dan zal
een fazant sterven die ik door het weiland zag waden en me hoop gaf,
ik zal hem oppakken en zien dat zijn veren een Europees pauwenkleed
weven en schreeuwen zoals ik krijste toen ik uit de bus stapte en ik
hoorde dat een man met wie ik ooit samen sliep nooit meer was, maar
eigenlijk gilde om mijn vader die niet van de trap viel, maar net als zijn
broer voor de wc inzakte en as werd’
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.