Proza, recensie

Midden in de apocalyps

Ik mag niet klagen

Michelle van Dijk, Jaap Robben, e.a.

Nu het einde van 2020 nadert, heeft zich opnieuw een historisch kantelmoment voltrokken. De redactie van De Reactor vindt het daarom een goed moment om terug te blikken op de literaire nalatenschap van de jaren 2010, een periode die met de lockdown zo abrupt ten einde kwam. Vanuit ons perspectief als literatuurcritici waren de jaren 2010 bovenal het decennium waarin de schrijvende millennial volwassen werd.

In deze reeks gaan we op zoek naar poëtica y. Hoe verhouden de schrijvers van generatie y zich tot de wereld, de literatuur en de taal? De tweede bijdrage van de reeks is een recensie door een gloednieuw kritisch talent bij De Reactor, Sam De Gueldre. Hij buigt zich over Ik mag niet klagen, een kortverhalenbundel met bijdragen van verschillende millennialauteurs die ooit de jongerenschrijfwedstrijd Write Now! wonnen.

[Lees hier de eerste bijdrage in de reeks: de voorpublicatie van Affectieve crisis, literair herstel van Hans Demeyer en Sven Vitse.]

 


 

Wat hebben Lize Spit, Niña Weijers, Maartje Wortel, Joost de Vries en Anne Moraal met elkaar gemeen? Buiten het feit dat ze allemaal tot dezelfde generatie millennials behoren die in de laatste vijf jaar de toon in de Nederlandse letteren hebben gezet, namen ze vroeg in hun carrière deel aan Write Now!. Speciaal voor het twintigjarig jubileum van deze wedstrijd voor jong literair talent maakten zij nieuwe kortverhalen. Pal in het midden tussen de eerste en de tweede coronagolf verschenen ze gebundeld in Ik mag niet klagen. De uitgave werd op Bookstore Day (12 september 2020) aan het publiek gepresenteerd.

Het lijkt quasi-onmogelijk om een beetje feeststemming in dit afgrijselijke jaar te brengen, maar naast de schrijfwedstrijd Write Now! blaast ook de overkoepelende organisatie Passionate Bulkboek vijfentwintig kaarsjes uit. Sinds 1995 ziet deze organisatie het als haar missie om de leescultuur voor Nederlandse jongeren in het voortgezet onderwijs weer aantrekkelijker te maken. Dat zulke organisaties in Nederland en Vlaanderen broodnodig zijn, bewees het recentste PISA-onderzoek des te meer: Nederland en Vlaanderen scoorden de allerlaagste cijfers op het gebied van leesplezier bij vijftienjarigen. Aan het aanbod van moderne, jonge schrijvers in de Nederlandse letteren kan het in ieder geval niet liggen. Passionate Bulkboek lijkt met Write Now! daartoe een bijzondere bijdrage te hebben geleverd. Velen van de laureaten verkochten hallucinant goed, niet in het minst Lize Spit, wier boek Het smelt (2016) maandenlang tot de bestverkochte boeken van de Lage Landen behoorde.

Ik mag niet klagen is een fijne collectie kortverhalen die leest als een seismograaf van de nieuwste generatie schrijvers in de Nederlandse letteren. Hoewel deze auteurs formeel niet samenhangen, kan je ze toch onder een aantal gemeenschappelijke noemers groeperen. Het zijn allemaal ‘millennials’ – geboren tussen 1980 en 2000 – uit de al dan niet rijkere middenklasse. Ze zijn voornamelijk wit, maar niet per se mannelijk en ze hebben een voorkeur voor het thema inter- en intrasubjectiviteit, de relatie tussen het ik, de wereld en de ander. Het eerste verhaal in de bundel bijvoorbeeld, ‘De storm’ van Naomi Rebekka Boekwijt, ontroert onmiddellijk. Het verhaal focust op de relatie tussen een vrouwelijke psychiater en haar tienerpatiënt, die uit een moeilijke thuissituatie komt en met automutilatie en zelfmoordgedachten kampt. De gedachten van de patiënt Liv blijven strikt onbekend, maar de psychiater, die tevens de ik-verteller is, krijgt naast de professionele relatie een gevoel van medelijden voor het kind. Uiteindelijk breekt de verteller met de professionele voorschriften om tot de meest menselijke vorm van troosten te komen: een omhelzing.

