Poëzie, Recensies

Blik en woorden

Vruchtwatervuurlinie

Roberta Petzoldt

In 2019 wordt de C. Buddingh’-prijs gewonnen door een actrice, een performer, een beeldend kunstenaar en een dichter. Roberta Petzoldt (1984) leerde op de Gerrit Rietveldacademie hoe ze in die hoedanigheden de wereld op verschillende manieren kan verkennen en vormgeven. Die perspectieven komen samen in de poëziebundel Vruchtwatervuurlinie. Spiedend en spottend ontdekt de lezer in die debuutbundel nieuwe bewegingen en geluiden, echo’s van artistieke en filosofische voorgangers, sporen van voorouders én de eigenzinnige taal van een dichter in vervoering.

Een spiedende dichter

Petzoldt begint een gedicht zoals ze op een podium stapt: in opperste concentratie, om iets te communiceren wat ze zelf nog moet ontdekken. Het komt erop aan om de controle los te laten en zich open te stellen voor indrukken en gedachten. Net die overgave brengt Petzoldt van het podium naar haar gedichten. In Vruchtwatervuurlinie lezen we hoe ze zich daarvoor door verschillende waarnemers laat inspireren. Van de Nederlandse kunstschilder Hendrik Willem Mesdag leert ze bijvoorbeeld om vol verwondering naar de wereld te kijken. Naar hem vernoemt ze het gedicht ‘Mesdag’. Terwijl de titel de bekende schilder openlijk noemt, verbergt het lyrisch ik zich:

Vandaag loerde ik door een gluurspleet van een vogelhut

vergaapte me aan badderende rotganzen

roddelend over de lente.

Deze spiedende spreker neemt geregeld het woord in Vruchtwatervuurlinie. Ze stelt haar schildersezel niet op in een open veld van waar ze het landschap met precisie vastlegt, maar bekijkt de wereld door een omgekeerd canvas, een vierkant gat uit een krant: ‘Met een stanleymes snij ik een moment uit / de krant van 2 bij 3,6 cm / er staat een stuk wang op en een zin over problemen’. De spreker kijkt niet naar de gebeurtenis die journalisten vastleggen, maar naar wat daar buiten valt. Om dat gade te slaan, verbergt ze zich in tulpenbollen, vogelhutten, achter kranten of bedampte ramen.

Ze gluurt naar een werkelijkheid die ze slechts gedeeltelijk begrijpt. Die natuurlijke wereld beweegt immers anders dan de stad die ze zo goed kent. In ‘Dagdelingen 1’ lezen we bijvoorbeeld hoe de natuur naar boven groeit (‘wolkopgang’), terwijl de mens de grond ingezogen wordt: ‘Bij de luchthaven gaan we de grond in’. ‘Krantenkop’ beschrijft dan weer hoe de neerwaartse bewegingen van de stad (‘diagonale lichtstroken van straatlantaarns, regen, rolluiken’) op een gebogen straatveger neerkomen. De rollen van observator en waargenomene zijn in de stad omgedraaid. De observatoren in de stad zijn geometrische lichamen of ‘bakstenen oksels’ wier blikken zo zwaar op de mens wegen dat ‘stijgen vallen is’. De stad krijgt een lichaam, de stedeling buigt en breekt: ‘De man in het oranje latex pak houdt zijn hoofd gebroken’. Petzoldt benadrukt hier niet alleen de onderdrukking van de stedeling, ze wijst ook een mogelijke oorzaak van diens onmacht aan: de gebogen stadswerker heeft zich het hoofd gebroken over een manier om uit de greep van de stad te ontsnappen, maar dat denkwerk heeft hem gekrenkt:

De straatveger

de bladeren waarop hij wacht

logisch dat hij lacht, waar stijgen vallen is

wordt vliegen net zoiets als huilen.

Omdat denken geen zingeving met zich meebrengt, vervangt Petzoldt Descartes’ dogma ‘ik denk dus ik ben’ door ‘ik staar dus ik ontsta’. Dat staren lijkt passief, maar het wijst vooral op een onbevooroordeelde ontvankelijkheid.

