Niemand komt zomaar op de berg

Wij en ik

Saskia de Coster

Saskia de Coster (1976) staat bekend om haar sterk associatieve en grillige stijl. Na haar debuutroman Vrije val (2002) volgden nog vier romans waarin scherpe inzichten en absurdisme op elkaar botsten, maar die ook prima samen blijken te gaan. De Coster schrijft indringende verhalen die je niet snel vergeet en die eerder beklemmen dan bevrijden.

De Vandersandens

De Costers recentste roman Wij en ik begint daarentegen angstvallig kalm: op een berg, in een rustige villawijk die ook wel ‘de verkaveling’ wordt genoemd. Het is een minimaatschappij waar mensen die het gemaakt hebben tot rust komen. De familie Vandersanden, woonachtig in een enorme villa op Nachtegalenlaan 7, lijkt een modelgezin. Het echtpaar Mieke en Stefaan zijn net de trotse ouders geworden van dochter Sarah. Stefaan heeft het ver geschopt, van West-Vlaamse boerenzoon tot research & development-director bij een groot farmaceutisch bedrijf. Mieke komt uit een welgestelde notarisfamilie, kreeg een gigantische erfenis en wijdt zich nu vol overgave aan het huishouden.

Tot zover de goede vooruitzichten. Al gauw blijkt namelijk dat het er achter de machtige voordeur van huize Vandersanden weinig rooskleurig aan toe gaat. Mieke is een vrouw van vreemde, bekrompen en bovenal onbuigbare principes. Principes die haar dwingen haar wereld zo klein mogelijk te houden en die haar bij elke confrontatie met de buitenwacht nerveus maken. Haar remedie voor die nervositeit: het eindeloos kammen van de touwtjes van de peperdure tapijten in de woonkamer. Naast Mieke Vandersanden staat een man van wie Mieke aanvankelijk dacht dat zij hem kon kneden tot het evenbeeld van haar vader, maar dat valt behoorlijk tegen. Stefaan evolueert snel van een hyperactieve yup tot een afgematte en opgebrande dweil, zich bewust van de leegheid van zijn bestaan. Liegen kan Stefaan niet, zwijgen wel en als hij al praat, dan zegt hij eigenlijk niets.

Sarah lijkt gedurende haar kindertijd de redding voor het gezin. Ze is een vrolijk en nieuwsgierig meisje, maar de constante verstikking door haar moeder en de schijnbare desinteresse van haar zwijgzame vader eisen hun tol als Sarah de pubertijd nadert. Het begint met een stiekem sigaretje en eindigt met veel drugs en doorwaakte nachten. Ook ontwikkelt Sarah anorexia, wat enkel een extra manier lijkt om haar moeder dwars te zitten. Hoe hard Mieke ook probeert haar dochter in toom te houden (want stel je voor dat iemand Sarah in die ongewassen kleren zou zien…), hoe verder Sarah wegdrijft in de zwijgzaamheid die verdacht veel op die van haar vader lijkt en die haar moeder als ‘ziekelijke onverschilligheid’ bestempelt.

Op drift

Tegen de tijd dat Sarah zestien is, zijn alle personages op hun eigen manier op drift. Centraal staat daarin het ontbreken van een echte familieband. Daar tegenover staat de onoverkomelijke verbinding die een bloedband met zich meebrengt. Mieke bemerkt dat er van alles mis is met haar gezin. Ze voelt zich verraden, omdat ze getrouwd blijkt te zijn met een man die zich niet laat kneden tot haar ideaalbeeld. Tegelijkertijd kan ze zichzelf niet los zien van zowel Stefaan als Sarah. Ze definieert zichzelf aan de hand van die ‘wij’ en zal die ‘wij’ tegenover de buitenwereld ook altijd verdedigen. Stefaan valt ze publiekelijk nooit af, maar binnenshuis zwijgt ze hem dood. Daarbij ziet ze het als haar taak als moeder om Sarah, of die nou wil of niet, rotsvast in de ‘wij’ te verankeren.

