Vrijdagmiddag op het Centraal Station

Licht van mijn leven

Remco Campert

De nieuwe dichtbundel van Remco Campert (1929), verschenen bij zijn vijfentachtigste verjaardag, heeft een intrigerende titel: Licht van mijn leven. Het is ook de titel van het laatste gedicht. Dat begint met de regel ‘Het levenslicht zag ik in Den Haag’, maar springt meteen over naar Amsterdam. Want daar, te midden van dichters als Lucebert en Bert Schierbeek ‘zagen / mijn wóórden het licht / dat me niet meer verliet’. Daarvan getuigt deze bundel, waarin de dichter vraagt om als zijn laatste ogenblik is aangebroken nog even te mogen zweven boven het Stedelijk en de bomen in het Vondelpark, en om meegenomen te worden ‘met de glimlach / en de dromen van het meisje / dat ik eens op een tramhalte zag’.

Door hemzelf, en door anderen, is al opgemerkt dat ‘Licht van mijn leven’ een verwijzing inhoudt naar de beginregel van Vladimir Nabokov’s roman Lolita (1955): ‘Lolita, light of my life, fire of my loins.’ Toen ik de laatste Nederlandse vertaling, van Rien Verhoef, erbij pakte zag ik tot mijn stomme verbazing dat hij vertaalt: ‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur.’ Waar Campert in zijn slotgedicht juist het verschil benadrukt tussen het ‘levenslicht’ zien (geboren worden) en ‘licht van mijn leven’ zijn (in Camperts geval: het dichten), stelt Verhoef die twee aan elkaar gelijk. Intussen is Lolita wel de muze en had de vertaling ‘licht van mijn leven’ de enig mogelijke moeten zijn. Ook Nabokov zelf heeft hier, in zijn Russische vertaling van Lolita, nadrukkelijk voor gekozen.

Hoe ouder dichters worden, hoe vaker ze, als ze tenminste actief blijven in de poëzie, in memoriams schrijven. Het zou de moeite lonen om in het werk van dichters die een hogere leeftijd hebben bereikt, na te gaan hoe dikwijls zij zich aangesproken voelen om te dichten naar aanleiding van gestorven collega’s en vrienden. Al eerder heeft Campert schilders, schrijvers en dichters geportretteerd, niet steeds omdat ze dood waren gegaan, ook omdat ze iets vierden toen ze nog leefden.

Ouderdomspoëzie is waarschijnlijk wel degelijk een ‘genre’. Ook Rutger Kopland, Cees Nooteboom en Hugo Claus, om er maar enkelen te noemen, hebben ervan geweten. Leo Vroman is, lijkt mij, een geval apart, omdat hij zo ongebruikelijk oud is geworden en daarbij al even ongebruikelijk creatief is gebleven. Vooral zijn poëzie van het laatste decennium thematiseert het bestaan op de grens tussen leven en dood zó intensief, dat men zich kan afvragen of deze grensverkennende dichtkunst ooit eerder zo overvloedig is gepraktiseerd.

Campert zou een uitstekende Dichter des Vaderlands zijn. Hij is een man van de krant, een columnist en in het verlengde daarvan een dichter, iemand die opmerkt wat er aan de hand is en daar het zijne van denkt. Omdat hij nu al zo lang omgaat in de wereld, vooral zijn wereld, wordt hij voortdurend gevraagd naar zijn mening over wat daarin voorvalt. In een van de eerste gedichten refereert hij daar wat ironisch aan: ‘uit de lappenmand van zijn memorie / diept hij een aardigheidje op’. De gedichten die hiermee te maken hebben zouden ‘gelegenheidsgedichten’ kunnen worden genoemd, maar dat woord heeft iets plichtmatigs. Als Campert door de krant of door zichzelf wordt verzocht iets te schrijven over iemand die hij goed gekend heeft, maakt hij er iets van wat tot zijn wereld en thematiek behoort.

In deze bundel zijn het Claus, Jan Wolkers en Gerrit Komrij voor wie Campert een necrologie dicht . Dat over Claus is het meest majestueus; het echoot enigszins het onovertrefbare gedicht van Joseph Brodsky, ‘Grote elegie voor John Donne’. De tweede strofe van Campert over Claus luidt:

19 maart 2008
hardvochtige dag
even staat het stil in mijn hart
kunnen woorden geen kant meer uit
verstart de zee bij Oostende
verstrakt het Vlaamse land
bevriest de film
verlammen de acteurs
in hun opkomst en exit

Dat is een buitengewoon effectieve minuut van stilte, in woorden. Ook bij de dichterlijke herdenking van Wolkers en Komrij is het dagelijkse leven van Campert het decor van het toneelstuk waarin de dood de hoofdrol speelt. ‘Leven’ heet het in memoriam voor Wolkers:

Vrijdagmiddag op het Centraal Station
kwam een onbekende op me af
keek me getroffen aan en zei:
‘Heeft u het al gehoord?
Jan Wolkers is dood.’