De wereld die Petzoldt in Vruchtwatervuurlinie wil ontdekken beweegt niet alleen anders, ze klinkt ook anders. Daarom neemt ze ook een voorbeeld aan de vogelspotter, die vooral op vogelgeluid afgaat. De spreker luistert naar roddelende ganzen, kraaien, zwanen en leeuweriken. De taal van vogels (en van de natuur in het algemeen) bevat meer tekens dan mensentaal. Ze is klankrijker dan de beregelde taal van de stadsmens, maar ook dubbelzinnig. Het gedicht ‘FAILURE NOTICE – HERRIJZENIS Ø’, dat schuin over de bladspiegel staat, allerhande klankspelletjes bevat en bol staat met iconen, pijltjes en cijfers, eindigt bijvoorbeeld met ‘>>>>>>>>>>vogelezang<<<<<<<<<<’. In die regel resoneert het woord ‘zwanenzang’, maar de titel verwijst naar de herrijzende feniks. De ‘vogelezang’ in het meest experimentele gedicht van Vruchtwatervuurlinie verwijst dus zowel naar een einde als naar een nieuw begin.

Om opnieuw te beginnen, breekt de dichter niet volledig met haar verleden. In plaats daarvan steunt ze op de verwezenlijkingen van voorgangers. Een andere zangvogel zinspeelt op die voorgeschiedenis. De ‘vogelezang’ kan immers ook afkomstig zijn van de leeuwerik die zingt bij zonsopkomst. Sinds de tijd van de troubadours staat hij symbool voor het aanbreken van een nieuwe dag. In het gedicht ‘Ik zou willen dichten over een leeuwerik’ verbindt Petzoldt de vogel met de anxiety of influence, of de wil om iets oorspronkelijks te creëren terwijl alles al gezegd lijkt: ‘Maar hoe dicht ik over een vogel / die zo vaak is bezongen. / Wiens lied altijd hoger vliegt / en me woordeloos heeft doordrongen’. De ‘vogelzang’ alludeert in dat opzicht op een ambigue ontwikkeling waarbij de zwanenzang van de ene dichter de volgende inspireert, maar ook grenzen oplegt.

Inspiratie en restrictie

In Vruchtwatervuurlinie komt die botsing tussen inspiratie en restrictie zowel formeel als thematisch tot uiting. Dat zien we bijvoorbeeld in een gedicht als ‘Bidden’. De titel kunnen we op verschillende manieren lezen. Enerzijds aanbidt de nieuwe dichter haar inspirerende voorgangers. Anderzijds is het gedicht een smeekbede voor erkenning. Verder kan het ‘bidden’ wijzen op een rooftechniek waarbij roofvogels hoog in de lucht stilhangen om een prooi te spotten. De titel alludeert dus ook op de wil van de dichter om iets te veroveren. De tweede en derde strofe gaan als volgt:

Samen met de zwanen keren in dit gedicht een aantal inspirerende voorgangers terug. De eerste hier geciteerde strofe bevat een knipoog naar schrijvers (‘zwanen[zang]’ en ‘pennen’), maar ook naar ‘Het schrijverke’ van Guido Gezelle, waarin de Vlaamse priester-dichter in een muzikale taal de lof voor de natuur verbindt met de liefde voor God. Ook de schilder is hier niet afwezig. Met regels als ‘wit op water, wit op groen / zwart op lucht’ evoceert Petzoldt een mondriaanachtig beeld waarbij monochrome vlakken zonder overgang naast elkaar staan. Het vloeiende van de natuur en het strakke van de stad komen hier samen, maar de spreker kan die twee bewegingen niet controleren: in de tweede strofe vliegen de zwanen (voorbeeld en studieobject) uit het zicht. Die klap-wiekstrofe herinnert bovendien aan Paul Van Ostaijens ‘Boem Paukeslag’. Van de Vlaamse avant-gardedichter leert Petzoldt spelen met typografie, maar waar Van Ostaijen de stad centraal stelt, bekijkt Petzoldt de natuur.

De bladspiegel doet ook denken aan Stéphane Mallarmés Un Coup de Dés (1914). Een andere overeenkomst met dat gedicht is de beslissende rol van het toeval, dat in Vruchtwatervuurlinie voortdurend onder de aandacht wordt gebracht. Stijlfiguren onderstrepen bijvoorbeeld de waarde van toeval. De apokoinou, waarbij het laatste woord van een regel ook bij de volgende regel hoort, komt vaak voor. In de volgende regels benadrukt die stijlfiguur bijvoorbeeld het belang van het onverwachte en de illusie dat alleen een actieve zoektocht tot inzicht leidt: ‘De tocht die langs mijn handen grijpt / de vergissing die ik opzoek’. Verder wijst ook het ritme van Petzoldts poëzie op de kracht van toeval. Sommige gedichten hebben een vloeiend ritme dat steunt op enjambement, assonanties en alliteraties. Zulke gedichten hebben veel weg van Van Ostaijens organisch expressionisme en zijn ‘Melopee’. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de regels: ‘zon valt klatergoud / op de door de wind voortgejaagde / rivier’. Soms is het ritme drammerig, bijvoorbeeld door de herhaling van korte regels, woorden of klanken:

Ik wil

niet aan de rails geklonken

of door asfalt in een richting gedreven.