Stefaan worstelt op zijn eigen manier met bloedbanden. De West-Vlaamse boerenfamilie waaruit hij stamt heeft hem een soort genetische vloek meegegeven. Zijn bloed is besmet met de dood: Stefaans vader pleegde zelfmoord en Stefaans jongere broer zakte door het ijs en verdronk. De dood van zijn broertje rekent Stefaan zichzelf aan. Stefaan is getekend door een erfelijk onvermogen om te leven, of om op een normale manier met het leven te kunnen omgaan. Hij lijkt af te drijven van de realiteit en zich tegelijk schrap te zetten voor een enorme explosie. Al zijn woede, verdriet en schuldgevoelens komen niet thuis tot uiting, maar op een van zijn vele zakenreizen, waarop hij in staat van grote verwarring een kamermeisje verkracht.

En Sarah? Sarah lijkt onverwoestbaar. Ze laat alle vreemde bevliegingen en dwingende pogingen van haar moeder om haar in het familiegareel te krijgen van zich afglijden. Ze lijkt het bovendien niet erg te vinden dat haar vader een totaal vreemde man voor haar is. Maar ook in haar broeit het besmette Vandersanden-gen, en ook zij is onlosmakelijk verbonden met Mieke en Stefaan, al ontkent Sarah dat graag. Maar waar haar moeder wanhopig vasthoudt aan die totaal disfunctionele ‘wij’ en haar vader zijn erfelijke belasting simpelweg ondergaat, daar probeert Sarah, hoe moeizaam ook, het domein van haar ‘ik’ af te bakenen.

Sarah eindigt uiteindelijk in New York, nadat haar vader – geheel volgens de familietraditie – zelfmoord pleegt. Sarah besluit alles achter zich te laten en voor het leven te kiezen. Aan het einde van de roman is ze 32 en gelukkig getrouwd. Sarah creëert op haar manier een eigen ‘wij’, die ze angstvallig anders wil laten zijn dan de ‘wij’ waarvan ze zelf deel uitmaakte. De vraag is natuurlijk of dat wel kan. Kun je de bloedbanden doorsnijden door te emigreren en door bewust alles anders te willen doen? Als Sarah onverwacht zwanger raakt, blijkt het antwoord in eerste instantie verrassend genoeg nee. Hoewel Sarah haar best heeft gedaan een totaal ander leven te creëren, is ze ervan overtuigd dat ze geen goede moeder kan worden. Ze kan geen gelukkig kind op de wereld zetten, omdat er een catastrofe in haar bloed schuilt, die ze onvermijdelijk zal doorgeven aan haar kind. Sarah is zich kortom bewust van haar erfelijke ballast en vreest voor een herhaling van de geschiedenis, maar toch besluit ze het kind te houden. Ze is niet bestand tegen een zekere oerkracht: het nieuwe ‘wij’ is er al, zelfs al moet het kind nog geboren worden. En zo begint er, ondanks Sarahs voornemens, een nieuwe familiegeschiedenis.

Hoogspanning

Wij en ik is een roman vol vlijmscherpe en pijnlijke contrasten. Elk hoofdstuk wordt door de ogen van een ander personage verteld, waardoor er een wisselwerking ontstaat tussen de verschillende perspectieven. Mieke, Stefaan en Sarah zijn zich namelijk zeer bewust van de onmacht en onkunde van de ander. Zo kan Mieke hoogdravend oreren over haar durf, tact en discretie, terwijl Sarah die façade in het volgende hoofdstuk terugbrengt tot ‘een manier van overleven’. Stefaan ziet op zijn beurt best dat Sarahs anorexia geen puberale recalcitrantie is, maar een gevolg van de zelfopgelegde plicht om haar ouders te overtreffen. Toch zijn de gezinsleden ook niet vies van enige introspectie. Stefaan weet voortdurend de vinger op zijn eigen zere plek te leggen. Hij constateert, maar heeft vervolgens geen enkel idee wat hij met zijn bevindingen aan moet. Sarah ziet met afgrijzen in dat ze op die vreemde man lijkt die ze niet wil erkennen als vader. En Mieke accepteert uiteindelijk dat Sarah haar eigen weg moet gaan en laat haar emigreren.

