Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Margot Dijkgraaf (1960) studeerde onder andere af als francisante en publiceerde – opnieuw onder andere – diverse werken over Franse literatuur en cultuur. Ze tekent met haar meest recente boek voor de voor zover ik zie eerste Nederlandstalige biografie van Germaine de Staël (1766-1817).
Germaine was, naast Chateaubriand, de belangrijkste Franse auteur van de eeuwwende 1800. Ze nam met haar De la Littérature considérée dans ses rapports avec les institutions sociales (1800) een voorschot op de moderne literatuursociologie en vulgariseerde met De l’Allemagne (1813) de Duitse Romantiek voor heel Europa. Haar romans Delphine (1802) en Corinne ou l’Italie (1807) waren bestsellers en gingen over gender: ze brachten indringende analyses van de vele obstakels waar vrouwen ook na de Revolutie en haar Vrijheid op bleven botsen. Twee andere belangrijke werken verschenen postuum. Haar Considérations sur la Révolution française (1818) waren een indrukwekkende en vroege poging die Revolutie en het Keizerrijk waar ze enigszins paradoxaal op uitliep te duiden. Drie jaar later volgde er nog een onafgewerkt autobiografisch fragment, Dix années d’exil, volgens Dijkgraaf ‘haar majeure werk’. Daar kan je uiteraard over discussiëren, maar ze heeft alleszins gelijk als ze aangeeft dat het ‘nog steeds heerlijk om lezen is’.
Germaine publiceerde daarnaast nog een set andere korte en soms minder korte werken, samen meer dan genoeg om een studieus mensenleven te vullen. Het was voor haar niet genoeg: ze was ook een van de belangrijkste salonnières van haar tijd. Ze was opgegroeid in het salon dat haar moeder geopend had om de carrière van haar man te steunen: Jacques Necker was een schatrijke Zwitserse bankier en werd een van de laatste ministers van Lodewijk XVI. Germaine zat er vanaf haar vijf jaar op een discreet klapstoeltje naast haar moeder en zag ongeveer de hele late Franse Verlichting langskomen. Na haar huwelijk opende ze zelf een salon, waar ze overigens, anders dan haar moeder, niet alleen als gastvrouw optrad, maar ook zelf aan de discussies deelnam. Ze ontving er diverse tenoren van de Franse Revolutie, zodat ook haar salon nu een tijd lang een springplank werd voor allerlei carrières. Dat veranderde na 1800 omdat de toon er, toen Napoleon steeds meer macht kreeg, uitgesproken liberaal bleef. Germaine werd al vlug uit Parijs en later uit heel Frankrijk verbannen en zou er pas kunnen terugkeren toen Napoleon op zijn beurt naar Elba vertrok. Ze was al die tijd met veel weerklank oppositie blijven voeren. De keizer zou ooit, op het toppunt van zijn macht, gezegd hebben dat hij maar drie vijanden had: Rusland, Engeland en Mme de Staël…
Ze vond daarnaast ook nog tijd voor een turbulent privéleven. Haar huwelijk met de Zweedse ambassadeur Erik Magnus de Staël was door haar ouders gearrangeerd en werd geen succes. Ze beleefde daarna veel amoureuze vriendschappen, waarvan haar relatie met Benjamin Constant de meest bekende bleef. Het waren keer op keer stormachtige verbintenissen, die nooit voor duurzaam geluk zorgden: Germaine was een veeleisende vrouw en haar minnaars verwachtten van haar dikwijls meer discretie of onderdanigheid dan ze bereid of met haar vrijgevochten temperament zelfs maar in staat was hun te geven. De hoogtes en laagtes van die relaties zijn nu nog na te lezen in de uitvoerige brieven waarmee ze haar partners overstelpte en waarin ze, afwisselend, haar afgronddiepe nood klaagt, verwijten formuleert of net probeert de brokken te lijmen; ze vormen samen een indrukwekkend psychologisch document.
