Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Het jaarthema van het Poetry International Festival dat begin juni 2026 plaatsvond in Rotterdam luidde ‘Word on the Street’. Meerdere lezingen en activiteiten boden een staalkaart van wat poëzie in de publieke ruimte kan betekenen en hoe zij kan interveniëren in het publieke debat. De sprekers formuleerden elk op hun eigen manier een antwoord op de vraag hoe poëzie politiek kan zijn. Hoe kan poëzie maatschappelijk een verschil maken en de positie van mensen in de samenleving reëel verbeteren?
In deze bijdrage licht ik een aantal invalshoeken uit en richt ik me in het bijzonder op de wijze waarop dichters de confrontatie met de samenleving aangaan door poëticale én thematische keuzes te maken die samenhangen met meertaligheid en fugitivity poetics. Ik bespreek de lezing ‘De staat van de Poëzie’ door de huidige Dichter der Nederlanden Nisrine Mbarki Ben Ayad en het programmaonderdeel ‘Poets on Poets’ (plus poëzievoordrachten) door de Zuid-Afrikaanse dichter Lynthia Julius en de van Sint Maarten afkomstige spoken-word-artiest Jörgen Gario. In deze bijdrage verwerk ik ook enkele interviews die ik afnam met de sprekers.
Nisrine Mbarki Ben Ayad is een dichter die de kunst verstaat om meertalig en gelaagd met de samenleving te communiceren. In haar toespraak op de openingsavond van het Poetry International Festival 2026 bespreekt zij de staat van de poëzie. Voor de maatschappelijke erkenning van vrouwen van kleur zoekt de dichter haar heil niet rechtstreeks in de politiek. Alleen de creatie van een eigen poëtische ruimte, een ruimte van resistance, kan volgens haar soelaas bieden voor de permanente ongelijkheid die de westerse patriarchale samenleving in stand houdt.
Om aan haar dominante structuren en systemen en de daarmee gepaard gaande institutionele uitsluiting te ontkomen, is volgens Mbarki Ben Ayad een poetics of fugitivity nodig. Het is een artistieke praktijk die tegengewicht biedt aan maatschappelijke krachten die uitgaan van universalisme, rationaliteit, eenduidigheid en archivering, kortom van westerse technieken die alles controleerbaar, leesbaar en transparant willen maken. Zij plaatst daar een poëtische ruimte tegenover waarin opaciteit, ambiguïteit, fluïditeit en frictie hun bestaansreden hebben en waarin mensen in al hun complexiteit zichzelf mogen zijn.
Fugitivity behelst een schrijfpraktijk die zich niet laat vangen binnen institutionele kaders en canons, maar gericht is op circulatie, ontsnapping en relationele connectie. Met het oog daarop zal poëzie vorm en betekenis openbreken. Fugitivity poetics staat voor een inclusieve benadering. Door meerdere perspectieven, personages en stemmen tegelijkertijd te vertolken (multipliciteit), door binair denken te vervangen door circulair denken, door antropocentrisme en egocentrisme in te ruilen voor een relationeel denken waarin mensen en dieren maximaal geconnecteerd zijn, creëert zij een poëtica waarin uitsluiting geen kans krijgt. Meertaligheid speelt daarin een sleutelrol voor Mbarki Ben Ayad:
De meertalige dichter beweegt voortdurend tussen talen, registers, geschiedenissen, herinneringen, geluiden en betekenissen die elkaar niet volledig overlappen, er zit altijd een ruimte tussen. Juist die beweging belichaamt een vorm van fugitivity voor de dichter van kleur die het narratief en de fictie van eentaligheid weigert.