Ik wil

zonder vliegtuig de wolken raken

bewegen door

een getraind gevoel voor humor

en een eenzame logica.

De cadans in zulke strofes herinnert aan de Amerikaanse beatdichters, onder wie Jack Kerouac, naar wie Petzoldt opnieuw expliciet verwijst: ‘Het licht dat van het filmdoek straalt / valt in mijn schoot waar de beat herhaalt: Voel me, zoek me, verdiep – blijf hangen’. Kerouacs On the road (1957) schemert ook thematisch door in gedichten over reizen. ‘Goede reis’ vergelijkt een ziekenhuisopname bijvoorbeeld met een treinreis die het lyrisch ik niet vooruit, maar wel terug in de tijd stuurt:

Een verdieping lager zit een vrouw in haar rolstoel

naar herhalingen te kijken.

De anderen zijn hulp gaan halen.

De stoptrein die sneller optrok halen we weer in.

Alle ganglichten in een torenflat branden met

benauwde nauwkeurigheid.

Samen vormen ze het raster van de rekenboekjes

die me bevreesde aan het einde van de zomer

alsof ik mijn eigen tralies weer kocht.

Een veelbelovende reis (naar genezing of van zelfontwikkeling) eindigt dus in een beklemmend verleden. De gelijkenis met Kerouacs roman is treffend. Of moeten we het dichter bij huis zoeken en zijn de reizen van de spreker en haar reisgezellen – onbekende treinreizigers, Amerikaanse lifters, (spring)soldaten, (ex-)geliefden, schoonmakers, een broer – een vervolg op Nijhoffs Awater (1934)?

Het mag geen verrassing heten dat verschillende literaire invloeden zich in elkaar verstrengelen in Vruchtwatervuurlinie. Zoals gezegd treedt Petzoldt niet zomaar in de voetsporen van haar voorgangers. Hun voorbeelden dienen slechts als opstapje om van daaruit nieuwe dingen te ontdekken. We kunnen hier denken aan Van Ostaijens lyrisme a theme: Petzoldts voorgangers reiken de perspectieven en thema’s aan waarop ze vrij associeert. Dat uit zich in een associatieve taal en in terugkerende isotopieën. Een centraal thema is afkomst, die wordt voorgesteld als een balans tussen fatalisme en existentialisme.

Met haar verwijzingen naar voorgangers toont Petzoldt dat dichters gevormd worden door wie hen voorging, maar die ontwikkeling is geen determinisme. Expliciete herschrijvingen of impliciete knipogen bewijzen een kennis van grote dichters en invloedrijke denkers. Met zulke literaire bewijsstukken lijkt de dichter de lezer van haar dichterschap te willen overtuigen. Immers: ‘we tellen de tanden van de ketting van de voorkomeling’. Wie via telbare punten op een navelstreng als nakomeling van grote dichters herkend kan worden, zou zich ongetwijfeld dichter mogen noemen. Petzoldt dicht echter noch voor de gratie van de lezer, noch om grote voorbeelden te imiteren of te overtreffen. Dichters die zulke doelen nastreven, hebben slechts het voorkomen van een dichter. Petzoldt staat op de schouders van haar voorgangers om een andere blik op de wereld te werpen.

Verre voorgangers en een levende taal

Het lyrisch ik in Vruchtwatervuurlinie probeert ook zichzelf en haar verleden te kennen door ze te verbinden met een algemene historiek, een collectief geheugen. Dat lezen we bijvoorbeeld in ‘Pixel-perspectief’, dat begint met een repetitio die doet denken aan Camperts ‘Iemand stelt de vraag’. Petzoldt begint bij een onbepaald iemand die gevormd wordt door wat wordt gezegd en wat wordt verzwegen. Variërend op dat thema en ritme verbindt ze ‘iemand’ zowel met persoonlijke herinneringen (‘Iemand springt van een Kroatische rots af, weet hoe het water voelt’) als met gedeelde verhalen, zoals de mythe van Aigeus (‘Iemand stort zich in de Egeïsche Zee omdat hij zwarte zeilen ziet’). De botsende invullingen benadrukken het belang van waarnemingen, voorspelbaarheid en vergissingen.

