Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Koeiendagen is de derde poëziebundel van dichter en verhalenschrijver Kira Wuck en thematiseert onder meer de dood, rouwprocessen en nagedachtenis. Wucks stijl wordt voornamelijk gekenmerkt door haar fantasievolle en gelaagde gebruik van vaak absurde beelden, waarmee ze steeds memorabele microwerelden weet te bouwen. Hoewel Koeiendagen daar fraaie voorbeelden van bevat, valt het op dat er in de nieuwste bundel iets wringt aan heel wat beelden.
Sommige beelden lijken op een wankele vergelijking te berusten, zoals de regen die ‘een omgekeerde rivier probeert te zijn’ in het gedicht ‘Alles wat wankel is kan vallen’. Andere zijn weinig origineel, bijvoorbeeld de wispelturige, golvende zee, die een jij-figuur naar zich toetrekt en die vervolgens verstoot in het gedicht ‘De zee trekt je naar zich toe als een minnaar’. Bij momenten verbreken die schijnbare onvolkomenheden het esthetische effect van het beeldenspel enigszins. Ze kunnen echter evengoed als betekenisvolle dissonanties gelezen worden. Juist die tweede zienswijze maakt de bundel erg interessant.
Wuck is in Koeiendagen allerminst gierig met beelden. Het kortste gedicht is ‘Mijn vader heeft een heelal boven mijn bed geplakt’, dat slechts vier verzen telt. Daarin worden een opgeplakt universum, een aan de verwarming vastgeketende moeder en een ‘klodderige rivier’ van ‘zuur verdikte melk’ tussen een matras en een bedrand opgevoerd. De symbolische betekenis van de absurdere taferelen is niet altijd evident bij een eerste lezing en de lezer moet de verschillende beelden in eenzelfde gedicht geregeld met elkaar in verband brengen om die betekenis uiteindelijk te achterhalen.
Toch voelen de teksten coherent aan. Je hoeft namelijk niet tot een volledige interpretatie van de symboliek in Wucks gedichten te komen om intuïtief te merken dat de beschreven taferelen met elkaar ‘resoneren’. Een verklaring voor die gevoelde resonantie is te vinden in The Poem as Icon (2020) van literatuurwetenschapper Margareth Freeman. Freeman stelt dat sterke poëzie meestal een preconceptuele ervaring van de werkelijkheid onthult, een ervaring zoals die is voordat onze geest haar abstraheert door haar in categorieën om te zetten. Een gedicht zou dat, enigszins vereenvoudigd, doen door zowel zijn structurele eigenschappen als zijn beeldtaal te laten motiveren door affectieve ervaringen. Met ‘affect’ verwijst Freeman naar de krachtsdynamieken die belevingen van de werkelijkheid structureren, reeds voordat we ze in concepten omzetten. Ervaringen houden namelijk in dat subjecten ‘krachten’ uitoefenen op objecten, in de zin dat de zintuigelijke waarneembare of emotieve eigenschappen van de subjecten die van het objecten beïnvloeden. De beelden van een sterk gedicht resoneren dus met elkaar doordat dat ze gemotiveerd zijn door bepaalde affectieve ervaringen die het gedicht wil exploreren. Het gedicht maakt die preconceptuele ervaringen immers voelbaar.
In ‘Mijn vader heeft een heelal boven mijn bed geplakt’ houden alle beelden bijvoorbeeld een zekere vastzetting van een object in. Het heelal wordt vastgeplakt boven het bed van het lyrisch ik; de moeder is vastgeketend aan de verwarming en de beschrijvingen van de melk en de rivier ‘waarin je verdrinken kan’, suggereren een brij waarin je vast kan komen te zitten. Daarnaast evoceren de beelden een verlies van positieve gevoelens ten opzichte van het moederlijke. Het lyrisch ik moet afgeleid worden wanneer de moeder zich aan de verwarming vastketent.