Mbarki Ben Ayads meertalig schrijven is een wezenlijk kenmerk van haar maatschappelijke betrokkenheid, vergelijkbaar met de intertekstuele en meertalige poëtica van een dichter zoals Çağlar Köseoğlu. In hun dubbelessay ‘Poëzie en politiek’, dat in 2021 op De Reactor verscheen, gaan letterkundigen Laurens Ham (deel 1) en Bram Ieven (deel 2) dieper in op Köseoğlu’s debuutbundel Nasleep (2020). Dat werk handelt over het massale protest tegen een kapitalistisch vastgoedproject in het Gezi Park in Istanbul (2013). Köseoğlu’s werk stelt door taalwisseling en vervreemding het politieke vermogen van de poëzie op scherp. Op een vergelijkbare manier leidt de meertaligheid bij Mbarki Ben Ayad tot een zekere ondoorzichtigheid of opaciteit omdat er geen vertaling aan te pas komt. Precies daarin schuilt volgens Mbarki het verbindende karakter van haar werk. Vele mensen kunnen zichzelf daardoor in haar poëzie herkennen.
In haar eerste gedicht als Dichter der Nederlanden schrijft ze een ‘Beginselverklaring’, waarin ze niet alleen de maatschappelijke betekenis en gelaagdheid van taal beklemtoont, maar ook de samenleving benoemt zoals zij nu eenmaal is: de vele facetten van haar geschiedenis, de gruwel die er inherent aan is en het veelvoud van identiteiten waaruit zij bestaat. In dat benoemen van de maatschappelijke realiteit schuilt haar ideologiekritische engagement.
In onderstaand fragment – het tweede deel van het vierdelige gedicht – stelt zij aan de kaak hoe het dominante denken de historische invloed van de Arabische cultuur op de Nederlandse samenleving systematisch blijft negeren.
we
elk woord heeft naast een prijs een schaduw
in die schaduw herkennen we elkaar
zelfverklaarde overwinnaars tekenen in rechte lijnen de geschiedenis op
we are the results van het Europese schier-continent
we zijn generaties flinterdun rookvlees
drones en draken doen het veldwerk
legers ontginnen grillig mensen
de geschiedenis is voedzaam en warm
in de snelkookpan van de beschaving
Andalusië is nog altijd taai
en schaamte is de schitterende vrouw van de duivel
In dit fragment roept de dichter niet alleen het geweld van taal en de imperialistische geschiedenis van Europa op, ze benoemt ook de miskende culturele invloed die mee onze identiteit heeft bepaald. In het interview dat ik eerder dit jaar met haar afnam, zei ze daarover het volgende:
Zelfs voor onze bejubelde Verlichting is de Arabische invloed cruciaal geweest, maar dat stukje snijden we uit onze geschiedenis. Voor mij is zo’n eenvoudig zinnetje als ‘Andalusië is nog altijd taai’ een herschrijven van een narratief. In zo’n passage gaat het voor mij om een rectificatie van geschiedenis. Het is gebaseerd op feiten. Het is niet iets wat ik verzin. Ik ben niet the yellow man die zichzelf in de geschiedenis schrijft met illusies en grootheidswaanzin. Ik wil graag de dingen herintroduceren die we uit onze geschiedenis geschreven hebben.

Nisrine Mbarki Ben Ayad tijdens het Poetry International Festival 2026 (Foto: Rosa Quist)
De idee dat nationale identiteit onzuiver en hybride is, een smeltkroes van etnische en culturele invloeden, vinden we bijvoorbeeld ook terug in het werk van Ramsey Nasr, die van 2009 tot 2013 Dichter des Vaderlands van Nederland was. Ook hij heeft meer dan eens het overheersende extreemrechtse betoog ontmaskerd dat deze werkelijkheid steevast ontkent.
Het begrip fugitivity is onderdeel van recente theorievorming over Zwartheid en refereert aan een retoriek van verzet die de metanarratieven en systemen van onderdrukking in het algemeen uitdaagt. Mbarki Ben Ayad baseert zich op de ideeën van denkers als Fred Moten en Saidiya Hartman om het begrip te definiëren als een ‘voortdurende staat van beweging en “ontsnapping” aan volledige leesbaarheid’. Voor haar heeft fugitivity een expliciet dekoloniale kern door het inherente verzet tegen dominante narratieven.
