
‘Ach, zat hij nog maar in de buik’
Gijsbert Pols
Over Ik kom je halen als het zomer is van Hans Münstermann
Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789046807842 / 240p.
(12) reactie(s) - geplaatst op 22-09-2010
‘Veel emotie toont Joachim niet, terwijl ikzelf overvallen word door gevoelens en het nog steeds niet kan geloven.’ Ik kom je halen als het zomer is is in deze zin samengebald. De ik-figuur, Andreas Klein, begrijpt zijn oudste broer niet – hij begrijpt hem eigenlijk nooit. Joachim is ‘anders’, zoals het in het boek steeds heet: hij heeft, zo blijkt aan het slot, tijdens zijn geboorte een hersenbeschadiging opgelopen. Overigens wordt die diagnose die in het boek niet zo expliciet gesteld. Om tot een vorm van begrip van Joachim te komen die aan de medische wetenschap ontstijgt, gaat Andreas terug in zijn herinneringen aan Joachim: elk hoofdstuk, gemarkeerd door een jaartal, correspondeert met een specifieke herinnering, die soms de duur van een vakantie heeft en dan weer beperkt blijft tot een middagje familiebezoek. Op driekwart van het boek volgt een reconstructie van het leven van Joachim voor Andreas’ geboorte; een reconstructie aan de hand van de verhalen van hun beider vader, zoals de korte inleiding op de drie laatste hoofdstukken vermeldt.
Slordig
De geciteerde zin is ook representatief voor Münstermanns stijl. Aanvankelijk dacht ik dat het houterige, onprecieze en soms (‘overvallen door gevoelens’) clichématige taalgebruik correspondeerde met het weinig vlotte karakter van Andreas. In de laatste drie hoofdstukken echter laat Münstermann het perspectief van Andreas los, maar wordt dezelfde stijl gebruikt. Men zou daarin nog welwillend de hand van een reconstruerende Andreas kunnen herkennen, maar Münstermann hanteert dat perspectief nergens consequent: in de hoofdstukken voor de reconstructie verruilt hij het subjectieve perspectief van Andreas al steeds meer voor een vertelinstantie die niet aan een personage gebonden is. De inleiding op de laatste drie hoofdstukken wekt de indruk van een noodgreep, ingevoegd nadat ontdekt werd dat Andreas uit het boek verdwenen was.
Münstermann gaat dus niet erg bewust om met vorm en compositie. Nu zijn er apert slordige schrijvers die toch heel mooie dingen hebben gemaakt – denk aan Slauerhoff. Maar Münstermann bewerkstelligt met zijn slordigheid geen sublieme verwarring. Daarvoor maakt hij het de lezer net iets te vaak net iets te gemakkelijk. Zo eindigt het hoofdstuk waarin de vader van de beide broers overlijdt met een scène waarin Andreas zich maar af blijft vragen waarom Joachim dolblij is met de dood van zijn vader. Waarom dat zo is, wordt gaandeweg het hoofdstuk echt wel duidelijk. Toch laat Münstermann Andreas nog een keer concluderen: ‘Waarom zou hij vader missen? De vader die hem zo vaak heeft laten voelen: jij kunt het niet. Hij kan zich nu bewijzen, nu zijn vader er niet meer is.’
Dat het autoritaire karakter van die vader een paar hoofdstukken verder wordt neergezet door hem letterlijk te laten brullen dat híj de baas is, laat ook weinig aan de verbeelding over. En bij de volgende passage, uit het hoofdstuk over Joachims wedervaren op een katholieke kostschool, vroeg ik me af hoe serieus Münstermann zijn lezers neemt: ‘[Joachim] is bang om te slapen en iets te dromen dat de broeder niet bevalt. Bang dat broeder Simon hem wakker zal schudden om hem te straffen, midden in de slaapzaal, met alle jongens er lachend omheen: moet je die zien! Gelukkig is het zijn verbeelding.’ Over de ongetwijfeld grappig bedoelde namen die Münstermann aan een aantal bijfiguren geeft – Etter, Mosterd, Haverkort, Calvé en, jawel, broeder Ignatius – heb ik het maar liever niet.