Modern en wervelend
Meer dan genoeg stof dus voor een boeiende biografie. Germaine was hoogbegaafd en durfde het aan een bewegingsvrijheid te claimen die in haar tijd voor een vrouw absoluut ongezien was en die nu nog inspirerend kan werken. Dat is ook de reden waarom ze enkele decennia na haar overlijden voor zowat anderhalve eeuw uit de Franse canon en al helemaal uit de schoolse literatuurgeschiedenissen verdween. Het tij keerde pas in de jaren zeventig van vorige eeuw omdat de meer wetenschappelijke literatuurgeschiedenis toen graag op zoek ging naar vergeten vrouwelijke auteurs. De belangrijkste werken van Mme de Staël zijn sindsdien zowel in diverse pocketedities als in de prestigieuze ‘Pléiade’-reeks beschikbaar en er verschenen ook diverse studies over haar oeuvre en een handvol Franse en Engelse biografieën.
Margot Dijkgraaf voegt daar dus nu een Nederlandse aan toe. Ze doet dat, zeker in vergelijking met haar buitenlandse voorbeelden, in eerder kort bestek en tekent zo voor een bijzonder leesbaar verhaal, dat ook qua vertelritme perfect spoort met de wervelende levensstijl van haar personage. De lezer komt helemaal vlak bij Germaine als Dijkgraaf ervoor kiest elk hoofdstuk af te sluiten met een paar paragrafen waarin ze haar tijdens de meest sensationele maanden van haar leven bijna dag na dag of preciezer brief na brief volgt. In 1811 vlucht ze uit haar Zwitserse landgoed Coppet, waar Napoleon haar dan zo goed als huisarrest gegeven had, naar Rusland; ze doet dat in minder dan vier maanden omdat haar grote tegenspeler dan aan zijn Russische veldtocht begint en ze het oprukkende Franse leger voor moet blijven. Zo verlaat ze Moskou enkele weken voor de keizer er toekomt; ze is zo waarschijnlijk de laatste Europese bezoeker die de stad te zien krijgt voor de beroemde brand. Aan het einde van elk hoofdstuk onderbreekt Dijkgraaf dus haar relaas om even in te zoomen op een van de brieven die Germaine tijdens die haastige reis schrijft: ze gaan naar haar minnaar John Rocca, die haar om discretieredenen niet kan vergezellen maar wel vanaf een afstand volgt, of naar vrienden in Oostenrijk of Polen die haar aan paspoorten kunnen helpen. Op dat moment heb je als lezer het gevoel dat je Germaine haar brieven ziet schrijven.
Maar ook in haar eigenlijke biografische relaas zorgt Dijkgraaf voor maximale nabijheid. Ze onderstreept geregeld (en terecht) dat Germaine haar tijd in veel opzichten ver vooruit was. Het avant la lettre uit haar ondertitel komt in de tekst nog drie keer terug (pp. 119, 132, 237) en het wemelt er van zinnen als: ‘je verbaast je over de actualiteit van de uitspraak’ of ‘op dat punt is er in twee eeuwen niet veel veranderd’. Een citaat uit Corinne wordt geprezen als ‘een ronduit moderne gedachte’, andere teksten zouden ‘bij wijze van spreken nog zo in de krant’ kunnen.
Dijkgraaf actualiseert haar personage ook door uitvoerig aan te geven hoe de diverse plekken waar ze in Parijs woonde, haar landgoed Coppet en sommige plekken waar ze onderweg naar Rusland voorbijkwam, er nu uitzien. We worden verder vergast op allerlei nadrukkelijk eigentijdse, dikwijls (semi-)Engelse termen. Germaine was de ‘spindoctor’ of de ‘speechwriter’ van haar vader toen hij minister was, Benjamin Constant werd haar ‘soulmate’, Napoleon ‘was not amused’ als er in haar Italiaanse roman geen lovend woord voor hem afkon en nationalisme was in het liberale gezelschap dat ze in Coppet ontving ‘not done’. Germaine had, ondanks haar fortuin, op reis soms een ‘cashprobleem’ en deed haar leven lang graag aan ‘teamwork’ en ‘relatiemanagement’. Op dat punt lezen we zelfs over de blijvende actualiteit van een boek dat ze jammer genoeg niet schreef: ‘had Germaine een handboek geschreven voor politieke diplomatie, dan hadden we er vandaag de dag nog profijt van gehad’.
Dijkgraaf noteert overigens waar gepast ook verschilpunten. Het was bijvoorbeeld niet echt verwonderlijk dat de jonge maar toen al meer dan zelfbewuste Germaine toch zonder morren instemde met het huwelijk dat haar ouders voor haar geregeld hadden: ‘hoe vreemd dat ons nu ook in de oren klinkt, een huwelijk gaf een vrouw in die tijd vrijheid’ omdat jonge meisjes van beteren huize nauwelijks zonder chaperonne de deur uit mochten.
