Proza, Recensies

Openlijk verbergen

Eindeloos vertier

David Foster Wallace (vert. Robbert-Jan Henkes)

Het boek is vaak slimmer dan de auteur. Om die reden heeft Robbert-Jan Henkes zich tijdens de vertaling van Infinite Jest (1996) amper verdiept in de biografie van de schrijver David Foster Wallace (1962-2008). En toch zou een autofictionele lezing van de roman vandaag de dag enorm relevant kunnen zijn. Autofictie is in de mode. De afgelopen jaren lijkt een groot aandeel van de literatuur te draaien rond een ik-verteller die heel dicht bij de auteur aanleunt. Die auteur stelt zijn leven gefictionaliseerd ter beschikking van de lezer. En dat werkt. In interviews kan de schrijver putten uit eigen ervaring om de thematiek van de roman te duiden. Het persoonlijke verhaal wordt een verkoopbaar narratief. Media en publiek smullen ervan, want er is herkenning, emotionele transparantie en vooral: de belofte van authenticiteit. Maar het autofictionele element in Eindeloos vertier heeft een andere werking. De autobiografische elementen worden zo vormgegeven dat ze een impliciete kritiek formuleren op onze hedendaagse cultuur, die van auteurs steeds vaker een transparant autobiografisch verhaal verlangt. Tegelijk wordt het ik in Eindeloos vertier uit het centrum van de aandacht geplaatst. In beide opzichten wijkt de roman af van veel hedendaagse autofictie, waardoor de Nederlandse vertaling, dertig jaar na de oorspronkelijke publicatie, op een opvallend geschikt moment verschijnt om het genre opnieuw ter discussie te stellen.

 

Cheers en Brainrot

De verschuiving van het centrum naar de periferie wordt in de roman op een bijna programmatische manier verbeeld. Tegen het einde van Eindeloos vertier verwijst Wallace naar Cheers, de populaire Amerikaanse sitcom die zich afspeelt in een bar in Boston. Denk aan vaste tooghangers die voortdurend moppen tappen waarop een lachband is gemonteerd. Op de achtergrond van dergelijke komische series zien we vaak naamloze figuranten keuvelen. We zien hun lippen bewegen, hun handen gebaren maken, maar we horen nooit wat ze zeggen.

Bij Wallace staan die randfiguren symbool voor het alledaagse, niet zo spectaculaire leven dat zelden in beeld komt. De meeste series en romans organiseren onze aandacht rond een klein aantal protagonisten. De rest blijft decor. Eindeloos vertier lijkt dat principe om te keren. In plaats van één centraal perspectief te volgen, laat de roman een groot aantal stemmen circuleren. Meer dan honderd personages passeren de revue. Verhaallijnen worden onderbroken, stemmen verdwijnen en keren pas honderden pagina’s later weer terug. Wat elders achtergrond zou blijven, krijgt hier een eigen gewicht. De figuranten uit Cheers worden als het ware naar voren geschoven.

In het slechtste geval resulteert dit in een kakofonische leeservaring die menig lezer doet afhaken. In die zin is Eindeloos vertier vandaag misschien nog herkenbaarder dan in de door televisie gesatureerde jaren 1990 waarin de roman verscheen. De overdaad in het boek doet op een bepaalde manier denken aan de brainrot opleverende content op sociale media en onze -tig openstaande tabbladen. De manier waarop we vandaag de dag worstelen om met een ongestructureerde overvloed aan informatie om te gaan is veelzeggend. Sociale media zijn zowel leuk, verslavend als frustrerend. Het is die ervaring van een overprikkeling die tegelijk leeg aanvoelt die we terugvinden bij Wallace. Het is geen toeval dat hij voor de roman aanvankelijk de werktitel A Failed Entertainment overwoog. Die titel duidt niet alleen op de film Infinite Jest als MacGuffin in de roman, een film die zo verslavend is dat wie ernaar kijkt uiteindelijk sterft, maar ook op het boek zelf als leeservaring. Eindeloos vertier faalt bewust als ‘entertainment’ in de conventionele zin van het woord. Het weigert vlot leesplezier en een narratieve beloning blijft door het gebrek aan heldere afronding uit.