Publiek
Ik vind het belangrijker me af te vragen waarom Münstermann ondanks de bovengenoemde bezwaren een succesvol auteur is. Zijn naam is, zoals de website van zijn uitgever trots vermeldt, ‘een merk geworden’ – er is een lezerspubliek, een aanzienlijk lezerspubliek zelfs, dat met Münstermann wegloopt. Wat is dat voor een publiek? In ieder geval moet het een publiek zijn dat het bovengenoemde niet als bezwaarlijk opvat en het misschien wel zo prettig vindt dat Münstermann geen al te groot beroep op de verbeelding doet. Het moet een publiek zijn dat het niet knullig vindt dat de autoritaire vader, die ervan droomt zijn zoon in uniform te zien en ‘prehistorisch’ kan brullen, uitgerekend de Duitse nationaliteit heeft. Dat zich niet ergert aan de boutade over de gesubsidieerde kunst die Münstermann Andreas in de mond legt. En het moet een publiek zijn dat achteloos doorleest wanneer Münstermann de vermaningen van een Arabische vrouw aan haar ongehoorzame zoon fonetisch weergeeft als: ‘Kef kef! Kefferdiekef!’
We hebben dus te maken met een publiek dat zich door literatuur niet al te zeer wil laten uitdagen en dat ideologisch weinig sensibel is. Münstermann bedient dit publiek ook in zijn representatie van het verleden. Dat lijkt namelijk vooral omwille van zichzelf te worden gerepresenteerd: Andreas gaat terug in de tijd om zijn broer te kunnen begrijpen, maar wat hij daar aantreft wordt niet als inzicht naar het heden vertaald. In de representatie van het verleden is herkenbaarheid bovendien het belangrijkste doel. Zo rookt Andreas in het hoofdstuk ‘1969’ een joint, woont hij op een boot en praat hij de hele tijd over seks.
Ook de manier waarop de naoorlogse secularisatie in het boek is verwerkt, wekt de indruk dat Münstermann een werkelijkheid wil voorschotelen die zijn lezers vertrouwd is. Zo maakt de Duitse pappa op zijn sterfbed een geloofscrisis door, zonder dat diens geloof voor zijn karaktertekening in de roman een wezenlijke rol speelt. Maar het is herkenbaar, want al veel vaker vertoond. Ook Joachims kostschoolavonturen zijn niet bijster origineel. Als Joachim bovendien aan het slot van de kostschoolepisode te maken krijgt met broeder Ignatius, die wel begrip voor hem opbrengt en hem liefdevol als misdienaar aanstelt, krijg ik de indruk dat Münstermann ook nog zoiets als ‘de goede kant van het katholicisme’ er bij wil slepen, en daarmee een soort heimwee naar een verloren gegane geborgenheid aan wil spreken. Want die heimwee is in trek.
Family matters
Ik wil op dit publiek niet het etiket mainstream plakken, maar ik denk wel dat er in Ik kom je halen als het zomer is bepaalde tendensen bediend worden die in de mainstream actueel zijn: gebrek aan verbeelding, intellectuele gemakzucht, erosie van het politieke bewustzijn, fixatie op het verleden – een verleden dat bovendien tot een al te gemakkelijk consumeerbaar beeld wordt uitgevlakt. Ik vind dat bedenkelijke tendensen. En er komt nog een zeer bedenkelijke maatschappelijke tendens bij, namelijk de reductie van de sociale omgeving tot de familie. Münstermann laat het thema familie zijn boek domineren: er wordt hier niet gewerkt, er wordt niet over voetbal gepraat, er wordt niet over politiek nagedacht. Zijn personages zijn alleen maar bezig met hun verhouding tot de andere familieleden, waarbij die familie beperkt blijft tot het kerngezin.
Andere sociale interactie en de manier waarop de mens zich tot de maatschappij verhoudt, raken door de dominantie van dit thema uit zicht. Het bedenkelijke zit evenwel niet alleen in die dominantie, maar ook in datgene wat de familieverhoudingen symboliseert. Zoals gezegd, wordt het conflict tussen Joachim en diens autoritaire vader nogal expliciet uitgelegd. Ook is overduidelijk dat die vader de maatschappij representeert: hij haalt in de loop van de roman alles overhoop om Joachim tot een ‘normaal’ mens te maken en reageert steeds weer met agressie als Joachim niet aan die normaliteit wil of kan voldoen.