First-world problems

Menig collega-schrijver beticht deze nieuwe generatie wel eens van navelstaarderij. Het scherpst verwoordde Abdelkader Benali deze kritiek in een veel geciteerde Facebook-post, die hij kennelijk na het lezen van IJstijd (2014) van Maartje Wortel – tevens een van de auteurs in deze bundel – schreef. De personages in deze hedendaagse romans zouden allemaal tot dezelfde hoogopgeleide, witte middenklasse uit Amsterdam-Oost behoren: ‘Iedereen is wezenloos middelmatig en niemand heeft een leven,’ schrijft Benali over hen. In zekere zin gaat de vaststelling van Benali ook op voor zo goed als alle personages uit de verhalen in deze bundel. Ze hebben niet de intentie om ‘groots’ te zijn, noch lijken ze op het eerste gezicht erg begaan met maatschappelijke problemen en eenentwintigste-eeuwse uitdagingen. Meestal gaan ze over zogenaamde first-world problems: een man wordt gedumpt en besluit in zijn nieuwe functie als postbode een drol in een brief bij zijn ex-geliefde door de brievenbus te gooien. Of ze gaan vrij banaal over de verloren gegane tijd, zoals het verhaal ‘Atlantikwall’ van Marijn Sikken, waarin het oudere hoofdpersonage Jos rouwt om ‘zijn’ camping die door een Duits zorghotel zal worden vervangen.

De grote afwezigen in het verhaal zijn de talloze crisissen waarmee deze millennialgeneratie wordt geconfronteerd. De klimaatcrisis, de legitimiteitscrisis van de democratie, de crisis van het witte patriarchaat, de vluchtelingencrisis, de financiële crisis, de war on terror, de kloof tussen arm en rijk; het zijn maar enkele voorbeelden van grote omwentelingen waarvan je zou denken dat ze bij deze generatie zouden leiden tot een verhoogd sociaal en politiek engagement. De personages in deze uitgave lijken hier echter niet tegen opgewassen. Sterker nog, de ‘helden’ van deze kortverhalen zijn geen strak omlijnde, zelfzekere en moreel rechtvaardige individuen, maar keren zich integendeel terug naar binnen, naar hun gevoelswereld en de relatie met de ander, een these die al meermaals is gemaakt door literatuurwetenschappers zoals Hans Demeyer en Sven Vitse en Yra van Dijk en Merlijn Olnon. De onmaakbaarheid van de macrosamenleving lijkt des te onoverkomelijker als in de eerste plaats de relatie met jezelf, je omgeving en de ander verstoord is. Eerst gaan ze op zoek naar het herstel van deze relaties, dat al dan niet slaagt.

Centraal in Ik mag niet klagen staat het kortverhaal dat de naam gaf aan de gehele bundel. Anne Moraal schreef een parabel over twee Noord-Koreaanse broers die in dezelfde kamer slapen, maar een strikte scheiding hanteren over wat van de een en wat van de ander is. Een van de broers vertelt het verhaal over twee hondenbroers die pal op de grens tussen Noord- en Zuid-Korea geboren worden. De ene hond geniet van zijn vrijheid en de avonturen die hij in het democratische Zuiden van het Koreaanse schiereiland kan beleven, maar heeft door de vrijheid een neiging tot klagen en zagen. De Noord-Koreaanse hond echter beantwoordt de vraag ‘Hoe is het daar?’ steeds met ‘Ik mag niet klagen’. Hij verhult hiermee alle mishandelingen en beperkingen op de vrijheid die met het leven in het Noorden gepaard gaan. De titel van de gehele bundel Ik mag niet klagen lijkt zo een antwoord te bieden op het onmogelijke dilemma dat hedendaagse schrijvers ervaren: ofwel keren ze terug naar strak omlijnde helden die met sociaal engagement en politieke spitsvondigheid de crisissen van de eenentwintigste eeuw te lijf gaan, ofwel keren ze zich, als erfgenamen van het postmoderne gevecht tegen de grote verhalen, weer naar binnen en focussen ze op het inter- en intrarelationele. Bijgevolg is de titel Ik mag niet klagen hetgeen wat deze nieuwe schrijvers juist níet doen: ze klagen en zagen en vertellen de verhalen over hun middenklasselevens en hun relaties met zichzelf en de ander omdat dit zaken zijn waar ze misschien (opnieuw) controle over kunnen hebben.