In tegenstelling tot de onschuldige figuranten in Cheers lijkt haast iedereen in Eindeloos vertier te kampen met verslaving, suïcide, misbruik, angst en eenzaamheid. En laat dat nu juist de thematiek zijn waarin Wallace ervaringsdeskundige was. Recensenten vonden het boek vaak hilarisch, maar Wallace benadrukte dat hij vooral iets treurigs had willen schrijven. Die treurnis ligt vervat in het onnavolgbare hyperbewuste en overanalytische denken dat nagenoeg van elke bladzijde spat. Maar die cognitieve auto-intoxicatie lijkt in het schrijven ook een rustpunt te vinden. Net als in zijn postuum gepubliceerde The Pale King (2011) en in zijn afstudeerspeech This Is Water wordt er een vluchtweg geschetst. Wallace verzet zich tegen een dramatisch heldendom en situeert morele moed juist in het alledaagse: in de stille, nauwkeurige en zorgvuldige integriteit van een saaie, monotone job als die van een belastingambtenaar, die in The Pale King zonder publiek en zonder applaus wordt opgevoerd als de belichaming van spirituele discipline. Aandachtige aanwezigheid en plichtsbesef worden er gepresenteerd als moedige, bijna ascetische praktijken binnen een wereld die voortdurend om afleiding schreeuwt. Zo fungeert het leven, net als het schrijven én het lezen, als een oefening in aandacht, als een poging om binnen de mentale oververhitting een vorm van rust te vinden. Het alternatief dat Wallace schetst, is geen ontsnapping uit het leven, maar een andere manier van erin aanwezig zijn: net als de figuranten in Cheers deemsteren we weg naar de achtergrond van de gedeelde ervaring.

 

De sluier van Van Dyne, Derrida en Wallace

Die ethiek van het verdwijnen in Eindeloos vertier is niet zonder spanning. Joelle Van Dyne is daarvan het beste voorbeeld. Ze is een terugkerend personage, verbonden met verschillende centrale figuren en settings in het boek: de disfunctionele familie Incandenza, de experimentele filmwereld en het Ennet Drug and Alcohol Recovery House. Ze verschijnt in de roman vrijwel altijd met haar gezicht bedekt door een sluier. Wallace laat open of die sluier een bescherming is tegen objectivering vanwege haar schoonheid, dan wel een poging om een lichamelijke misvorming te verbergen. Alleszins markeert haar sluier een conflictueuze verhouding tussen gezien worden en identiteit. De lezer krijgt geen eenduidige toegang tot de waarheid achter de sluier. Die weigering is geen narratieve truc, maar een structureel principe. Om dat te begrijpen, komt de filosofie van Jacques Derrida van pas.

Dat Wallace filosofie in zijn romans verwerkte, is geen toeval. Zijn vader was een filosofieprofessor, hij studeerde zelf filosofie en zijn debuutroman, The Broom of the System (1987), is deels schatplichtig aan zijn academische werk rond de taalfilosofie van Ludwig Wittgenstein. Die vroege fascinatie voor taal blijft in zijn hele oeuvre aanwezig. Hoewel Derrida (in tegenstelling tot andere filosofen als Deleuze en Heidegger) in Eindeloos vertier nooit expliciet wordt vermeld, lijkt een derridiaanse interpretatie van de sluier niet zo vergezocht. In Éperons. Les styles de Nietzsche (1978) beschrijft de Franse filosoof hoe ‘de vrouw’ in de filosofische traditie vaak fungeert als metafoor voor de waarheid. De waarheid wordt voorgesteld als iets wat zich toont en tegelijk aan ons ontsnapt, iets wat verleidt door niet volledig zichtbaar te zijn. De ‘mannelijke’ filosoof wil de vrouw doorgronden om tot een identificeerbare en eenduidige waarheid te komen. Die wil staat symbool voor de filosofische obsessie met fundamenten en een diepere grond, met vaste categorieën en de ultieme, zo eenvoudig mogelijk geformuleerde waarheid. Maar in die zoektocht botst de filosoof telkens opnieuw op een versluierde suggestie van die waarheid. Die sluier, zo stelt Derrida, onthult uiteindelijk slechts dat er geen essentie is die kan worden blootgelegd. Achter elke sluier zit slechts een nieuwe sluier. Wat overblijft is een spel van nabijheid en afstand, van tonen en verbergen. Het resultaat is een verstrooiing van betekenis. De waarheid wordt zo meervoudig. Het is dit oneindig uitstel van betekenis dat in Eindeloos vertier het structurerende principe is.