We vernemen verder dat Germaine, bij alle vooruitstrevende gedachtegoed, vrij weinig oog had voor sociaal onrecht: ‘de gelijkheid die ze nastreefde was gelijkheid voor de wet. Sociale of financiële gelijkheid, gelijke verdeling van geld en macht over ‘hogere’ en ‘lagere’ klassen – daartoe riep ze niet op. Germaine was voor haar tijd vooruitstrevend, liberaal, zonder sociale rechtvaardigheid in de huidige zin des woords te verkondigen.’ Dat krijg je in de vakliteratuur voor zover ik zie zelden zo direct te lezen.
Een van de fraaiste bladzijden van de biografie vergelijkt Germaines relatie met Benjamin Constant met die van Sartre met Simone de Beauvoir. Het wordt meer dan een zoveelste actualisering omdat Dijkgraaf in een adem ook significante verschillen aangeeft, waar ik hier even niet op inga maar die as such zeker stof zouden kunnen zijn voor een compleet essay. Ook dat is, andermaal voor zover ik zie, in de vakliteratuur nog niet geschreven.
Die vakliteratuur wist uiteraard wel al langer dat de Romantiek van anno 1800 veel rijker en complexer was dan we nu doorgaans vermoeden. Dijkgraaf noteert dus op haar beurt dat ‘het “romantisch” van toen niet de betekenis had die we er tegenwoordig aan geven’. Ze schrijft vanuit dat inzicht haar meest geslaagde bladzijden; die gaan dan bijvoorbeeld over de vaak contradictorische verlangens ‘naar vrijheid én gebondenheid’ waarmee Germaine zichzelf en haar omgeving geregeld overvroeg of over haar bevlogen pleidooi voor meer ‘enthousiasme’ in de toen ophefmakende slothoofdstukken van De l’Allemagne.
Schoonheidsfoutjes
Germaine oogt in het nieuwe boek van Dijkgraaf springlevend en dat alleen al maakt het meer dan lezenswaard. De biografe heeft het oeuvre van en de belangrijkste recente werken over haar personage grondig doorgenomen en weet wat ze daar opstak trefzeker te verwoorden. Ze ontsluit dat meteen voor een publiek dat, nu Frans boven de taalgrens meer en meer een vreemde taal dreigt te worden, een en ander nog maar zelden in het origineel zal ontdekken. Ook daarom lijkt haar boek me bijzonder welkom.
Het is wel jammer dat Dijkgraaf zich in sommige doorgaans perifere details net wat minder trefzeker toont. Het – overigens niet bepaald eenvoudige – verloop van de Franse Revolutie en het aansluitende Keizerrijk komt niet altijd correct uit de verf. Ze schrijft nogal kort door de bocht: ‘Na de bestorming van de Bastille hadden Pruisen en Oostenrijk verklaard dat ze de koning steunden en hem te hulp kwamen schieten’. Die verklaring en belofte volgden pas in de zomer van 1792, ruim drie goedgevulde jaren na de overgave van de Bastille op de ‘eerste’ quatorze juillet. Een jaar later, dus in 1793, is Germaine bij haar ouders in Coppet en lezen we dat ‘het gerucht ging dat het leger van Napoleon de Zwitserse grens zou oversteken’ en dat ze bij haar pogingen vluchtende émigrés over die grens te smokkelen, ‘tegengewerkt werd door aanhangers van Napoleon’; het zal om troepen en ‘aanhangers’ van de Revolutie gaan, van Napoleon was er dan nog lang geen sprake. We lezen verder dat Germaine bij haar bezoek aan Berlijn onthaald werd door ‘koning Frederik Willem II van Pruisen’; dat is misschien een drukfout, maar het ging in 1804 in elk geval om diens zoon en opvolger Frederik-Willem III. Het feestelijke onthaal in Berlijn haalde in Franrijk de kranten en betekende voor Germaine zeker een soort ‘revanche’ op Napoleon, die haar net tevoren uit Parijs verbannen had. Dijkgraaf maakte de triomf net iets mooier dan hij al was als ze stelt dat Napoleon ‘notabene kort daarvoor [Pruisen] had veroverd’; hij zou Pruisen pas veroveren na de slag bij Jena (1806).