In haar bijdrage over dekolonisering, de Afrikaanse diaspora en een aantal werken die hebben bijgedragen tot een beter begrip van de beperkingen van een westers wit humanisme, bespreekt Lisa M. Corrigan Undercommons. Fugitive Planning & Black Study (2016) van Fred Moten en Stefano Harney. Na een scherpe analyse van de moderniteit als baken van kolonialisme, slavernij en roofbouw breken beiden een lans voor de rol van de subversieve intellectueel aan hedendaagse universiteiten die als verlichtingsinstituten gedreven worden door professionaliseringsdrang in plaats van door intern intellectueel debat. De universiteit heeft nood aan zogenaamde undercommons, intellectuele catacomben waar het verzet tegen de asociale professionalisering en de onzichtbare controlesystemen wordt georganiseerd. Dat zijn volgens deze denkers catacomben die de universiteiten van binnenuit dekoloniseren.
Deze vorm van kritiek wordt heel soms ook op hogere bestuursniveaus geuit. Een recent voorbeeld is het kritische afscheidsbericht dat decaan Paula Flikkert aan de Radboud Universiteit in Nijmegen naar al haar collega’s stuurde. In de e-mail uitte ze haar onvrede over de nieuwe strategie van het College van Bestuur: ‘De richting waarin de universiteit zich beweegt wordt niet langer bepaald door onze eigen academici maar door consultants.’
Fred Moten definieert fugitivity als de staat en het beleven van het Zwart zijn. Het is een permanente drang om te vluchten voor de onderdrukkende sociaal-culturele formaties en de daaruit voortvloeiende instituties zoals slavernij, religie, huwelijk, het heteroseksuele burgerlijke kerngezin, grondwet en gevangenis, kapitalisme en banken.
Mbarki Ben Ayad past haar poetics of fugitivity ook toe in het gedicht ‘countermap’ dat ze tijdens het Poetry International Festival voordroeg. In dat lange meertalige gedicht toont Mbarki Ben Ayad aan dat onze hele leefwereld doordrongen is van externe invloeden en natuurlijke grondstoffen die hun oorsprong in het buitenland vinden. De boodschap van Mbarki is duidelijk wanneer zij de namen van niet-inheemse plantensoorten zoals de magnolia noemt in het gedicht; de westerse samenleving is een smeltkroes van mensen die hun multiculturele eigenheid niet mogen beleven. Het Westen produceert medeburgers zoals orchideeën; op industriële basis en als eenheidsworst.
Niemand weet nog dat orchideeën in Nederland geïmporteerd zijn vooraleer ze hier op grote schaal werden geproduceerd (of dus eigenlijk: gereproduceerd). Ze komen oorspronkelijk uit Borneo en Papua. Nu staan ze in ‘kas gekweekt’, ‘in plastic verhuld in terracotta’ op de keukentafel van de dichter, waarvan het tafelblad is gemaakt van mahoniehout uit de tropen. De dichter laat zo zien dat de niet-inheemse invloeden op een functionele manier zijn geïntegreerd in onze industriële wereld, maar zonder dat hun oorsprong als dusdanig nog wordt erkend.
Meer nog, in de drang naar controle, uniformisering en rationalisering hebben westerse mensen verdrongen dat vele medeburgers van niet-Westerse origine zijn en over een meervoudige identiteit beschikken. De smeltkroes past niet in het transparante, overzichtelijke plaatje van het westerse denken: ‘wij beheersen totaal wildgroei van exoten’. In het verlangen naar een bos heeft de westerse samenleving het ‘struweel’, de mantelvegetatie en de vele struiken waaruit zij is ontstaan, uitgeroeid.
Aan de bosrand heeft ook mantelvegetatie echter recht op bestaan. We kunnen de wortels van mensen niet uitroeien, al was het maar omdat zij zichzelf voortdurend hun oorsprong herinneren, hun identiteit, hun eigenheid, als een foto op de schouwmantel. De dichter, een vrouw van kleur, wil daarom een pelgrim zijn, iemand in permanente beweging en in voortdurende wording, iemand die ontsnapt aan de wetten van de samenleving, op zoek naar zichzelf. Een pelgrim kan zowel iemand zijn die de hadj naar Mekka verricht, als iemand die naar Jeruzalem, Rome of Santiago de Compostela reist, als iemand die een heilige rivier of tempel bezoekt.