Tegenover de figuur van de vader staat de moeder, die wel bereid is om Joachim te nemen voor wat hij is. Anders dan bij de vader wordt haar een emotionele integriteit aangemeten: niet in staat om met de pasgeboren Joachim om te gaan, brengt ze hem naar de kostschool, maar er wordt wel uitgebreid beschreven hoezeer dit haar aan het hart gaat. Dat mamma zacht en warm en menselijk is, wordt er steeds weer dik opgelegd. Hoe geforceerd die karaktertekening is, blijkt uit de passage waarin Andreas zijn moeder op een verjaardagsfeest observeert: ‘Zij krijgt iets griezeligs met die dot grijs haar, streng gekapt, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is volledig aanwezig en aandachtig, of dat lijkt zo. Ik zie nu hoe zacht ze is, en lieflijk, zo innig tevreden, dicht bij haar kinderen.’ Even lijkt het alsof Andreas zijn moeders nabijheid ervaart als gevaar: ze is griezelig, ze is steng en ze is dominant. Maar deze waarneming wordt direct gecorrigeerd door weer een verzekering van haar innige goedheid.
Het zo ontwikkelde schema is in de roman absoluut: aan de ene kant de wereld van de vader, van de boze maatschappij die aanpassing eist, aan de andere kant de veilige wereld van de moeder, wier onzelfzuchtige liefde dwangmatig wordt benadrukt. Alle figuren buiten de familie worden volgens dit schema opgedeeld: alle vrouwen zijn empathisch, lief en vol begrip, alle mannen zijn tough – behalve broeder Ignatius, maar die is er dan ook om de goede kant van de moederkerk te representeren.
Mogelijk verklaart het absolute karakter van dit schema het compositorische probleem dat ik eerder aanduidde, namelijk dat gaandeweg de roman het subjectieve perspectief van Andreas wordt losgelaten, ten faveure van een vertelinstantie die niet aan een personage gebonden is en die zich vooral op Joachim concentreert. Andreas wordt namelijk onder dit schema verpletterd: hij durft het conflict met zijn vader niet aan en durft ook niet toe te geven aan zijn verlangen om voor de grote, boze wereld troost te zoeken in mamma’s schoot. Het is geen toeval dat hij de vrouwen in zijn leven – stuk voor stuk klonen van zijn moeder – op grote afstand houdt, ook als hij getrouwd is.
Joachim daarentegen is de rebel: hij heeft lak aan de eisen van zijn vader en de conventies van de maatschappij. Zonder enige aarzeling geeft hij zich over aan zijn verlangen naar een moeder die altijd van hem houdt, hem altijd begrijpt en hem altijd beschermt. Daarin ligt Joachims aantrekkingskracht voor Andreas, een aantrekkingskracht die Münstermann ook op zijn lezers over wil brengen. Joachims rebellie wordt evenwel heel duidelijk als een heilloze zaak gepresenteerd. Al in het tweede hoofdstuk wordt hij verliefd op een Mariabeeld, waarmee de onmogelijkheid van zijn verlangen duidelijk wordt. De rest van het boek is één grote illustratie van Joachims buitensluiting, uit het gezin en uit de maatschappij. Uiteindelijk concluderen zowel Andreas als zijn moeder dat het maar beter was geweest als Joachim nooit de baarmoeder had verlaten.
Resignatie
Dat maakt Ik kom je halen als het zomer is tot een resignatief boek: het stelt de aanpassing aan de maatschappelijke werkelijkheid voor als onvermijdelijk en het verlangen als onbevredigbaar. Het is een angstige gedachte, maar ik vrees dat juist daarin de verklaring van Münstermanns succes te vinden is. Zoals gezegd bevestigt de werkelijkheid die hij oproept alle bedenkelijke neigingen die in de huidige culturele mainstream actueel zijn: gemakzucht, oppervlakkigheid, ideologisch simplisme en de ‘Rückzug ins Private’. Maar bovenal voedt Münstermann de idee dat de wereld nou eenmaal geen krentenbol is en dat daar helemaal niets aan te doen valt.
Mijn kritiek op Ik kom je halen als het zomer is is niet dat die tendensen gereproduceerd worden. Het probleem is dat Münstermann ze onbewust reproduceert, waardoor het onmogelijk wordt tot een verhouding ten opzichte van de genoemde tendensen te komen en de impasse zodoende alleen maar wordt versterkt. Die impasse is niet alleen een intellectueel maar ook een emotioneel probleem. We staan er niet best voor als we op het kwaad in de wereld reageren door terug de baarmoeder in te willen vluchten. De onmogelijkheid van dat verlangen zal de impasse alleen maar vergroten. Het is daarom hoog tijd voor helden wier verzet niet als ontroerende, heilloze curiositeit wordt neergezet. Maar het is vooral tijd voor verlangens die meer omvatten dan veilig en warm en lief.
12 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


03-10-2010, om 4:38:24