Voor Petzoldt, die Nederlandse en Surinaamse, maar ook Braziliaans-Indiaanse, Joods-Portugese en Indonesische roots heeft, zijn die voorgangers niet alleen literaire voorbeelden, maar ook voorouders uit verschillende oorden. Ze zetten de grenzen af waartussen iemand zich kan bewegen. De geschiedenis herhaalt zich, maar die herhaling laat ook ruimte voor verandering. In ‘Pretpark’ wordt het voorspelbare gezinsleven bijvoorbeeld met een kermis vergeleken. Spookhuizen zijn vertrouwd in plaats van griezelig en de ronddraaiende carrousels zetten de indruk dat het leven in cirkels draait kracht bij. De laatste regel alludeert op een uitweg uit die fantasieloze herhaling: ‘Het kind begon iets in een lege patat zak te zien’ houdt een belofte in. Wie gewone dingen met de ongedwongen blik van een kind bekijkt, kan tot nieuwe inzichten komen.

Het is aan de nakomeling om de geschiedenis in een nieuw licht te bekijken, al is dat een confronterende onderneming waarbij respect voor het oude en openheid voor het nieuwe tegen elkaar afgewogen moeten worden. In het gedicht ‘Mango’ blijken die grenzen zowel de rivieren op een landkaart, de lijnen in een handpalm als de lenzen waardoor we de wereld bekijken:

De Amstel wentelt zich in een Indiase tongval

doet de kleuren van de zachte liefde na.

In mijn handpalmen lees ik een delta

waarlangs knikkers rollen

die ik niet in durf te zetten.

Niet durf te denken aan ze

bang dat ze verdwijnen

onder het gewicht van mijn blik.

Maar soms houd ik ze tegen het licht

pas de glazen bolletjes op de zon.

Eeuwigheid kan alleen in begrenzing

gevoeld worden.

Grenzen zijn een manier om iets af te bakenen en te begrijpen, maar ook een uitnodiging om die afbakening af te tasten en verder te ontdekken. In Vruchtwatervuurlinie hebben woorden dezelfde functie. Doorgaans dienen woorden om iets (een moment, een indruk, een herinnering) te vatten. Petzoldt reflecteert op die toepassing en komt tot de conclusie dat woorden daarvoor niet geschikt zijn. Vruchtwatervuurlinie toont dan ook dat aan de taal iets ontsnapt: ‘de woorden, werden blikken van verloor’. Woorden zijn als blikken doosjes. Ze bevatten niet wat je waarneemt, maar wel datgene wat je verliest terwijl je kijkt en spreekt. Woorden vallen noch samen met de werkelijkheid, noch met gedachten of droombeelden. Ze springen als zelfmoordenaars uit de ramen van een huis of de gedachten van een denker:

Gedachten die ik niet kan plaatsen, verschijnen

in een huis, het huis staat in de nacht op uit mijn kussen.

Vierkante woorden springen het raam uit, de sfeer van zware metalen

een traptree doet zich als verdieping voor.

Zodra woorden worden uitgesproken of op papier terecht komen, verliezen ze een deel van hun levendigheid. De vierkante vorm die ze achterlaten lijkt dan meer op een krijtlijn die de contouren van een lijk aanduidt op de plaats delict, dan op een vitaal lichaam. Zulke vierkante woorden komen overeen met pixels die een moment laten ontsnappen in plaats van het vast te leggen: ‘mensen die hun betekenis verliezen / vind ik terug als dorre punten in mijn tijdslijn / ik zal altijd leven met rouwranden en / een grove pixel in mijn huid’. Zoals de spreker de wereld bekijkt door omgekeerde canvassen, zo zoekt die omgekeerde woorden die een wereld kunnen vatten die constant in beweging is. Petzoldts bundel barst dan ook van de neologismen, die nieuwe aspecten van de werkelijkheid zichtbaar maken. In de regels ‘Met mitrailleur en gezinsbewind / viert het volk hun lidmaatschap op de onbepaalde tijd’, presenteert ‘gezinsbewind’ het gezinsleven als een drukkingsmiddel. De autoriteiten voeren een subtiel schrikbewind, waarbij burgers in het gareel worden gehouden door de angst om geen lid te mogen worden van de samenleving.