De dichter lijkt de lezer mee te willen geven dat alle mensen als pelgrims op zoek moeten gaan naar hun roots en weerstand moeten bieden aan ontworteling. Die weerstand zal hardnekkig zijn en volharding en vertrouwen vragen, want het zal stormen en we kunnen niet over water lopen (لا أمشي على الماء), schrijft de dichter met een uitdrukking die zowel christelijke als islamitische connotaties heeft.
Onze meertaligheid zal evenwel een belangrijke hefboom zijn. Men kan alles loochenen, maar niet de talen die op straat veelvuldig worden gesproken. Met een verwijzing naar een westerse plant schrijft Mbarki Ben Ayad: ‘onze talen poppen zaden als een papaver uit onze bruine huiden’. Onze talen bieden ons permanente ontsnappingsroutes aan en op een dag: ‘some bright day zullen er brede lanen vernoemd worden naar vrouwen zoals ik’.
In haar openingsrede verklaart zij die versregel. Haar voorganger als Dichter der Nederlanden Babs Gons had haar een foto toegestuurd van een straatnaam die veranderd was in de Mbarki Ben Ayad laan. De Dolle Mina’s hadden straatnamen van mannelijke schrijvers veranderd in die van vrouwelijke dichters. Het brengt Mbarki Ben Ayad tot het besef dat zo’n eenvoudige handeling een cesuur kan betekenen in een tijdperk.
Zo kan ook poëzie een daad van verzet zijn en een breuklijn in de geschiedenis veroorzaken. Wanneer Joy Priest het fugitivity-concept van Fred Moten toepast op de rol van de Zwarte vrouw in de literatuur, wijst zij erop dat vrouwelijke dichters van kleur vanaf het einde van de jaren zestig poëzie als een instrument gebruiken om hun positie te articuleren tegenover de dominante narratieven van het witte feminisme. Mbarki Ben Ayads gedicht definieert fugitivity met andere woorden vanuit een feministische en dekoloniale invalshoek. De titel ‘countermap’ verwijst immers ook naar de praktijk van alternatieve kaarten die onderbelichte posities aan de oppervlakte brengen.
Lynthia Julius, winnaar van de South African Literary Award (2020) voor haar bundel Uit die kroes, herkende zich op het festival helemaal in de boodschap van Mbarki Ben Ayad, die ze in de coulissen haar ‘sister’ noemde. In het gesprek dat ik met haar voerde (zie hier de langere verslaglegging), vertelde Julius:
De boodschap van Mbarki was een pleidooi voor poëzie als een manier, een ‘plaats’ om weerstand te bieden tegen discriminatie. En dat vond ik erg frappant. Nederland is niet de Noord-Kaap. Het is niet Namakwaland. Jullie leven in een ontwikkeld land. En toch worden jullie hier met dezelfde problemen geconfronteerd als in een derdewereldland.
