cover big

Brieven van Pygmalion

Jeroen van Rooij

Over Brieven aan Olga van Jan Wolkers

Bezorgd en ingeleid door Onno Blom

De Bezige Bij, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789023455141 / 152p.

(4) reactie(s) - geplaatst op 28-06-2010

Bookmark and Share

Er zijn weinig Nederlandse auteurs die zo hartstochtlijk de mythe van hun eigen leven hebben geschreven als Jan Wolkers. In dat verhaal neemt de grote liefde die hij voelde voor zijn tweede vrouw, Annemarie Nauta, een belangrijke plaats in. In 1972 onthulde zij in een televisie-interview het model te zijn geweest voor Olga Stabulas, het ‘lieve rooie dier’ uit Turks fruit.

Toen Wolkers in 1957 een half jaar in Parijs verbleef, correspondeerde hij hartstochtelijk met Annemarie. Onno Blom, die aan Wolkers’ biografie werkt, heeft in Brieven aan Olga Wolkers’ brieven (en passages uit die van Nauta) bezorgd en ingeleid. De belangrijkste vraag bij dit boekje is wat mij betreft of het nieuwe inzichten biedt in Wolkers’ werk.

Brieven aan wie?

De titel lijkt op het eerste gezicht nog best logisch: de lezer kent Nauta immers alleen voor zover zij Olga is geworden. Maar toch: waarom niet gewoon Brieven aan Annemarie Nauta? Natuurlijk, de schoorsteen moet roken bij De Bezige Bij en een pakkende titel is belangrijk. Maar om een auteur brieven te laten schrijven aan zijn personage, tien jaar voor hij aan de roman begint waar ze in voorkomt, vind ik een hoogst eigenaardige ingeving. Dit idee wordt in Brieven aan Olga verantwoord door te wijzen op de overeenkomsten tussen fictieve Olga enerzijds en Annemarie Nauta anderzijds. De wijze waarop Blom dat doet, is weinig elegant.

‘Olga was een verzengende liefde in het leven van Jan Wolkers,’ is de eerste zin uit zijn ‘Vooraf’ en laat ik het nog maar even zeggen voor de volledigheid: dat is niet waar. Hoe Blom ook zijn best doet om te wijzen op de overeenkomsten, van de kleur van Nauta’s haar tot haar afkomst, van de citaten uit haar brieven die Wolkers in Turks fruit opneemt, tot de foto’s die hij van haar maakte, de gelijkenissen heffen de verschillen niet op. Wolkers’ verblijf in Parijs, waaruit de correspondentie voortkomt, heeft geen plaats in Turks fruit. Nauta leeft nog en komt uitgebreid aan het woord in Brieven aan Olga, terwijl het personage sterft.

Dat heeft kwalijke gevolgen. Blom lijkt namelijk alleen geïnteresseerd in de momenten waarop Wolkers’ leven met Nauta overeenstemt met de roman die eruit is voortgekomen. Terwijl het wellicht interessanter is om juist de verschillen te benadrukken, om zo de poëticale keuzes van de auteur te kunnen volgen. Anders gezegd: Olga gaat niet voor niets dood, dat betekent iets in de roman. Dit maakt de keuze voor de naam Olga in de titel extra ongelukkig. Blom geeft ermee aan dat het belang van deze brieven voortkomt uit Turks fruit. In dezelfde beweging gooit hij echter de deur naar een zinnige lezing van de roman al in de eerste zin dicht.

Living doll

Wat Turks fruit een belangwekkende roman maakt, is wat mij betreft niet de banale liefdesgeschiedenis die Wolkers vertelt, maar juist de pregnante manier waarop hij de verhouding tussen leven en kunst aan de orde stelt. Op het eerste gezicht is Olga voor de naamloze held van het verhaal de ideale muze. Ze is mooi, jong, lief en uiterst neukbaar. Toch komt er aan dat geluk een einde. Maar waarom eigenlijk?

Turks fruit is een variant op het verhaal over Pygmalion uit Ovidius’ Metamorphosen. Pygmalion is een beeldhouwer die verliefd wordt op zijn eigen schepping. De godin Venus verandert het beeld in een levend meisje en Pygmalion trouwt met haar.