Zo’n begin, waarin ook nog P.N. van Eycks bekende doodsgedicht resoneert, is meesterlijk in al zijn eenvoud. Campert geeft er zijn eigen draai aan. Door te zeggen dat Wolkers hem in de jaren daarvoor zo vaak onverhoeds had opgebeld, net zoals deze man hem deze boodschap overbracht op het station. De locatie liegt er ook niet om. En als altijd kent Campert zijn klassieken: ‘al wachtend op de trein / bleek denken aan jouw dood / niet denken aan de dood / maar eerder aan het leven’ – met dank aan J.C. Bloem.

De bundel is in tweeën opgedeeld: ‘Gebeurtenissen’ en ‘Gelegenheden’. Tot de gebeurtenissen worden alleen de sterfgevallen gerekend. Gelegenheden zijn bijvoorbeeld het weer (‘Onweer hagel vuist van harde windstoot’), openingen van kunstexposities, de Tour de France of een filmpremière in Amsterdam – altijd Amsterdam bij Campert natuurlijk. De nogal satirische benadering van het fenomeen ‘opening’ doet enigszins denken aan de allang vergeten maar curieuze dichter Alain Teister, die ook zo ongenadig kon tieren over die kunstpoeha en al dat volk dat er zo nodig bij wilde zijn en horen.

Hij lost zich op in het gezelschap
dat met zijn rug naar het getoonde staat
vaardig keuvelend kunst
die hij niet beheerst
het tweede huis waar men verblijft
als de zaken het maar even toestaan

Er zijn een paar mooie gedichten bestemd voor Anton Korteweg, Hans Verhagen, Deborah (Camperts vrouw) en voor Jeroen Henneman, een beeldend kunstenaar met wie Campert veel verwantschap voelt. Een bibliofiel uitgegeven bundel met litho’s van de Vlaamse kunstenaar Ysbrant is hier in zijn geheel herdrukt. Het zijn zes gedichten over ‘De meisjes van plezier’, waarin herinneringen worden opgehaald aan vroeger tijden, waarin die meisjes nog telden in het leven van de nu oude man: ‘hij kent steeds meer / alleen nog oude tijd’. Die litho’s van Ysbrant hebben overigens behalve hun frivole kant, ook hun schaduwzijden, en die dubbelzinnigheid maakt ze juist perfect geschikt als uitdrukking van Camperts gemêleerde kijk op deze lollige jaren. Ze passen uitstekend in deze bundel, die gering van omvang is, maar fraai en terecht royaal van uitvoering, gebonden zelfs.

Op bladzij 21 treft een poging om voor de zoveelste keer poëzie te definiëren. Iedereen weet dat Campert dat al verschillende keren heeft gedaan, evenals andere dichters, en men herinnert zich wellicht zijn tot vervelens toe geciteerde gedicht ‘Poëzie’:

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Deze communicatieve functie van de poëzie, zelden zo pregnant en haast ontroerend gedecideerd geponeerd, heeft Campert altijd hoog in het vaandel gehouden, en dat blijkt ook uit deze bundel weer ten overvloede. Als hij voorstelt om met een oude, geërfde toneelkijker, andersom gehouden, naar de Tour de France op de tv te kijken, heb je de complete Campert in een notendop: het verleden, het heden, de afstand, het nabije, die hele mengeling van gevoelens die nu eenmaal bij het leven en bij het nadenken daarover hoort.

Het is niet onbegrijpelijk dat hij in zijn gedachten over wat poëzie nu eigenlijk teweeg kan brengen, tot een minimum besluit. Iets heel wat minder besluitvaardigs dan hierboven. Het is geen triomfantelijk geluid dat dit gedicht laat horen, het is zelfs enigszins een cliché, maar Campert deinst voor zulke conclusies gelukkig niet terug. Ze doemen door de eeuwen heen op, en waarom zouden wij ze nu niet op onze wijze verwoorden? Bijvoorbeeld zo:

Poëzie (zoveelste poging)

Poëzie is de toon
die de muziek maakt
die terwijl je luistert
spoorloos raakt

poëzie is een woord
je schrijft het op
en de inkt wordt onzichtbaar

vergeefs gegoochel
met iets wat de schijn ervan heeft
het konijn blijft in de hoed

waar niets om bewijs vraagt
blijft alles onbewezen

de mooiste poëzie is
het ongeschrevene

Campert blijft onversaagd zijn muze volgen, op zijn doodgewone, onopgeblazen manier. De poëzie is het licht van zijn leven en wij volgen dat licht graag.

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2014
ISBN 9789023488842
44p.

Geplaatst op 16/09/2014

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.