Die strijd tegen discriminatie is het hoofdthema in het autobiografische gedicht ‘Bruine Fuga’ die Julius tijdens het festival voorlas. Ondanks de officiële afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika ervaart Julius als vrouw van kleur nog elke dag racisme:
de boer roept de dood op om de hottentotten te komen halen
de dood is een baas in de democratie na apartheid
(vert. Alfred Schaffer)
Toen ze op een dag ging vissen, werd ze geconfronteerd met een witte landbouwer die zich neerbuigend gedroeg tegenover haar familie en de oude landarbeiders. Zijn vijandelijkheid druiste in tegen het rechtvaardigheidsgevoel:
de boer die vlak bij Grootdrink woont hakt een gat in je wezen
van jou en je zus
en je broer die niets hoort en ver weg aan het vissen is
hij grijpt naar het stuk ijzer bij zijn heup
en rolt zijn vette Afrikaner ‘r’ terwijl hij praat van
jullie regering
je verstijft, dankbaar dat je broer hier niet is
je weet dat hij op hem had geschoten
(vert. Alfred Schaffer)
De dichter toont met de versregel ‘jullie regering’ op kernachtige wijze dat Zuid-Afrika nog steeds een verscheurd land is, een land waar de post-apartheid-democratie geen gedeelde democratie is en waar de economie nog steeds de ongelijkheid in stand houdt. De bevolkingsgroepen lijken opgesloten in hun eigen collectieve geheugens en stereotiepe denkbeelden. Goedbedoelde positieve discriminatie, zoals het programma Black Economic Empowerment, dat de participatiegraad van de Zwarte bevolking in het bedrijfsleven wil verhogen, heeft nog niet het verhoopte succes. De economische verhoudingen blijven fundamenteel ongewijzigd, de onderdrukkende instituties blijven hardnekkig overeind, zoals blijkt uit het volgende fragment, waarin Julius onder meer verwijst naar een van de grootste diamantmijnen uit de geschiedenis, bastion van uitbuiting in Kimberley:
ze speelt met zichzelf en schrijft
ze schrijft als Black Economic Empowerment de tafel verduistert aan Zuid-Afrika
je pikzwarte haar, Nathaniel
we graven het grote gat in Kimberley
we blijven de koning het imperialisme
betalen wat hem toekomt
(vert. Alfred Schaffer)
Net zoals Mbarki Ben Ayad toont Julius de samenleving zoals die in al haar gelaagdheid en complexiteit bestaat; het voortwoekerende geweld dat discriminatie heet. Tegenover de gewelddadige taal van economisch imperialisme en wit vastgoedkapitalisme zet zij de taal van de poëzie. De dichter creëert haar eigen muzikaal universum, een fugitivity poetics, waarin zij en andere mensen van kleur identiteiten en culturen kunnen vormgeven:
ze schrijft en zit ’s avonds voor de voordeur
de sterren kramen en zij fluit om de eenzaamheid
te verdrijven
ze fluit zodat de hottentotten komen
ze graaft een gat in een kuil
ze ziet de olijke vrolijke hottentotten dansen
(vert. Alfred Schaffer)

Lynthia Julius tijdens het Poetry International Festival 2026 (Foto: Rosa Quist)
Lynthia Julius geeft haar fugitivity poetics vorm door het gebruik van de fuga. Ze bezingt de strijd van de Zwarte bevolkingsklasse tegen discriminatie door een verstechnische herhaling die de meerstemmigheid van de samenleving kracht bijzet. Die herhalingen bevatten subtiele varianten op het thema, zoals het thema van het economische imperialisme dat de dichter in de eerste en tweede strofe in contrast plaatst met een authentieke cultuur-en natuurbeleving. Waar in de eerste strofe de stroomuitval – metafoor voor een niet-geïndustrialiseerde samenleving – voor een onbezorgde, haast naïeve enscenering zorgt, komt in de tweede strofe de dichter toch weer oog in oog te staan met onderdrukkende structuren (‘we blijven de koning het imperialisme betalen wat hem toekomt.’). Het ‘gat in een kuil’ van de eerste strofe staat tegenover ‘het grote gat in Kimberley’ in de tweede strofe. Tegenover het licht van de sterren in de eerste strofe staat in de tweede strofe ‘als Black Economic Empowerment de tafel verduistert aan Zuid-Afrika’. De lichtvoetige ‘olijke’ sfeer in de eerste strofe wordt gecontrasteerd met de zwaarmoedige sfeer van de tweede strofe, waarin mensen zich economisch tot welvarende medeburgers moeten verhouden.
Lynthia Julius trad tijdens het Poetry International Festival samen op met spoken word-artiest en multidisciplinair kunstenaar Jörgen Gario (ook bekend onder de naam UNOM), geboren op Sint Maarten en woonachtig in Nederland. Zijn werk draait om menselijke verbondenheid en onderzoekt tegelijk hoe systemen, politiek of het ego die soms in de weg staan. In het lange gedicht ‘E Raís di mi lenga’ (‘Mijn taal heeft wortels’) wisselt hij strofen in het Nederlands, Engels en Papiaments met elkaar af. De taalwisseling gaat gepaard met een wisseling van registers en maakt meertaligheid tot een metatalig motief in het gedicht.