Olga is in Turks fruit dat beeld. Het begint er al mee dat de hoofdpersoon op de eerste bladzijde vertelt hoe hij, nadat ze hem verlaten heeft, aftrekt terwijl hij naar haar beeltenis kijkt en haar op die manier wanhopig tot leven probeert te wekken: ‘Ik lag de hele dag tussen mijn vuile lakens en plakte foto’s en naaktfoto’s van haar vlak bij mijn gezicht zodat ik op den duur haar dik onder rimmel zittende oogharen dacht te zien bewegen als ik me aftrok.’

Enkele hoofdstukken later beschrijft Wolkers hoe de geliefden elkaar ontmoeten. De scene is inmiddels klassiek: hij staat te liften, zij pikt hem op. Niet veel later liggen ze te vozen in de auto en na een pijnlijke episode met een piemel en een rits volgt er een auto-ongeluk. In al dat spektakel is een klein detail van groot belang: het liedje dat de speelt op de autoradio, ‘zo’n glimmend toetsenbord waaruit Cliff Richard Living Doll zong. Got the one and only walking talking living doll.’

Het meisje uit de mythe van Pygmalion is eerst beeld, dan vrouw, de scheiding is duidelijk en absoluut. Olga lijkt beide: een living doll, een foto die beweegt. Talrijk zijn de tekstplaatsen waarin Olga verbeeld wordt: de standbeelden, portretten, studies en foto’s vliegen je om de oren, de hele roman lang. Het gaat in de roman echter om meer dan alleen het afbeelden van de werkelijkheid. Olga en haar beeltenissen staan telkens in andere relaties tot elkaar. Soms gaat ze erachter schuil, zoals in de passage waarin de ik-figuur stof voor haar gekocht heeft waarvan ze een jurk kan maken. Hij maakt van hardboard ‘een sjabloon van het silhouet van haar lichaam’, zodat ze de stof kan bewonderen alsof de jurk al af is. ‘Ze pakte het geval op, liep ermee naar de spiegel en hield het voor zich. Het bedekte haar helemaal, ze ging achter zichzelf schuil. [...] En ze zei verwonderd: ‘Wat weet jij goed hoe ik ben.’’

Op andere plaatsen gaat ze juist nadrukkelijk de concurrentie aan met haar eigen imago en weer ergens anders stelt het beeldhouwen de verteller in staat om een diep inzicht in Olga te verwerven, nog voor hij het in woorden om kan zetten: ‘Wat mijn handen al wisten had ik zelf te laat begrepen.‘ Zo houdt de roman Turks fruit zijn eigen uitgangspunten, die zo banaal aandoen (de kunstenaar-bohemien als vertolker van de waarheid, de vrouw als schoonheid en muze, de kracht van de kunst om wat dood is tot leven te brengen of in leven te houden), kritisch tegen het licht. En daarom is de dood van Olga ook zinvol. Het is de ontmanteling van het verhaal van Pygmalion. Daarin wordt namelijk niet verteld dat wanneer Venus het beeld in het meisje verandert, de godin daarmee in één moeite haar doodvonnis velt. Het meisje zal immers geen meisje blijven. Ze zal oud worden en sterven.

In Turks fruit ontglipt Olga aan de hoofdpersoon. Ze weigert het beeld te worden dat hij voor ogen heeft. Toch wordt ze vereeuwigd in de roman. Haar dood is daar echter de gruwelijke prijs voor. Olga blijft een schemerfiguur tussen leven en dood. Wanneer ze tot leven gewekt wordt, moet ze sterven en als ze sterft, kan ze voortleven als beeltenis. De auteur is hier als de godin: hij wekt haar tot leven en vermoordt haar tegelijkertijd.