Eén scène is daarvoor cruciaal. In een gesprek met Don Gately, een van de belangrijkste en vaakst terugkerende personages in de roman, geeft Joelle Van Dyne een uitleg over de B.O.O.M (Bond van Onooglijk en Onwaarschijnlijk Misvormden). Ze vertelt hem waarom de sluier haar helpt om te gaan met de schaamte die bij onze intiemste tekortkomingen hoort.

De Eerste Stap van de B.O.O.M. is toegeven dat je machteloos staat tegenover je verlangen je te verbergen. Bij de B.O.O.M. mogen leden open zijn over hun cruciale noodzaak zich te verbergen. Met andere woorden wij doen de sluier om. Wij doen de sluier om en dragen die met trots en wij staan met rechte rug en lopen met ferme pas waar wij maar willen, gesluierd en verborgen, maar ditmaal geheel open en eerlijk en zonder schaamte over het feit dat het ons heel veel kan schelen hoe we er in de ogen van anderen uitzien, over het feit dat wij beschut willen zijn voor alle blikken. De B.O.O.M. helpt ons bij ons besluit onszelf openlijk te verbergen.

Iets verder in het gesprek past Joelle deze visie toe op Don Gately zelf, die zich lijkt te schamen om het feit dat hij nooit zijn studies heeft afgemaakt:

Een B.O.O.M.-er zou zeggen het is oké om jezelf ontoereikend te voelen en je te schamen dat je niet zo slim als sommige anderen bent, maar dat de cirkel annulair en vicieus wordt als je je begint te schamen over het feit dat je je schaamt voor je onslimheid, als je het feit dat je je geestelijk ontoereikend voelt probeert te verbergen, en grapjes gaat maken over je eigen sulligheid en doet alsof je het niet erg vindt, doet alsof het je niets kan schelen of anderen je als onslim of niet beschouwen.

Het masker van de ironische zelfspot doet het lijken alsof je alles onder controle hebt, maar in werkelijkheid verhindert ze een authentieke betrokkenheid. In zijn essay ‘E Unibus Pluram: Television and U.S. Fiction’ (1993) had Wallace dit eerder als een bredere cultuuranalyse uitgewerkt. Volgens hem heeft de Amerikaanse televisie de postmoderne ironie, die oorspronkelijk bedoeld was om hypocrisie en clichés te ontmaskeren, volledig geabsorbeerd. Televisie maakt voortdurend grappen over haar eigen artificiële karakter en neutraliseert zo elke mogelijke kritiek nog vóór ze uitgesproken kan worden. Ironie wordt daardoor een cultureel automatisme: een houding die intelligent en lucide lijkt, maar die tegelijk verhindert dat men zich nog kwetsbaar of oprecht tot iets kan verhouden. Tegen die achtergrond krijgt ook het vaak geroemde komische gehalte van Eindeloos vertier een dubbelzinnige status. Veel scènes zijn uitgesproken hilarisch, maar die humor sluit aan bij de ironische reflex die Wallace problematiseert. Ironie is een manier om afstand te nemen van wat eigenlijk pijnlijk of ondraaglijk is, waardoor de humor een vorm van zelfbescherming wordt die echte betrokkenheid verhindert. De roman dwingt de lezer om die reflex te herkennen en eventueel te doorbreken.