Jörgen Gario tijdens het Poetry International Festival 2026 (Foto: Rosa Quist)
De titel is meteen ook het leidmotief van het gedicht: taal is niet neutraal. Taal is namelijk cultureel bepaald en verraadt iemands levenswandel. De strofen in het Papiaments hebben een meer lyrische en muzikale toon dan de strofen in het Nederlands, al ligt dat gedeeltelijk ook aan de klankkleur. Ze staan bol van natuursymbolen (tropische bomen, de appelvruchten aan een cactus, de lilakleurige bloemen) die verwijzen naar de Caraïben en Sint Maarten, vergelijkbaar met de wijze waarop Mbarki Ben Ayad floralische termen hanteert om een niet-westerse culturele achtergrond te verbeelden. De eerste strofe van Jörgen Gario’s ‘E Raís di mi lenga’ (‘Mijn taal heeft wortels’) luidt:
E Raís di mi lenga
Mi a sali kas
subi boto
ku mi rais
ku mi tera
den mi lenga
Mi a alkansá pa mi no lubidá
e kapok ku su flor lila
Bo lucha a lustra un mensage den mi soño
In vertaling:
Ik ben van huis gegaan
op een boot gestapt
met mijn wortels
met mijn land
in mijn taal
De kapokboom en haar lila bloemen
ben ik zowaar niet vergeten
Jouw strijd stuurde me een boodschap in mijn droom
(vert. Nevorice Matheu)
Het Papiaments is, in zijn eigen woorden, de poëzietaal van de dichter die fladdert als een vlinder tussen het natuurschoon van zijn geboorteland. Die taal leeft, beweegt en evolueert op het ritme van de natuur en de natuurelementen (‘onderhoudt de relatie met planeten’), zoals blijkt uit de zevende en achtste strofe van het gedicht:
E raís di mi linga
tin e brio di e barbulette
ku a maria
riba e fruta di un kadushi
den e solo
ku ta kima
trai merdia
In vertaling:
Mijn taal heeft wortels
fladdert als een vlinder
die zich tegoed heeft gedaan
aan het genot van de kadushi-cactusvrucht
in de zon
die schroeit
naarmate de dag groeit
(vert. Nevorice Matheu)
In het Nederlands schakelt Gario aanvankelijk over naar een commentatorstem die de westerse talen en culturen tegenover die van de Caraïben plaatst. De dichter ziet een contrast tussen het Papiaments als een warme taal die hij met natuurlijke ongereptheid associeert en het Nederlands als een zakelijke, berekende en kapitalistische taal. In het Westen (Nederland dus) staat taal gelijk aan logge bureucratie, systemisch onbegrip, grootkapitaal en de politieke aspiraties van een imperialistische natie die krampachtig vasthoudt aan het koninkrijk waartoe ook Sint Maarten behoort. Het Nederlands beschrijft Gario als een ‘schuurspons’ (‘kapitaal aangekoekt en zoet’).
Hij werkt het idee uit dat het willen kleven van talen op beschavingen als uiterlijke etiketten totaal voorbijgaat aan de lichamelijkheid en de persoonlijkheid die elke taal ademt in de mond van de individuele spreker. Hij plaatst daarmee een rationele tegenover een emotionele en kwetsbare benadering van taal en beschaving, zoals blijkt uit deze Nederlandstalige passage:
Hoe ik het versta
Beschaving wordt niet
bepaald door hoe
de taal oogt
in de mond van de wereld
het wordt bepaald
door hoe de taal omgaat
met liefde in het lichaam
van de tong waarop het rust
De poëtische werkelijkheid van de dichter fungeert hier net zoals bij Mbarki Ben Ayad als een veilige plek die geen grenzen noch machtsstructuren kent. Het is er ‘eilandtijd’; het typisch lineaire tijdsbesef van het Westen houdt op in zijn hoofd. Op die poëtische plek verdwijnt ook de ruis van de taal, de miscommunicatie. Papiaments wordt een vredevol wapen ‘gereed voor verzet’ tegen de onderdrukkende hiërarchie waar ook de Nederlandse taal van doordrongen is.
