Proza, Recensies

Het evangelie volgens Hubertus

Steyler

Huub Beurskens

De flaptekst van Huub Beurskens’ nieuwe roman Steyler eindigt met twee vragen: ‘Waartoe behoeft de mens een missie? Of zou een mens zonder missie het ware verschrikkelijke zijn?’ De roman eindigt met twee constateringen: ‘Op dat moment ervoer ik het ware verschrikkelijke. Ik was een man zonder missie.’ Aan het woord is Mathieu, ex-antiquaar en kunsthandelaar. ‘Op dat moment’ verwijst naar een beeld van verlatenheid en stuurloosheid dat Mathieu ziet en dat ongetwijfeld Bijbelse connotaties heeft: ‘Aan de overkant zag ik de schapen in een soort driehoekige kudde wegtrekken, de mist in, met hun koppen naar de grond, dicht tegen elkaar gedrukt, zonder dat ze een herder bij zich hadden, alsof ze die minachtend de rug hadden toegekeerd.’ De schapen zijn de (ex-)gelovigen, de herder is onze Heer. De mensen hebben hun geloof blijkbaar verloren en gaan zonder gids ‘de mist in’.

Dat algemene en religieus beladen beeld sluit perfect aan bij de persoonlijke en psychische toestand van Mathieu. Hij was naar de Franse Dordogne getrokken om zijn oude vriend, de kunstschilder Lucas Herder (!), weer te zien, maar hij komt terecht in een web van intriges die na heel wat onvoorziene wendingen leiden tot de dood van Lucas en zijn zoon John. Zoals de schapen aan de overkant, zo is Mathieu zijn Herder kwijt. Een herder die zich zou moeten bekommeren om verloren schapen als de eenling Mathieu. Tijdens een discussie over het gebrek aan betrokkenheid van oorlogsfotografen zegt Lucas: ‘Zou niet elk mens in zo’n situatie een herder moeten zijn die de miljardenkudde achterlaat om één schaap te redden of te troosten?’ Aan die norm voldoet Herder echter zelf niet. Hij laat Mathieu ongetroost achter.

DE MISSIE VAN DE KUNSTENAAR

Herder is op vele manieren de tegenpool of het alter ego van Mathieu. De twee heren zijn elkaars ‘spiegelbeelden’. Ze lijken veel op elkaar, al wil Mathieu dat niet toegeven: ‘Ik heb wel eens mensen horen beweren, dat hij en ik iets van elkaar weghadden. Ik zag en zie dat zelf allerminst zo.’ Er zijn inderdaad ook veel verschillen tussen de twee protagonisten van Steyler. Om te beginnen is er een detail dat door de titel van de roman uitvergroot wordt. In tegenstelling tot Mathieu, komt Herder niet uit het Limburgse Steyl, en dat vindt hij jammer. Half ironisch, half liefdevol spreekt Mathieu Lucas aan met ‘Steyler’. Zijn bijnaam suggereert een saamhorigheid, die er in feite niet is. Mathieu is kinderloos gebleven, Lucas heeft een zoon, met name John. Herder is een kunstenaar, Mathieu een handelaar. Als schilder was Lucas een man met een missie, al had Mathieu, de man zonder missie, daar een andere kijk op. Tijdens een van hun talrijke en eindeloze discussies zegt Mathieu:

Als jij nou nog een serieus aantal kopers voor je schilderijtjes zou hebben, sappelaar […] Ik heb die dingen van jou aan de straatstenen niet kunnen slijten. Wie denk jij dan ermee te kunnen stichten? Sowieso moet je me eerst eens uitleggen wat zo stichtelijk aan die dingen van jou is. In al je werk zag ik niks boodschapperigs. Wat je als een compliment mag opvatten. En nu?