Zowel melk als waterlichamen kunnen een verlangen naar het moederlijke symboliseren. Dat merkt Gaston Bachelard onder meer op in zijn beroemde boek Het water en de dromen (1942). De verzuring van de melk alsook de klodderigheid en dodelijkheid van de rivier suggereren dan de teloorgang of ontaarding van het verlangen. In de context van de volledige bundel, waarin de dood van een moeder een centraal motief is, vallen de twee krachtdynamieken (de vastzetting en het verlies van de positieve emotie omtrent het moederlijke) gemakkelijk met elkaar te verbinden, wat het beeld verklaart: iemand kan emotioneel vast komen te zitten in de verwerking van het gemis van hun moeder; het gemis kan een fixatie worden. In zijn geheel reflecteert Wucks bundel nog dieper op de dood van de moeder en op nagedachtenis in het algemeen, maar de achterliggende affectieve ervaring van het gemis als iets dat fixeert, is intuïtief voelbaar. Ze zorgt ervoor dat de lezer de beeldenwereld van het gedicht intuïtief als coherent kan beleven, hoe absurd die wereld ook mag zijn.
Opvallend aan Koeiendagen zijn echter evenwel de beelden die juist helemaal niet harmoniseren op basis van achterliggende affectieve ervaringen. Het gaat dan vooreerst om beelden die de affectieve structuur van een gedicht lijken te verstoren door willekeurige of tegenstrijdige combinaties van krachtsdynamieken op te roepen. Noch de zintuigelijke, noch de emotieve aspecten van de ervaring van regen hebben veel te maken met hetgeen de ervaring van een omgekeerde rivier zou inhouden.
In mindere mate voelen ook beelden die eerder op clichés dan op affectieve ervaringen lijken te berusten dissonant aan. De gedachte dat de zee haar minnaars aantrekt en afstoot, berust an sich op een metaforisch verband tussen onze motorisch-perceptieve ervaring van de manier waarop golven bewegen (een trekkende en een duwende beweging) en onze emotionele ervaring van een wispelturige minnaar (een aantrekking en een afstoting). In de praktijk voelt het beeld echter zo vertrouwd en evident aan dat de lezer de beweging niet hoeft te visualiseren om de strofe te interpreteren, waardoor die de affecten amper ervaart.
Nu vervreemdt het eerste vers van de volgende strofe, ‘hij heeft genoeg van alles’, de lezer enigszins van het beeld door met ‘hij’ in plaats van met het gebruikelijkere ‘zij’ naar de zee te verwijzen. Dat kan ervoor zorgen dat de lezer het symbool herbekijkt met een frisse blik en zo alsnog de affecten beleeft. Het neemt echter niet weg dat het beeld initieel niet goed lijkt te werken. Dat is des te meer opvallend doordat Wuck in haar vorige werk de zee als een terugkerend symbool gebruikte. Criticus Steffie Van Neste besteedde hier al eerder aandacht aan in haar bespreking op De Reactor van de bundel De zee heeft honger (2018) van Kira Wuck.
Bij zowel het beeld van de ‘omgekeerde rivier’ als bij dat van de zee wordt de ‘esthetische’ ervaring van lezers, die we volgens Freeman kunnen zien als hun ervaring van preconceptuele verwerkingsprocessen, dus verbroken doordat een beeld niet op een verband tussen affectieve belevingen lijkt te berusten en daardoor geen preconceptuele belevingen voelbaar maakt. Dergelijke verbrekingen van de esthetische ervaring lijken de poëzie van Wuck in eerste instantie louter te verzwakken. Het is echter niettemin mogelijk om ze als betekenisvolle momenten van disharmonie te lezen.
Doordat de beelden juist geen preconceptuele ervaring oproepen, kunnen de gedichten waarin ze voorkomen namelijk een wisselwerking tussen ons preconceptuele en conceptuele denken exploreren. Ze verkennen meer bepaald hoe effecten van individuele en culturele vertrouwdheid onze zintuigelijke en emotionele beleving beïnvloeden. Dat doen ze op minstens twee manieren.