Deze beschouwingen van de personages, over zichzelf en over elkaar, maken pijnlijk duidelijk hoe ontzettend scheef dit gezin in elkaar zit. Niets van dit alles wordt echter uitgesproken, waardoor de situatie alleen maar erger wordt, totdat de spanning niet meer houdbaar is en de boel escaleert. De personages vervreemden van elkaar en uiteindelijk ook van zichzelf. Mieke verwijst bijvoorbeeld naar Stefaan en Sarah als ‘het gezinshoofd’ en ‘nakomelinge Sarah’.

De Coster speelt het op die manier klaar elke situatie onder hoogspanning te zetten, wat voor de lezer gepaard gaat met een hoop plaatsvervangende schaamte en hilariteit. Neem de neurotische huishouding van Mieke. De Coster laat Mieke paginalang als een wervelstorm het hele huis gereed maken voor het bezoek van ‘beste vriendin’ Elvira. Daarbij wordt een onvindbare taartschep bijna als vermist opgegeven. Twee dagen besteedt Mieke aan de voorbereiding van het bezoek. Ze laat niets aan het toeval over en verwelkomt haar vriendin vervolgens met de obligate woorden ‘let maar niet op de rommel’.

Wij-taal

De lijn tussen vermakelijk en ongemakkelijk is echter dun. In het gezin Vandersanden kunnen alledaagse situaties zomaar omslaan. De lezer kijkt van een afstandje de villa binnen en kan zo grinniken om de miscommunicatie en onhandigheid. Maar die momenten van vrijblijvendheid zijn van korte duur. De laatste beetjes lucht worden uit de villa gezogen door incidentele passages waarin opeens een ‘wij’ aan het woord komt. Die ‘wij’ kan verschillende vormen aannemen. Zowel het gezin Vandersanden, als de families van Mieke en Stefaan en het gezin dat Sarah in Amerika sticht, kunnen symbool staan voor de sprekende ‘wij’. De stem van de ‘wij’ is vaak dwingend, op het agressieve af en maakt het hebben van een ‘ik’ voelbaar onmogelijk. Het zijn beklemmende passages die een beter inzicht geven in de handelingen van de hoofdfiguren. Als Mieke en Stefaan hun ‘wij’ werkelijk op die manier ervaren, dan zijn hun drijfveren en reacties een stuk logischer. Dan bestaat er voor Mieke geen ‘ik’ buiten die ‘wij’ en heeft Stefaan inderdaad geen overlevingskansen.

Ook dit gegeven wordt omgedraaid op het moment dat Sarah zwanger raakt. Hoewel ze denkt aan abortus, vormt zij met haar ongeboren kind en haar echtgenoot een nieuwe ‘wij’. Iets waar Sarah met recht bang voor is, gezien haar achtergrond. De anorexia die Sarah in haar pubertijd ontwikkelt en de afschuw waarmee ze bijvoorbeeld naar het krijgen van vrouwelijke vormen kijkt, kan in dat licht worden gezien als de uiting van een diepgewortelde angst voor het worden van een vrouw. Een meisje blijven betekent immers onvruchtbaar zijn en dat impliceert het einde van de levenslijn en het doorbreken van de vloek die Sarah via vaders kant heeft meegekregen.

De keuze om het kind toch te houden, lijkt in eerste instantie een overwinning voor de vrije wil. Het tegenovergestelde blijkt waar. De laatste wij-passages worden uitgesproken door de ‘wij’ die Sarah en het ongeboren kind vormen, een ‘wij’ die zich duidelijk niet zomaar gewonnen geeft:

Wij spreken haar streng toe. […] Wij moeten ons voortdurend opdringen aan de wereld. […] Wij deppen het zweet van haar lichaam en fluisteren haar bemoedigende woorden toe. Wij kapselen haar helemaal in zodat ze zich veilig voelt bij ons. Wij nemen haar mee naar de afgewende kant van het leven.