Vervoering, geweld en geboorte

Dat doordachte woordgebruik wekt de indruk dat Petzoldt de taal naar haar hand weet te zetten. Echter, de juiste woorden dienen zich pas aan wanneer de dichter ontvankelijk is voor nieuwe indrukken. Het neologisme ‘Tijdsverstrijk’ – de titel van een gedicht dat gelezen kan worden als een (afgedwongen?) belofte om handelingen te herhalen – zinspeelt bijvoorbeeld op de illusie dat tijd controleerbaar is. In tegenstelling tot wat de gangbare term ‘tijdverdrijf’ suggereert, kan tijd niet verdreven worden. Het beste wat de dichter kan doen is het verstrijken van de tijd beschrijven met woorden die spontaan in haar opkomen, als waren het impressionistische verfstroken. Net daarom is Petzoldts poëzie het sterkste wanneer ze de controle over de taal loslaat. De indrukken van de gluurder en de klanken van de dichter vloeien ongehinderd in elkaar over in strofes als de beginstrofe van ‘Zonder jas’:

De vlucht van een rat

het park met de bomen

de bomen met de lichtjes

de lichtjes in een slinger

als een slang door de bomen

van het park.

Een enkele keer lukt het Petzoldt in Vruchtwatervuurlinie niet om de teugels los te laten. Wanneer ze aan de taal nieuwe tekens toevoegt, krijgt haar poëzie iets gekunstelds: ‘Ik adem \/’. Ook geforceerde assonanties en alliteraties (‘lippen kussen kissen klakken likken drammen’) of doorzichtige vergelijkingen (bijvoorbeeld de voorstelling van tijd als druppels die het ik afglijden onder de douche) doen de spontaneïteit teniet die haar poëzie normaliter karakteriseert. Op die momenten slaagt ze er niet om de lezer te vervoeren, of – zoals ze het zelf verwoordt – het publiek mee te nemen op een ‘trance-opwekkende reis’. Die trance is volgens mij de ultieme drijfveer van Petzoldts poëzie, performances en schilderijen.

Jeroen Dera herkent in Vruchtwatervuurlinie een ander soort vrijheid. Hij stelt dat het lyrisch ik zich probeert los te maken van het geweld dat haar ‘van in de baarmoeder’ wordt aangedaan. Volgens hem ligt ‘in het schrijven de mogelijkheid aan de vuurlinie te ontsnappen, maar Petzoldt heeft nog nood aan evenwicht’. Ik betwijfel echter of Petzoldt de vuurlinie zou ontsnappen als ze er de kans toe kreeg. Net in de vuurlinie, waar geweld en vernieuwing, determinering en inspiratie met elkaar botsen, ontdekt Petzoldt nieuwe aspecten van de wereld en zichzelf. Waar Petzoldt volgens Dera ‘de meeste […] vrijheid [op]eist […] als zij de taal naar haar hand weet te zetten’, benadert ze die vrijheid mijns inziens het meest wanneer ze zich overgeeft aan indrukken en de taal die daaruit voorkomt.

Het omslagbeeld van Vruchtwatervuurlinie, een schilderij van Petzoldt, verraadt die overgave. Het is geen illustratie bij de gedichten, maar ademt dezelfde sfeer uit. Een momentopname van Biesbosch en de Amercentrale, die bijna in impressionistische penseelstroken is weergegeven, heeft een mysterieuze aanblik. Donkere toetsen (een wolk, een zwarte rookpluim, een zwarte horizon) zorgen zelfs voor een onheilspellende noot. Blote benen in een bootje temperen het overweldigende karakter van het landschap, maar deze persoon maakt het beeld nog raadselachtiger. Gaat het om de benen van een vakantieganger die languit van de rust geniet? Of zijn het de benen van een uitgeputte reiziger? Misschien hebben we wel met een lijk te maken. We kunnen het beeld met de dood verbinden, maar evengoed met nieuw leven. De houding van de onbekende doet immers aan een bevalling denken. Geboorte en gevaar, vruchtwater en vuurlinie, zijn in de beelden en in de poëzie van Petzoldt onnavolgbaar met elkaar verbonden.

Deze recensie door Nele Janssens over Vruchtwatervuurlinie van Roberta Petzoldt werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV).

Van Oorschot, Amsterdam, 2019
ISBN 9789028282469
64p.

Geplaatst op 07/02/2021

Tags: Nele Janssens, Roberta Petzoldt

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.