Geschiedenis, Recensies

De veelvormigheid van de politiek in de oertijd

Het begin van alles

Een nieuwe geschiedenis van de mensheid

David Graeber en David Wengrow

Hoewel het gaat om een baksteen van een boek (over de zeshonderd bladzijden), werd The Dawn of Everything. A New History of Humanity – pas vertaald als Het begin van alles. Een nieuwe geschiedenis van de mensheid – meteen een bestseller: The New York Times Bestseller, BBC History Book of the Year, #1 Der Spiegel Bestseller, en de vertaling staat in de non-fictie top vijf van De Standaard der Letteren ook al wekenlang op één. De superlatieven zijn dan ook niet van de lucht: ‘Baanbrekend en brutaal… een opwindende leeservaring’, oordeelt The Guardian. Volgens Rutger Bregman zullen we het nog jaren hebben over dit boek. Of deze: ‘dit is geen boek, maar een intellectueel feestmaal’. Ik geef die Nassim Nicolas Taleb graag gelijk. Maar hoe ongelofelijk ook, het is wel degelijk een boek.

De auteurs van Het begin van alles zijn een relatief onbekende archeoloog, David Wengrow (1972), en een beroemde, bijna beruchte antropoloog en activist, David Graeber (1961-2020). In een gedurfde en volgens eigen zeggen broodnodige want onbestaande synthese van recent onderzoek in hun domeinen, halen ze met veel gusto twee basisvooronderstellingen onderuit die onze blik op de geschiedenis, ook en vooral op de oertijd, nog altijd in grote mate bepalen: dat de geschiedenis een evolutie is van kleine egalitaire groepen van jagers-verzamelaars naar hiërarchische, ongelijke samenlevingen (een erfenis van Jean-Jacques Rousseau en Anne-Robert-Jacques Turgot) en dat grotere, complexe maatschappijen noodzakelijk de vorm van een staat aannemen, want anders dreigt de chaos (een erfenis van Thomas Hobbes). Beide komen samen in een groot lineair verhaal van vooruitgang van natuurtoestand naar beschaving. De auteurs vegen met zichtbaar genoegen de vloer aan met al die grote namen die nog steeds deze mythe aanhangen: Steven Pinker, Francis Fukuyama, Jared Diamond, Juval Harari.

Met deze voorstelling hangt een andere mythe samen: die van de goede maar onwetende wilde. De Verlichting is echter niet het begin van de politieke emancipatie, maar is direct geïnspireerd door wat de auteurs ‘de inheemse kritiek’ noemen. Dat tonen ze aan met veel fragmenten uit verslagen van Jezuïeten die inheemse stemmen citeren. De belangrijkste figuur in hun verslag over de inheemse kritiek op het Westen is Kandiaronk (1647-1701), een in zijn tijd beroemde Wendat (een Huron, een ‘indiaan’ zeg maar). Hij laat geen spaander heel van de onvrijheid en de ongelijkheid tussen klassen en geslachten en de almacht van het geld in de Europese maatschappijen van de late zeventiende eeuw. Via een boek uit 1703 van een zekere Baron de la Hontan, (later bekend als Lahontan), dat bestaat uit vier dialogen met Kandiaronk, werd diens kritiek verspreid. Dat boek stond in de bibliotheken van de verlichte denkers, en zou dus de Verlichting mee hebben aangestuurd – en dus ook de vraag naar de oorsprong van ongelijkheid en onvrijheid. Het zou precies in reactie op deze inheemse kritiek zijn, met het doel die onschadelijk te maken, dat Turgot en anderen het lineaire narratief van egalitaire jagers-verzamelaars naar hiërarchische complexe samenlevingen hebben uitgevonden.

 

De revolutie die nooit plaatsvond

Ook de idee van de landbouwrevolutie moet eraan geloven. Die heeft namelijk nooit plaatsgevonden, althans niet zoals wordt verteld: als een uitvinding zowat 12.000 jaar geleden in de vruchtbare halve maan van het tweestromenland. Ook dat is een mythe; veel volkeren hebben lang daarvoor al aan landbouw gedaan, en zijn dan telkens weer teruggekeerd naar jagen en verzamelen. Wengrow en Graeber tonen met talloze voorbeelden aan dat dit heen-en-weer of die gelijktijdigheid eeuwen heeft geduurd. Belangrijker nog voor hun betoog is dat de landbouw niet het begin is van privé-eigendom en hiërarchische maatschappijen, juist vanwege die veelvormigheid en veranderlijkheid van maatschappelijke systemen.