Dat Sarah een nieuwe ‘wij’ zal vormen, ook al wil ze het niet, is onoverkomelijk. Daar zorgt die ‘wij’ zelf wel voor.

Tijdgeest

Wij en ik krijgt op die manier toch nog een twijfelend hoopgevend einde, na de teloorgang van het ‘verkaveling-gezin’ dat slachtoffer van het eigen succes werd. De roman opent met de zin ‘niemand komt zomaar op de berg’, verwijzend naar de mensen die het is gelukt een villa op de verkaveling te bemachtigen. De uitverkorenen zijn mensen zoals Stefaan, die hun eigen achtergrond overwonnen hebben; babyboomers die hard geploeterd hebben voor een inwisselbare, maar goedbetaalde managementfunctie; vrouwen zoals Mieke, die zelfs hun eigen gezin zien als een sleutel tot succes; gezinnen voor wie de Golfoorlog niet meer dan een verspilling van olie is, voor wie economische crisis nooit werkelijkheid zal worden, voor wie de wereld onderaan de berg simpelweg niet meetelt, omdat daar buiten de boodschappen niets meer te halen valt. Het zijn met andere woorden gezinnen die door hun materiële succes van gekkigheid niet meer weten wat ze moeten doen en al hun energie en vermogen steken in het vasthouden aan dat verworven succes.

In het oog van de orkaan van winstbejag en statusdrang is het angstaanjagend stil. Niemand uit zich en iedereen houdt zich in, omdat de wankele balans behouden moet worden. De uiterlijke factoren dwingen niemand tot een confrontatie, want zolang de buitenwereld denkt dat het goed met je gaat, is alles dik in orde. En als je je leven lang hebt gewerkt om dat voor elkaar te krijgen, waarom zou je die innerlijke factoren dan een bedreiging laten vormen?

Door dat ‘binnenhouden’ is Wij en ik vooral een roman waarin de belangrijkste dingen niet worden gezegd. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze er niet zijn. Emoties worden met reden ingehouden, afgedaan met ironische dooddoeners van Stefaan of weggepoetst door de schoonmaakdrift en maniertjes van Mieke. De angst voor de grote confrontatie die alles kapot zou maken waar zo hard voor gewerkt is, is een totaal andere drijfveer dan de drang een nieuw systeem te moeten zoeken, omdat er anders geen leven mogelijk is. De Vandersandens doen slechts aan damage control, omdat er geen fundamentele noodzaak is de boel totaal om te gooien. Het is akelig confronterend dat ze zich daar koste wat kost aan vasthouden.

De Coster heeft met Wij en ik boven alles een tragikomische familiegeschiedenis geschreven. Toch heeft de familie Vandersanden ook een aantal treffende gelijkenissen met onze eigen wereld. De vraag is echter wie De Coster in Wij en ik probeert te portretteren. Is het ‘onze maatschappij’, die zich net als de familie Vandersanden kenmerkt door zwijgzaamheid en ontkenning? Of probeert De Coster juist een karikaturale schets te maken van een maatschappelijke bovenlaag, van de ‘happy’ few die genoeg geld hebben voor een optrekje op de verkaveling?

Het laatste is het geval. Hoewel de roman verschillende aanzetten tot cultuurkritiek bevat, is de titel ‘kroniek van de tijd’, die de achterflap aan de roman toedicht, toch echt een maatje te groot. Daarvoor is de familie Vandersanden te exemplarisch en schiet De Coster met haar overdrijvingszin af en toe te veel uit de bocht. Met name Mieke is bij tijd en wijle een karikatuur. Wij en ik is wat dat betreft eerder een parabel dan een realistische cultuurkritiek. Zo erg zijn onze verkavelingen er nu ook weer niet aan toe. Of toch? Wie weet, niemand komt immers zomaar op die berg.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2013
ISBN 9789044623468
400p.

Geplaatst op 05/08/2013

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.