Waarop Lucas antwoordt: ‘Je zult het meemaken, jongen.’ En dat klopt. Mathieu ontdekt dat Herder onder het pseudoniem ‘Berger’ (de Franse vertaling van zijn familienaam) kitscherige schilderijen verkoopt die afbreuk doen aan de autonome kunstopvatting (‘niks boodschapperigs’) die Mathieu zo waardeert. Of Herder ooit een aanhanger was van die visie, valt te betwijfelen. Hij heeft sympathie voor mensen met een missie – zelfs al gaat het om missionarissen – en hij heeft een afkeer van extreme kunstopvattingen. Zo minacht hij de avant-gardistische mix van kunst en leven die Marcel Duchamp voorstond. Ook de elitaire kunstenaar die nergens bij wil horen vindt in zijn ogen geen genade: ‘Tot geen enkele salon wil en zal ik ooit behoren. Ook niet tot een salon des refusés. Ik ben ’n refuseur des salons!

DE MISSIE VAN DE HISTORICUS

Naast kunstenaar is Lucas ook amateur-prehistoricus. Net als Caspar uit Beurskens’ novelle Het lam hoopte Herder in zijn jonge jaren sporen te vinden van prehistorische mensen in Tegelen, het stadsdeel van Venlo waarvan Steyl deel uitmaakt: ‘Dus droomde ik er zelf van de ontdekker van de Pithecantropus of Homo teguliensis te worden.’ Maar zijn zoon John, gediplomeerd prehistoricus, noemt dat ‘flauwekul’. Het lijkt alsof Lucas in Frankrijk een tweede kans zoekt, want hij woont in ‘Les Eyzies’, ‘la capitale de la préhistoire’. Het Musée National de Préhistoire dat daar is gevestigd, is een van de belangrijkste musea in zijn soort. Helaas trekt het allerlei toeristen aan die niet op de sympathie van Lucas én Mathieu kunnen rekenen. Onder die zogenaamde vakantiegangers zitten bovendien enkele verdachte figuren, zoals een man in cowboylaarzen, die later een centrale rol blijkt te spelen in de dood van Lucas en John.

De aanwezigheid van zulke ongure figuren hangt samen met de gevaren die inherent zijn aan de speurtocht naar de prehistorische mens. John betwijfelt of de gangbare hypothese over Afrika als de wieg van de mensheid wel klopt. In China onderzoekt hij de mogelijkheid van meerdere, min of meer gelijktijdige ontstaansregio’s. De aanwijzingen die hij vindt voor zijn ‘polycentrische’ evolutietheorie zouden niet alleen de wetenschappelijke maar ook de geopolitieke verhoudingen grondig door elkaar schudden, en er zijn nogal wat mensen die dat niet appreciëren. John wordt geschaduwd, bedreigd en uiteindelijk gedood. Hij heeft zijn bevindingen, als back-up, in briefvorm opgestuurd naar zijn vader, die daardoor ook in het vizier van de achtervolgers komt. De vriendin van John, Lily Lee, een Amerikaanse van Chinese afkomst, komt die brieven ophalen en lijkt mee in het complot te zitten. Wanneer de cowboy afgerekend heeft met Lucas en John, pakt hij Mathieu aan: als die wil blijven leven, moet hij alles vergeten en doen alsof hij nooit in Frankrijk geweest is.

Dat is het moment waarmee ik deze recensie begon, de scene waarin Mathieu met lege handen en zonder missie of herder achter lijkt te blijven. Maar schijn bedriegt. Net op dat moment, dat de roman bijna afsluit, ziet Mathieu voor zichzelf een missie: hij zal een boek schrijven over alles wat hij heeft meegemaakt – dit boek, uiteraard. Op die manier vindt hij een oplossing voor zijn problemen. Ten eerste is hij zo niet langer een passief slachtoffer, maar wordt hij een actieve figuur die het voor het zeggen heeft. Concreet: door de dood van zijn vriend voelt hij zich een afgeschreven personage; door zelf te schrijven wordt hij een machtige man. Na Lucas’ overlijden heeft hij de indruk ‘alleen nog te bestaan als een willoos, afgeschreven personage in een flard fictie van een auteur op een verre planeet of in een alternatief universum aan de andere kant van een wormgat. Zo ontstond en rijpte gaandeweg het idee om zelf een roman te schrijven.’ Door de roman wordt het verdwijnende personage een reële schrijver: ‘Vooral heb ik bij dat schrijven de indruk dat ik besta, dat ik tel zolang ik schrijf.’