De zoektocht naar een nieuwe vorm van authenticiteit is belangrijk in het werk van Wallace en krijgt in Eindeloos vertier een duidelijke biografische weerklank. In interviews werd hij dikwijls aan de tand gevoeld over zijn verslavingsproblematiek. Journalisten wilden weten in welke mate de wereld van afkickklinieken, depressie en obsessieve zelfanalyse uit Eindeloos vertier rechtstreeks uit zijn eigen leven afkomstig was. Wallace reageerde op zulke vragen vaak zichtbaar ongemakkelijk. Niet zozeer omdat hij het autobiografische verband zou ontkennen, maar omdat het medium van het televisie-interview hem te grofmazig leek om over zulke ervaringen te spreken. Televisie verlangt immers naar duidelijkheid. Er wordt verwacht dat een complex leven moet worden samengebald tot een paar zinnen, een persoonlijk verhaal tot een anekdote die in een paar minuten kan worden verteld. Wallace vreesde dat zulke gesprekken zijn werk onvermijdelijk zouden herleiden tot een eenvoudig narratief: de schrijver met een verslavingsverleden die daar een roman over heeft geschreven. Via de televisie dreigt het persoonlijke onmiddellijk te veranderen in een consumeerbaar beeld. Daarom kreeg hij angstzweet bij elk woord dat hij uitsprak. Die angst is geen bijzaak. Ze raakt aan het probleem dat Wallace al in zijn debuut The Broom of the System had onderzocht: de angst om opgesloten te raken in taal, om gereduceerd te worden tot een narratief dat anderen over je construeren. In die roman verliest het ik zich solipsistisch in de taal; betekenis wordt een kooi in plaats van een bevrijding. In Eindeloos vertier zet hij dat onderzoek naar taal en zijn eigen angsten verder. De roman fungeert als een gefragmenteerd, omweg zoekend antwoord op de vragen die Wallace persoonlijk aangingen. De vragen waarop het antwoord zich niet laat reduceren tot een anekdote of een telegenieke oneliner. In Eindeloos vertier bouwt Wallace een structuur waarin zijn autobiografische waarheid in veelheid kan circuleren, maar nooit zal stollen. De roman is zijn autofictionele sluier.

 

Een alternatieve autofictionele tegencultuur

Het is verleidelijk om Eindeloos vertier langs de meetlat van autofictie te leggen: de tennisacademie verwijst naar Wallace’ jeugd en de wereld van de Anonieme Alcoholisten weerspiegelt zijn eigen ervaringen met verslaving en herstel. De obsessieve zelfanalyse, de verlammende schaamte, de angst om verkeerd begrepen te worden en zelfs zijn uiteindelijke zelfmoord: ze vormen de emotionele kern van de roman. En toch laat Eindeloos vertier zich niet als een doorsnee autofictionele roman lezen. Het genre krijgt geregeld het verwijt gemakzuchtig te zijn: in plaats van personages en werelden te construeren, zou autofictie te vaak terugvallen op het eigen leven als kant-en-klaar materiaal. Autofictie wordt dan opgevat als een symptoom van een bredere verschraling van de fictionele verbeelding. Nog vaker klinkt het verwijt dat het genre te sterk rond de auteur zelf cirkelt, alsof het persoonlijke leven op zichzelf al betekenisvol genoeg zou zijn, zonder de noodzaak tot transformatie of universalisering. Het resultaat is een stilistische eenvormigheid. Eindeloos vertier lijkt zich aan die kritiek te onttrekken. Het is een vorm van autofictie zonder zelfpresentatie: het autobiografische manifesteert zich niet in een gefictionaliseerde ik-figuur, maar in de vorm zelf: in de manier waarop de roman weigert zich te laten reduceren tot een coherent, afgerond verhaal.