Ten eerste laten ze zien hoe de conceptualisatie van ervaringen als zijnde individueel of cultureel vertrouwde situaties onze affectieve beleving van die situaties verzacht en daardoor voelbaar is op een precognitief niveau. We kunnen abstracte gegeven zoals tradities en gewoontes met andere woorden voelen als krachten die verzachtend op onze zintuigen en emoties inwerken.
Veel gedichten in Koeiendagen verwijzen namelijk naar taferelen of uitdrukkingen waarvan aspecten op zich een sterke lichamelijke of emotionele ervaring lijken te impliceren maar die men als vertrouwd beschouwt en bijgevolg als weinig heftig beleeft. Enkele duidelijke voorbeelden vinden we in de gedachte dat je overdag stil moet liggen om vocht te besparen in het gedicht ‘Logboek’, bij de koeien die in hetzelfde gedicht afwaswater drinken, en bij de moeder die velletjes van de knieën van haar kind trekt in ‘De dood ligt naast pijnstillers op je nachtkastje’. Door die taferelen creatief te beschrijven, ze in een onverwachte context te presenteren of ze licht te vervormen, vervreemden de teksten de lezer ervan. Die wordt zich daardoor bewust van de zintuigelijk heftig klinkende aspecten. De lezer kan zo merken hoe de context van het vertrouwde tafereel hun verbeelding van die aspecten normaal affectief zou verzachten. Een kind wiens moeder een korstje verwijdert, vindt dat doorgaans niet abnormaal.
Dissonante beelden zoals dat van de zee in ‘De zee trekt je naar zich toe als een minnaar’ kunnen een gelijkaardige functie vervullen. Ze dragen niet bij aan de opwekking van een precognitieve ervaring doordat een vertrouwdheidseffect hen affectief te sterk afzwakt. Zo plaatsen ze de affectief verzachtende kracht van de vertrouwdheid nog nadrukkelijker op de voorgrond.
We kunnen de benadrukking van het affectief verzachtende effect van vertrouwdheid koppelen aan het thema van verlies. Wanneer we een geliefde verliezen, blijven de gewoontes en de kennis van gewoontesystemen die de persoon in ons leven binnenbracht onze affectieve cognitie beïnvloeden. In die zin kunnen we een aspect van die persoon op een zintuigelijk/emotioneel niveau blijven beleven. Dat geldt des te meer wanneer het om een moeder gaat, wier gewoontes bepalend waren voor je oorspronkelijke normaliteitszin. Het gedicht ‘Tast’ bevat de verzen ‘dat [mijn lichaam] vergeet als laatste/ de route die het elke dag aflegt’. In de twee laatste strofen beschrijft het bovendien een relatie tussen het lyrisch ‘ik’ en een jij-figuur waarin beiden perfect weten hoe hun lichamen gewoonlijk interageren. Het finale gedicht van Koeiendagen, ‘Zoals je je wijsvinger in het vlees douwt’, voert dan weer een jij-figuur op die kan overleven met het lichaam van het lyrische ‘ik’. Het motief van de belichaamde herinnering aan geliefden staat in beide teksten centraal.
Ten tweede verkennen de gedichten via dissonante beelden hoe onze normale, niet-doordachte interpretatie van de werkelijkheid niet louter op de externe werkelijkheid en de natuurlijke werking van onze individuele zintuigen steunt. Ze wordt ook bepaald door de aangeleerde manieren waarop we sensoriële ervaringen aan conceptuele principes koppelen. We zijn echter zo vertrouwd met die aangeleerde principes dat we ze normaal niet opmerken.