De vrijheid om verschillende maatschappijvormen te kiezen funderen de auteurs in wat ze (met Gregory Bateson) ‘schizogenese’ noemen: door zich tegen de ander af te zetten geeft een cultuur zichzelf een duidelijk onderscheiden identiteit. In onze geschiedenisboeken zijn Athene en Sparta daarvan het schoolvoorbeeld: gesitueerd in dezelfde tijd, dezelfde landschappen en ecologische omstandigheden, zijn ze toch in elk aspect tegengesteld. Wengrow en Graeber geven ettelijke voorbeelden van dit soort contrasterende samenlevingen in de oertijd die nochtans elkaars cultuur en politieke organisatie goed kenden en dikwijls zelfs handel dreven, als ze niet in oorlog waren.

Dat de opkomst van steden met de zogenaamde landbouwrevolutie samenhangt is nog zo’n mythe die door recent archeologisch onderzoek is onderuitgehaald. Die steden zouden daarenboven altijd en immer wegens schaalvergroting hiërarchisch gestructureerd zijn, maar ook dat weerleggen de auteurs met ettelijke voorbeelden van grote nederzettingen van soms tienduizenden inwoners zonder tekenen van hiërarchie. Met veel sympathie en ontdekkersplezier geven ze voorbeelden van steden van jagers-verzamelaars die horizontaal werden georganiseerd en waar collectieve vergaderplaatsen belangrijker waren dan tempels. Ook in de beroemde stad Teotihuacan, waar eerst grote tempels werden gebouwd waarin gruwelijke mensenoffers plaatsvonden, beslisten de bewoners later om dat allemaal achterwege te laten en aan sociale woningbouw te doen voor de hele bevolking.

Het idee van de ‘Staat’, zoals het geprojecteerd wordt op het oude Egypte, de Inca’s of de Maya’s, moet het al evenzeer ontgelden. Bij de vorming van een staat gaat het volgens Wengrow en Graeber om een traag proces, met vele mogelijkheden. Zij zien drie aspecten van de staat: de soevereiniteit, de bureaucratie, en charismatische of concurrentiële politiek. Soevereiniteit is gebaseerd op geweldsmonopolie, bureaucratie op kennis, charismatische politiek op spektakel. Dit schema laat de auteurs toe om te spreken van ‘eerste-orde-regimes’, die slechts een van die elementen gebruiken, en ‘tweede-orde-regimes’, die twee ervan combineren en niet altijd dezelfde. Dat levert een zeer geschakeerd beeld op van verschillende mogelijkheden die aan de moderne staat voorafgaan.

 

Feestelijke variëteit aan alternatieven

In een interview met de nieuwssite Apache vat Wengrow zowat de hele inzet van het boek samen: ‘Die twee inzichten – de rijkdom van de menselijke politieke ervaring vóór de landbouw aan de ene kant, en de relatieve vrijheid van mensen in oude samenlevingen om demografisch op te schalen zonder koninkrijken, rijken of staten te vormen – waren twee staven dynamiet onder de conventionele opvattingen over hoe menselijke samenlevingen worden verondersteld zich te ontwikkelen.’

Dit opus magnum (en voor Graeber helaas ook een opus posthumus, hij stierf kort na het beëindigen van het manuscript) is een lang pleidooi voor echte vrijheid, die de auteurs definiëren als drievoudig: de vrijheid om te verhuizen en de eigen familie of clan te verlaten, de vrijheid om niet te gehoorzamen, de vrijheid om de organisatie van de maatschappij te kiezen. Een concrete vrijheid, waarbij de eerste vrijheid de mogelijkheidsvoorwaarde is voor de tweede, en de eerste twee dat zijn voor de derde, de echte politieke vrijheid. Ook die verschillende soorten vrijheid tonen Wengrow en Graeber aan de hand van vele voorbeelden. Ze zetten de inheemse vrijheid af tegen de abstracte vrijheid van het Westen, die in feite gebaseerd is op het idee van privé-eigendom uit het Romeins Recht, de vrijheid van gebruik en misbruik van goed, en zelfs op het idee van de slaaf als bezit. Even bekrompen is ons idee van politieke systemen: het idee, dat echoot van Hobbes tot Harari, dat je nooit aan de kooi kunt ontsnappen, maar alleen naar een grotere kooi kunt.

Dit boek biedt tegenover die donkere visie op mens en maatschappij een feestelijke variëteit aan alternatieven, die het gebruikelijke narratief ondergraven. Het alterneren tussen systemen is volgens de auteurs het DNA van de geschiedenis. Het is zeker geen toeval dat Graeber een van de denkers was van de andersglobaliseringsbeweging en mede-aanstichter van Occupy Wall Street (hij zou de slogan ‘wij zijn de 99 procent’ hebben gesmeed). De politieke les uit al die alternatieven en vaak soms seizoensgebonden wisselingen tussen politieke systemen, is dat mensen mondige wezens zijn die hun politieke systemen en culturele codes en rituelen bewust kiezen, los van ecologische omstandigheden. In die zin is deze turf een ode aan de onvoorspelbare politieke verbeelding.