Ze toont zich ook elders wat te ‘gul’. Germaines moeder kreeg in haar salon beroemde gasten over de vloer. Als Dijkgraaf met name ‘Voltaire, Diderot en Rousseau’ vermeldt, is de eerste naam er te veel aan. Voltaire woonde in de betrokken jaren in Ferney, op ruim vijfhonderdvijftig kilometer van Parijs; als hij daar in 1778 eindelijk terugkwam, had hij nog maar enkele weken te leven. Germaine en haar moeder zijn hem, zoals iedereen die in Parijs wou meetellen, even gaan groeten, maar tot een tegenbezoek kwam het niet meer. Germaine zelf ontving jaren later in Coppet beroemde gasten uit heel Europa. Goethe, die ooit nog een van de eerste essays van Germaine in het Duits vertaald had en die ze in Weimar gesproken had, was er, ook al leest men her en der wel eens en hier dus opnieuw het tegendeel, wel nooit bij.
Het zijn stuk voor stuk schoonheidsfoutjes, die ik dus niet verder opsom, maar die men in een in alle andere opzichten zo voortreffelijk werk graag wat minder talrijk had gezien. Twee kanttekeningen moeten me nog wel van het hart. Dijkgraaf schrijft dat er tot aan het begin van de negentiende eeuw op de roman neergekeken werd. Het was tot dan ‘een flutgenre […] waarin vrouwen over de liefde schreven voor een vrouwelijk publiek. Pas toen grote mannelijke romanciers, denk aan Balzac, Flaubert, Dumas, het genre ontdekten kreeg het aanzien’. Dat de roman, voor de meesten van ons het centrale genre van de literatuur, lange tijd een compleet marginale bedoening leek is zeker juist; dat de omslag bruusk in de negentiende eeuw gebeurde, is dat al veel minder omdat die in de achttiende eeuw al ruim was ingezet. En het lijkt helemaal ongelukkig te suggereren dat een en ander ‘pas’ kantelde omdat grote mannelijke auteurs de roman toen ‘ontdekten’: er waren ook voor 1800 grote romanschrijvers genoeg: Cervantes, Richardson, Fielding, abbé Prévost, Sterne, Choderlos de Laclos, …. Dat belet natuurlijk niet dat er al die tijd veel romancières aan de slag waren, waarschijnlijk meer dan in alle andere literaire genres; ze bleven intussen zelfs daar ruim in de minderheid in vergelijking met hun mannelijke collega’s. Dijkgraaf liet zich dus voor een keer door haar feministische engagement meeslepen.
Ik noteer ook een mijns inziens te vrijblijvende bewering. Dijkgraaf herhaalt in haar boek een paar keer dat de hoofdrolspeelsters van de twee romans in veel opzichten doublures zijn van hun auteur en dat zal niemand betwisten. Het wordt bedenkelijker als ze daar een onverwachte conclusie aan verbindt: ‘Germaine was zich er van bewust dat ze zich in haar romans meer blootgaf dan ze wilde, want echt een inkijkje geven in haar diepste verlangens en gevoelens, nee, dat was niet de bedoeling, het maakte haar te kwetsbaar. Daarom schreef ze er maar twee.’ Zoiets kan je, als het al zo zou zijn, uiteraard onmogelijk weten. Dijkgraaf verwijst in een voetnoot naar een podcast van Radio France, waarin Staël-specialiste Chantal Thomas allicht geen bronnen aangaf: het hele idee is hoogstens een veronderstelling, die je desnoods in een vie romancée zou kunnen wagen, maar minder in een echte biografie. En het klinkt ook wat vreemd dat Germaine ‘maar twee’ romans schreef: in haar eerder korte en rijkgevulde leven is het sowieso al een klein mirakel dat ze überhaupt tijd en energie vond om zoveel omvangrijke werken bij elkaar te schrijven…
De wat rare redenering onderstreept minstens dat Delphine en Corinne in hun tijd gewaagde romanpersonages waren en dat Germaine in het echte leven even gewaagd was. We kunnen alleen maar blij zijn dat we haar leven nu ook in het Nederlands kunnen lezen.
Een recensie van Germaine de Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre van Margot Dijkgraaf door Paul Pelckmans.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.