Dat lost meteen een tweede probleem op. De man met de cowboylaarzen heeft Mathieu verboden ook maar iets los te laten over wat hij in de Dordogne meegemaakt heeft. Via de omweg van de fictie kan Mathieu toch spreken over alles wat gebeurd is zonder dat hij verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn tekst. Hij laat zijn geweten spreken, maar op zo’n manier dat hij er geen last van ondervindt. ‘Ik wilde en moest bovenal getuigenis afleggen,’ zegt hij, maar de problemen van de getuige ontloopt hij door van zijn verslag een roman te maken. Hij vindt iemand die als zijn alias wil fungeren, de schrijver van dit boek, Huub Beurskens (al valt die naam niet).

HISTORIE, PREHISTORIE EN FICTIE

De geschiedenis die Mathieu in Steyler vertelt zit vol suggesties, dubbelzinnigheden en hiaten die de lezer enigszins kan duiden en aanvullen door verschillende fragmenten bij elkaar te nemen. Het gaat duidelijk niet om een feitelijk verslag van vaststaande gebeurtenissen, maar om een tentatieve reconstructie van een mogelijke ontwikkeling. Daarin lijkt deze historie van Mathieu op de prehistorie die Lucas en John proberen te reconstrueren. De missies van de kunstenaar en van de (pre)historicus worden verzoend: ze werken beiden met hypothetische constructies. Op basis van sporen proberen ze het gebeurde te achterhalen, en daar is verbeelding voor nodig. De kracht van een kind. Wat voor een kind ervaring is, is voor de historicus en de schrijver alleen nog maar toegankelijk via fictie, de taal van de verbeelding: ‘Wat had ik graag nog het reukvermogen van een jongetje van zes gehad. Nu moest ik me er voornamelijk door middel van woorden iets bij zien voor te stellen.’

Voor de prehistoricus zijn de sporen die hij nodig heeft fossielen, voor de historicus kunnen relikwieën dienen. En voor de schrijver volstaat het kleinste en het vluchtigste – een vlieg bijvoorbeeld. Met zo’n vlieg begint deze roman. Mathieu treft ze aan in zijn hotelkamer en neemt ze overal mee – tot ze gedood wordt door de man met de cowboylaarzen. Onderweg wordt het onooglijke diertje beladen met tientallen betekenissen: het is een symbool voor de dood en de vluchtigheid, en dus ook voor de nietige mens, het slachtoffer van het lot. Het duikt ook op in talrijke teksten (onder andere van Sartre en Musil) en kunstwerken en het lijkt zelf een artistieke creatie. Als studieobject geeft het vooral een prismatische kijk op het lijden dat de geschiedenis en de prehistorie doortrekt.

Zo wordt de vlieg een personage in het verhaal van Mathieu. Twee andere cruciale figuren zijn Duitse missionarissen, Xaver Nies en Richard Henle, die op het eind van de negentiende eeuw vanuit Steyl naar China vertrekken, om daar het geloof te verspreiden. Op Allerheiligen 1897 worden ze vermoord – en dat is misschien niet helemaal rampzalig voor de twee, want ze wilden graag martelaars zijn. Van hen resten nu alleen verhalen en relikwieën. De verhalen zijn veranderlijk: wat Lucas over de twee vertelt, is niet helemaal hetzelfde als wat Mathieu te melden heeft. De relikwieën worden bewaard in het museum van Steyl. Wanneer Mathieu besluit dat hij een boek moet schrijven, gaat hij voor het eerst van zijn leven naar dat museum. Hij wordt er rondgeleid door ‘de heer Marc Herder’. Maar de relikwieën bieden geen objectieve informatie: ze zijn niet authentiek, zijn aangetast door de tijd en door de fantasie van Mathieu, die er afspiegelingen in ziet van Cilly, een gedroomde geliefde, en van Lily Lee. In zijn reconstructie van hun verhaal identificeert hij zich steeds meer met Henle en versmelt het lot van Lucas en John Herder met dat van de twee missionarissen. De echte geschiedenis valt niet te reconstrueren, niet door de (pre)historicus en evenmin door de romancier. Missies hebben ze alle drie, maar geen van hen is een Messias.

EEN NIEUW EVANGELIE?