 

Magnum opus in iconoclastisch parlando

Het begin van alles is geschreven in een iconoclastisch parlando, zodat het boek bijna leest als een roman, als een oprechte maar recalcitrante zoektocht. Het denk- en schrijfplezier slaat onwillekeurig over op de lezer. Een dergelijke meeslepende stijl is het trademark van David Graeber: weinig theoretici nemen de lezer zo soepel en ontspannen op sleeptouw als hij; hij slaagt erin om zo precies te redeneren dat je je ernstig genomen voelt als lezer en je tegelijkertijd te verwennen met de nodige humor. Tijdens het lezen moest ik meer dan eens grinniken.

Ik leerde David Graeber kennen door zijn kleine maar fijne essaybundel Revolutions in Reverse (2007), een reeks reflecties over de globaliseringsbeweging en haar nadagen, om het maar brutaal samen te vatten. In Het begin van alles herkende ik zijn stijl meteen, dat geestige, lucide parlando. De publicaties en dus stem van David Wengrow ken ik niet, maar ik moet zeggen dat dit boek door één hand geschreven lijkt, terwijl je toch de rijkdom voelt van een dialoog tussen een antropoloog en een archeoloog. In het genoemde interview zegt Wengrow dat Graeber en hij tijdens het schrijven heel veel verrassende ontdekkingen hebben gedaan, het schrijfplezier is dus wellicht ook te danken aan de opwinding van hun ontdekkingen.

Het boek is, het moet gezegd, ook duizelingwekkend in een bijna negatieve zin van overdaad, van overload, omdat de auteurs van over de hele wereld archeologische sites en stammen en clans opdiepen, bijna zonder uitzondering met tongtwisters van namen, tot je als lezer een beetje beduusd al die sites probeert te googelen om ze toch enigszins te kunnen memoriseren en situeren (de lezer zal mij vergeven dat ik mij daarom verre houd van concrete voorbeelden).

Ook kan je er niet omheen dat het een gedreven, ja zelfs ‘tendentieus’ boek is; naast een erudiete zoektocht naar nieuwe vragen en een nieuwe kijk op de geschiedenis, is het ook een politiek manifest voor de vrijheid. Het anarchisme van David Graeber zal daar uiteraard niet vreemd aan zijn. Hij is tenslotte niet alleen de auteur van cultboeken als Debt: the first 5000 Years (2011) en Bullshit Jobs: A Theory (2018), maar ook van Fragments of an anarchist anthropology (2004).

Hoewel het is geschreven door twee oude witte mannen, geeft het boek  de inheemse critici een glansrol en benadrukken ze ook het belang en de macht van vrouwen in de oertijd telkens opnieuw. Of Rutger Bregman gelijk krijgt dat we het nog jaren over dit boek zullen hebben, valt af te wachten, maar hopelijk is dat het geval. Dit is immers niet alleen een boek over de politiek van de oertijd, het is ook een oerpolitiek boek dat regelrecht ingaat tegen de neoliberale tijdgeest: een erudiete middenvinger naar TINA. There is no alternative? Er zijn al sinds de prehistorie duizenden alternatieven; soms gewoon per seizoen wisselden onze voorouders van politieke organisatie, van hiërarchie naar zelforganisatie en terug. Dat is het heerlijke van dit ronduit indrukwekkende geschrift: een andere wereld is mogelijk, want kijk, alternatieven zijn er altijd al geweest. Alleen hebben onze mythes en narratieven ons verblind en zijn we vastgelopen in onze politieke verbeelding. Het begin van alles is een onderhoudende, zij het uitdagende want onvoorstelbaar panoramische blikopener – niet alleen een onvergetelijke leeservaring, maar ook een wake-upcall. Zelden werd de oproep van Walter Benjamin ‘de geschiedenis tegen de draad in borstelen’ zo radicaal en met zoveel panache ten uitvoer gebracht.

 

Recensie door Lieven De Cauter

Maven Publishing, Amsterdam, 2022
Vertaald door: Rogier van Kappel en Bart Gravendaal
ISBN 9789493213265
656p.

Geplaatst op 06/06/2022

Tags: David Graeber, David Wengrow, Geschiedenis, Het begin van alles, Kandiaronk, Politiek

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.