En dan komt de volta in het rijmloze gedicht met ongelijke strofen: ‘ik schrob voorbij de basis van de bron’. Deze regel vormt het relationele credo van de dichter, die vanuit zijn poëtische plek – een soort vogelperspectief – bruggen bouwt tussen taal- en cultuurgemeenschappen. Men kan het laatste deel van het gedicht dan ook beschouwen als de definitie van de rol die een geëngageerde dichter kan spelen op het publieke toneel. Gario laat in de volgende Nederlandstalige strofen zien dat dichters met meertalige poëtica’s interculturele bemiddelaars kunnen zijn:
Ik ben op zoek naar gesprekken
tussen aardperen
en suikerriet
kokos- en okkernoten
er zit ook water in hoe wij communiceren
oceanen vormen bruggen
pompen klanken
door het getij van mijn leven
ik koester openbaringen van de zee
ik haal mineralen uit mijn talen
zij worden kalk op school
in krijt
Het Engels fungeert in dit gedicht als een metatalige lingua franca, een retorisch middel om de tussenruimte te definiëren van waaruit de dichter opereert. De spreker in dit lange gedicht heeft een flexibele stem, die meebuigt met de plaats waar die zich op een gegeven moment bevindt. Een taal heeft wortels en als die sterk genoeg zijn, breken ze niet. De dichterlijke stem overbrugt alle fysieke en mentale afstanden:
no matter where I am
this earth feeds my language
I sit with the sky
the clouds make me a table
I see windmills from the beach
pray with palm trees on the
edge of dunes
In vertaling:
waar ik ook ben
voedt deze aarde mijn taal
Ik zit aan bij de hemel
de wolken vormen een tafel
vanaf het strand zie ik de windmolens
die samen met palmbomen
bidden aan de duinrand
(vert. Nevorice Matheu)
Het Poetry International Festival 2026 trok alle registers open rond het thema ‘Word on the Street’. Het vertrok vanuit een brede opvatting van wat een festival kan zijn en integreerde naast performances ook seminarieachtige sessies in het programma. Dat het festival bovendien via straatpoëziewandelingen de publieke buitenruimte opzocht, versterkte de thematische uitwerking.
De verschillende besproken programmaonderdelen hebben ons geleerd dat dichters niet per se rechtsreeks de degens moeten kruisen om een ideologiekritische stem te laten horen in het publieke debat. Het volstaat dat zij in hun gedichten de reële werkelijkheid in al haar facetten laten zien en die problematiseren, opdat de lezer of toeschouwer wordt geactiveerd om aan dat debat deel te nemen.
Deze dichters laten zien dat poëticale middelen zoals meertaligheid, gelaagdheid en meerstemmigheid op talig maar ook op metatalig niveau het politieke vermogen van poëzie kunnen aanzwengelen. De poetics of fugitivity waarvoor Nisrine Mbarki Ben Ayad een lans breekt, biedt een safe room, een veilige poëticale instrumentenkoffer om van binnenuit de weerstand tegen onderdrukkende structuren te organiseren. Verschillende dichters van kleur in binnen- en buitenland, onder wie Nisrine Mbarki Ben Ayad, Lynthia Julius en Jörgen Gario, maken gebruik van zulke poëtische middelen in een activistische context. Door hen een podium te bieden, laat Poetry International zien dat poëzie een talig verzet kan zijn tegen dominante krachten in de samenleving.
Dit is een verslag door Steven Van de Putte over enkele programmaonderdelen van het Poetry International Festival 2026 dat van 4 tot en met 7 juni 2026 plaatsvond in Rotterdam.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.