Steyler, het verhaal van Mathieu, bestaat uit vijfentwintig hoofdstukken die twee keer onderbroken worden door commentaren van de verteller – Mathieu en/ of zijn alias Huub Beurskens. Die verteller zet zich af tegen romans die boordevol ‘feitelijke’ beschrijvingen staan en die zich uitputten in het detailleren van het uiterlijk en het innerlijk van personages. Verhalen moeten de lezer laten meewerken aan de imaginaire (re)constructie en dat veronderstelt dat ze een beroep doen op de kennis van die lezer. Voor die een boek begint te lezen, heeft hij al een hele historie in zijn hoofd, zowel biografisch als literair. In een boek leest hij echo’s en transformaties van andere boeken, die hij vroeger heeft gelezen. Dat is de concrete prehistorie bij het lezen van fictie.

Steyler roept die prehistorie op door een geraffineerd spel met allusies op talloze bronnen, historische en artistieke, hoogstaande en populaire. Van The Kinks, The Beatles en Michael Jackson tot Marguerite Yourcenar, Marcel Duchamp en Jean Paul – Beurskens neemt ze samen in een netwerk van verwijzingen die voor de lezer fungeren als sporen, clues, die hij moet of kan volgen. Het eigen werk van Beurskens duikt daarbij meer dan eens op: de hotelkamer uit het eerste hoofdstuk herinnert aan dezelfde kamer in het eerste hoofdstuk van Eindeloos eiland, de palmen in de Dordogne roepen Noordzeepalmen en Nietsdankussen op, de prehistorie van Tegelen figureerde, zoals gezegd, al in de novelle Het lam.

Misschien is de Bijbel nog wel het belangrijkste boek in dit netwerk, en dat is geen toeval. Niet alleen pretendeert dat werk de ware geschiedenis en voorgeschiedenis te vertellen aan de hand van voorbeeldige (en niet bepaald realistische) verhalen; het is ook een boek met veel vertellers (profeten en evangelisten) en een meer dan problematische authenticiteit (getuige het debat over wat canoniek en apocrief is). Steyler is een stijlvolle elaboratie hiervan. Het kan geen toeval zijn dat de vier evangelisten in het boek figureren: er is Lucas (Herder), Johannes (John), Marcus (de gids in Steyl) en uiteraard Matteüs (Mathieu). Samen hebben ze het over mensen met en zonder missie, die er niet in slagen Messias te worden – hoe graag ze ook martelaar willen worden.

Tussen en boven die vier evangelisten zweeft de verteller die het verhaal van Mathieu van voetnoten voorziet en die de roekeloze lezer kan verbinden met Huub Beurskens. Die doet op zijn blog (http://steylerroman.blogspot.com/ ) de prehistorie en het naleven (de reacties) van zijn roman uit de doeken – of beter: hij is daar nog steeds mee bezig. Zodoende brengt hij in de praktijk wat Mathieu in zijn literaire beschouwingen opmerkt, namelijk dat het vertellen eindeloos is:

Alleen een nawoord en een groet ten afscheid leek me nog op zijn plaats. Maar nu ik hier ben aanbeland, merk ik dat – om een in dit verband bedenkelijke zegswijze te gebruiken – het bloed wil kruipen waar het niet gaan kan.
Met andere woorden, het plezier dat ik ondanks alles bij het schrijven heb bespeurd, zou ik graag nog even willen blijven ervaren de komende dagen of weken. Al weet ik natuurlijk niet hoe gauw de pret door de omstandigheden gedrukt zal worden. Of juist wel daarom, desondanks.

De pret wordt in geen geval gedrukt in Steyler. Zoals alle romans van Beurskens, is ook dit boek een virtuoze, spannende en bijwijlen adembenemende constructie die blijft doorwerken lang nadat je de laatste bladzijde gelezen hebt.

Koppernik, Amsterdam, 2018
ISBN 9789492313508

Geplaatst op 01/02/2019

Tags: 2018, Bijbel, Huub Beurskens, Marcel Duchamp, Marguerite Yourcenar, Michael Jackson, Prehistorie, Religie, Steyler, The Beatles, The Kinks

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.