Het personage Joelle Van Dyne zegt dat haar sluier haar toelaat om haar zelfhaat en schaamte openlijk te verbergen. Die paradoxale formulering is cruciaal. Ze vat samen wat Eindeloos vertier als roman lijkt te willen doen. Het boek verbergt Wallace’ autobiografie niet; het stelt haar tentoon in een vorm die zich niet laat reduceren. De kracht zit hier in het vormgeven van wat onzegbaar lijkt. Wallace gebruikt fictie om zijn persoonlijke leven recht te doen. Dat doet hij door het te verspreiden over een inventief netwerk van stemmen en verhalen. Hij laat tientallen personages spreken, elk met hun eigen stem, hun eigen mislukking, hun eigen vorm van zelfhaat en verslaving.

In een tijd waarin communicatie steeds sneller en vluchtiger wordt, en waarin sociale media ons aanzetten tot voortdurende zelfpresentatie in consumeerbare beelden, kan literatuur opnieuw functioneren als tegenbeweging. Eindeloos vertier verzet zich tegen een culturele imperatief: het idee dat we onszelf moeten begrijpen als een afgerond, coherent verhaal. Wallace biedt geen boodschap die zich laat consumeren, maar een uitnodiging tot vertraging. Hij nodigt ons uit tot een gesprek waarin we bereid zijn onszelf even op de achtergrond te plaatsen, waarin we luisteren zonder onmiddellijk te willen begrijpen, waarin de ander mag blijven ontsnappen aan een vastgepinde identiteit. In die zin krijgt zijn autofictie een ethische dimensie: niet als zelfonthulling, maar als oefening in aandacht. Want pas wanneer het ik niet langer centraal staat, wordt een echte ontmoeting mogelijk.

Koppernik, Amsterdam, 2026
Vertaald door: Robbert-Jan Henkes
ISBN 9789083572703
1176p.

Geplaatst op 16/04/2026

Tags: autofictie, David Foster Wallace, Eindeloos vertier, Jacques Derrida, Robbert-Jan Henkes

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

  1. Martin Berghoef

    Ze hebben bij De Reactor weer een stuk geschreven over Eindeloos vertier van David Foster Wallace alsof ze een IKEA-kast in elkaar zetten: handleiding erbij, alle schroefjes benoemd, maar nergens het moment dat het ding begint te wiebelen.

    Jelle Dehaes smijt er Jacques Derrida tegenaan, wat autofictie, een snuifje brainrot en klaar: intellectueel stoofpotje waar niemand echt zijn handen aan brandt.

    Alles klopt. Dat is net het probleem.

    Wallace wordt hier uitgelegd alsof hij een theorie is in plaats van een zenuwinzinking op papier. Alsof je zijn werk kunt samenvatten zonder zelf ook een beetje kapot te gaan. Alsof je een boek over verslaving en leegte kunt lezen met droge handen en een rechte rug.

    En die Derrida-sluier? Tuurlijk. Altijd prijs. Als je het niet meer weet, zeg je dat de betekenis zich blijft uitstellen en iedereen knikt alsof ze het snappen. Ondertussen zit daar gewoon een vrouw die zich kapot schaamt voor haar bestaan. Maar nee, eerst even conceptualiseren.

    Dit soort kritiek is veilig. Te veilig.
    Het is schrijven over een brand terwijl je op veilige afstand marshmallows roostert.

    Wallace schreef geen boeken om begrepen te worden. Hij schreef om je te laten voelen dat je jezelf niet begrijpt. Dat verschil — daar struikelt deze recensie over en blijft vervolgens keurig liggen.

    Maar goed, alles netjes benoemd. Iedereen tevreden. Niemand geraakt.

    Net als televisie waar Wallace zelf al een hekel aan had: het lijkt kritisch, maar het is gewoon entertainment met een diploma.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.