Het dissonante beeld van regen die een omgekeerde rivier probeert te zijn in ‘Alles wat wankel is kan vallen’ berust bijvoorbeeld op een evidente relatie tussen regen en rivieren. Ze bestaan beide uit water. Dat voelt aan als een principe dat we intuïtief begrijpen op basis van onze natuurlijke zintuigelijke beleving. We kunnen ons immers een eenvoudige sensoriële observatie voorstellen waaruit we het zouden kunnen afleiden. Zowel rivieren als regendruppels zijn namelijk nat, koud, (deels) transparant, enzovoort.
De gevoelde dissonantie in het gedicht maakt de lezer er echter bewust van dat de zintuigelijke ervaring van regen en die van een rivier doorgaans sterk van elkaar verschillen. De evidentie van het verband vloeit niet zozeer voort uit een grote gelijkenis tussen onze eigen zintuigelijke belevingen van de twee fenomenen. Ze berust eerder op onze vertrouwdheid met de conceptuele gedachte van water als de stof waaruit onder andere waterlichamen en neerslag bestaan en op de daaraan gerelateerde neiging om, wanneer ze samen genoemd worden, op prototypische eigenschappen van water (bijvoorbeeld natheid) te focussen.
In die zin kunnen dissonante beelden bijdragen aan een ruimere exploratie van de soms vage grens tussen cultureel aangeleerde principes en ‘natuurlijke’ observaties. Die verkenning uit zich ook via andere beelden. Het gedicht ‘Je kunt je verzetten door’ stelt bijvoorbeeld dat de zon zich tegen de natuurlijke orde verzet wanneer ze met de maan ‘samenplakt’. De (schijnbare) temporele scheiding van de hemellichamen wordt neergezet als een soort conventie waartegen men kan rebelleren.
De exploratie staat tevens in verband met de verliesthematiek van Koeiendagen. Het voorlaatste gedicht van de bundel, ‘In India tillen ze doden in een stoel’, beschrijft hoe in India een laatste parade wordt gehouden met het lichaam van overledenen, en koppelt daaraan de gedachte dat sterven daar gemakkelijker is dan ‘hier’, waar we de botten van wie niet lopen kan vermalen. Het finale gedicht laat toe die ideeën enigszins te kaderen. Het bevat de uitspraak: ‘Zolang ik beweeg, ga ik niet dood’, en verbindt de dood onder meer met het wegvallen van bewegingsvormen, waaronder dansen en wandelen. De westerse omgang met overlijdens lijkt de harde overgang tussen het leven en de dood, die wij als natuurlijk ervaren, te bevestigen. Zodra iemand niet meer kan lopen, wordt hun lichaam tot stof herleid. De Indiase crematierituelen laten daarentegen een laatste beweging toe en construeren zo een meer organische overgang, waarbij de affectieve heftigheid van de transformatie tot stof zelfs verzacht wordt door de vertrouwdheid van een verjaardagachtige feestvreugde: ‘alsof je verjaart/ uitzinnige vreugde/ stofwolken’.
Samengevat confronteren de dissonante beelden ons met het deel van ons belichaamde denken dat niet zozeer een autonome buitenwereld weerspiegelt, maar gekneed werd door de situaties en denkbeelden waarmee we vertrouwd zijn. Daarin kan de ervaring van verloren geliefden nog even, rebels, voortleven. Zo bewijst Wuck met Koeiendagen dat ze niet alleen een rijke maar coherente beeldtaal weet aan te wenden, maar ook de mogelijkheden van dissonantie en vervreemding op een geslaagde manier kan benutten.
Signalement over Koeiendagen van Kira Wuck door Anthony Manu.
Reacties
Ton van ‘t Hof
Beste redactie, dit ‘signalement’ hangt van volslagen onzin aan elkaar. Er is werkelijk geen touw aan vast te knopen. Als geïnteresseerde lezer voel ik me niet serieus genomen. Ik verwacht op dit platform boekbesprekingen te lezen, geen onsamenhangend gespui van onbegrepen theorietjes. Alle betrokkenen – recensent, dichter, lezer, redactie – zijn beter af als u deze onmogelijke tekst offline haalt. Met vriendelijke groet, Ton van ’t Hof
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.