Een ‘jammer-gevoel’

De verhalen uit deze bundel behoren tot een echte lees- en schrijfcultuur die nauw verwant lijkt aan zelfontwikkeling en zelfhulp. Misschien bevat de bundel daarom ook veel coming-of-age-verhalen. Ze beogen identificatie met de ervarings- en gevoelswereld van het leespubliek. Er is slechts in beperkte mate sprake van formele vernieuwing. Literatuur met een grote ‘L’ lijkt net zoals politiek en sociaal engagement dood in een wereld die voor millennials aanvoelt als alsmaar onmaakbaarder en onbekender; de grote vraagstukken uit het postmodernisme blijven onopgelost en de wereld lijkt voor de personages te groot en te onoverkomelijk om er iets aan te veranderen.

Dit beseft ook het hoofdpersonage van het laatste verhaal, ‘En dan maar gaan’, van Maartje Wortel. Als ze voor de eerste keer met haar moeder op vakantie naar zee vertrekt, komen ze pas halverwege tot het besef dat de benzine gelimiteerd is. Ze geraken niet meer aan de kust. In een ironische wending zegt de moeder dat het razen van de auto’s op de snelweg erg lijkt op het geluid van de door armoede niet-bereikte zee: ‘Precies op dat moment begreep ik dat de wereld altijd te groot voor mij zou zijn. En als je dat weet, dan blijf je liever thuis.’

Die gevoelswereld van de hoofdpersonages wordt dus in grote mate gekenmerkt door verslagenheid tegenover de onbekende en onmaakbare wereld. Daarmee gaat een gevoel van gemis, verlies, onthechting en voornamelijk weemoed gepaard. Bijna elk personage lijkt gedreven op zoek te gaan naar een herstel van relaties met anderen en met zichzelf. Het herstel van de verhouding tot het ik wordt echter bemoeilijkt wanneer een op het verleden gestoelde identiteit verdwijnt. Een veel voorkomend thema in enkele kortverhalen is bijgevolg, om het met Couperus te zeggen, ‘van oude mensen, de dingen die voorbijgaan’ of de verloren gegane jeugd.

Zo schetst Jaap Robben in ‘Wassing Mathilde’ het coming-of-age-verhaal van een zomervakantie in Frankrijk. De ouders luisteren in de auto naar een nummer genaamd ‘Wassing Mathilda’, dat ze vaak speelden toen de moeder van het hoofdpersonage zwanger was. Het lied geeft je een ‘jammer-gevoel dat je krijgt terwijl je vrolijk bent. […] Dat is melancholisch’. Deze bundel straalt het gevoel uit van het enerzijds eigenlijk goed hebben in dit tijdvak, maar het anderzijds bewust zijn van de problematische binnenwerelden van mensen in eenzaamheid of in psychisch tumult.

Lichamen

De sterkste en overtuigendste verhalen behandelen de kleinmenselijke problematieken die misschien niet wereldschokkend zijn, maar des te persoonlijker en relevanter. De helden zijn onzekere en troebele ik-vertellers die naast de relatie met de ander, ook de relatie met hun eigen lichamelijkheid proberen te onderzoeken. Het duidelijkste komt dit thema naar voren in de lichaamsonzekerheid van de vrouwelijke hoofdpersonages in de verhalen van Lize Spit en Rebekka de Wit. Lize Spit beschrijft in ‘Tweeduizend eieren’ het verhaal van een islamitische vrouw die van haar collega’s een cadeaubon voor een massage krijgt. Haar onzekerheid over haar lichaam, dat volgens haar op dönervlees lijkt, doet haar deze massage steeds weer uitstellen. De relatie tussen lichaam en geest is zodanig verbroken, dat ze ervan droomt ‘haar huid te kunnen openritsen […] tot ze binnenin een heel ander lichaam vindt, strak en donkerbruin, zoals de pit in een lychee’. Haar volslanke lichaam, en dan voornamelijk haar onderlichaam, had ze ‘jaren geleden losgelaten, losgekoppeld van haar hoofd’. Toch botst ze steeds weer op deze werkelijkheid als ze in de spiegel kijkt. Deze loskoppeling tussen lichaam en geest heeft niet alleen gevolgen voor haar persoonlijke leven, maar onder invloed van de strak geregisseerde lichamen op social media heeft ze ook gevolgen voor de waarheid en de authenticiteit van de echte wereld die er ondanks alles toch nog is.

Dit idee wordt het helderst geformuleerd in het naamloze kortverhaal van Rebekka de Wit. Het hoofdpersonage luistert bij het passen van een badpak een gesprek tussen twee tieners af, die een filmpje op social media bekijken en vaststellen dat het afgebeelde waarschijnlijk niet echt is. Ze vraagt zich af hoe dat moet zijn ‘als je opgroeit – of moet leren leven – met het idee dat “waarschijnlijk alles niet echt is”’. De hoofdpersonages zoeken in de eerste plaats naar authentieke relaties, hetzij met de ander, hetzij met zichzelf of hun lichaam. Deze opdracht lijkt in vele gevallen hopeloos en ontmoedigend, met als gevolg gevoelens van gelatenheid, weemoed en melancholie.

En toch, toch weet Ik mag niet klagen te overtuigen. Deze bundel mag dan kleinmenselijkheid, de microstructurele samenleving in relaties en de platgereden paadjes van melancholie en nostalgie bewandelen, de kortverhalen blijven resoneren. Zeker de krachtigste verhalen van de bundel staan zeer goed op zichzelf en passen binnen een sterke (vaak Angelsaksisch geïnspireerde) traditie van kortverhalen. Zo houdt deze jeugdige millennialliteratuur stand in deze door corona alleen maar meer vereenzamende en vervreemdende apocalyptische wereld. De nakende apocalyps die in de vorm van de klimaatcrisis voor deze millennialgeneratie opdoemt, wordt het nadrukkelijkst behandeld in Raoul de Jongs ‘Frits Van Troon’. Na de indamming en het ontstaan van het Surinaamse Brokopondomeer stierven miljoenen dieren en planten. In het midden van het meer bezoekt de ik-verteller de botanicus Frits Van Troon. ‘En toch was het niet lelijk hier,’ zegt die verteller op het eiland, ‘in het centrum van de apocalyps’. Hetzelfde geldt voor het hier en nu: het is niet lelijk hier midden in de coronapandemie met deze bundel, nee, dat zeker en vast niet.

 

Deze recensie door Sam De Gueldre over de bundel Ik mag niet klagen met kortverhalen van verschillende laureaten van de Write Now!-wedstrijden van de afgelopen twintig jaar werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen-Nederlands Verbond.

Passionate Bulkboek, Rotterdam, 2020
ISBN 978-90-903336-1-8
212p.
Meer info: writenow.nu/2020/09/14/passionate-bulkboek-bundelt-twintig-korte-verhalen-van-write-now-laureaten-ter-ere-van-25-jaar-bestaan/ p.

Geplaatst op 15/11/2020

Tags: Anne Moraal, Lize Spit, millennialauteur, passionate bulkboek, Sam De Gueldre, write now

Categorie: Proza, recensie

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.