Pygmalion aan het werk

Turks fruit is diep ingebed in de Nederlandse populaire cultuur. De film (en de score van Toots Tielemans) zijn symbool komen te staan voor een onbezorgd en vrijgevochten Nederland (dat niet meer lijkt te bestaan). Het grootste literaire verkoopsucces van de afgelopen jaren, Kluuns Komt een vrouw bij de dokter, speelt opzichtig leentjebuur bij zowel de roman als de film. Niet zo lang geleden is zelfs Turks fruit, de musical gemaakt. Al deze hernemingen hebben van de roman een soort Olga gemaakt. Kluun, film, musical: telkens wordt Turks fruit herboren en vermoord. De uitgave van de brieven aan Annemarie Nauta voegt weer een nieuw beeld aan dit hoopje herhalingen toe. De vraag is of deze afbeelding wèl recht kan en wil doen aan de rijkdom van de roman.

Om te beginnen met het goede nieuws: ja, dat is mogelijk. De brieven geven her en der een fascinerend inzicht in de manier waarop Wolkers leeft om zijn kunstenaarschap. De achterflap heeft het ietwat gretig over ‘tintelende brieven’, maar de erotiek neemt in de correspondentie een veel minder prominente plaats in dan de kunst. Wolkers bericht over de exposities en musea die hij bezoekt, de boeken die hij leest, de muziek waarnaar hij luistert en de beeldhouwlessen die hij volgt. Parijs beschrijft hij alsof hij een schilderij bekijkt. Bijvoorbeeld in de brief van 16 februari 1957, waarin hij de fruitstallen op de markt bekijkt alsof het om stillevens gaat. Hier en daar illustreert Wolkers zijn brieven, die gelukkig in facsimilé opgenomen zijn, en ook dat laat zien hoezeer hij probeerde om de esthetische ervaring van de stad te vangen.

Het is veelzeggend dat Wolkers op eenzelfde manier met Annemarie omgaat. Eerst en vooral is ze voor hem een bron van schoonheid:

Met plezier las ik van je nieuwe, paarse jurk, en nu, iedere keer als ik mooie, gele – van een prachtig geel dat op ’t ogenblik mode schijnt te zijn hier in Parijs – schoenen zie met hoge hakken rank als hertenpootjes, denk ik, wat zou dat mooi staan bij Annemarie in ’t paars. [...] Wat zal je er fijn strak inzitten, met je 130 pond. Houden zo, hè! Over een paar weken zie ik dat al weer, met Pasen.

In al zijn oprechte bewondering is Wolkers hier toch aardig manipulatief. Niet alleen schrijft hij Annemarie dat ze prachtig is en dat hij naar haar verlangt, hij laat ook duidelijk merken hoe hij haar het prachtigst vindt. Hij voegt nog net geen lijstje met eisen toe. Ook elders zien we een Wolkers die niet alleen geniet van zijn ideale vrouw, maar haar ook probeert te scheppen. Veelzeggend zijn de erotische tekeningen die hij haar stuurt: het zijn geen tekeningen uit zijn herinnering, maar wensbeelden. ‘Tekeningen die ik vanuit Parijs naar mijn vrouw stuurde om haar te laten zien wat we zouden doen zodra ze weer bij me was,’ citeert Blom uit Werkkleding. Hier is Pygmalion aan het werk: er gebeurt van alles in het ingewikkelde proces waarmee bij Wolkers kunst en leven in elkaar overvloeien.

Het slechte nieuws is echter dat Onno Blom niet meteen de aangewezen persoon lijkt om dit soort veelzeggende motieven naar voren te halen, hetgeen niet veel goeds voor de biografie laat vermoeden. Overal waar de biograaf aan het woord is, prevaleert de eenzijdige interpretatie boven de veelkantige. Blom timmert Turks fruit hardhandig in het sjabloon van Wolkers’ leven en hoopt daarmee klaar te zijn. In zijn lezing is de moeder in Turks fruit een kreng, omdat Nauta zegt dat haar moeder ‘bezitterig en jaloers’ was en ‘probeerde mijn leven te bepalen. Ze zei: wat moet je met zo’n artiest?’ Zo overheerst in Brieven aan Olga het cliché: de vrije artiest, het burgermeisje en de boze schoonmoeder figureren in een verhaal dat al duizend keer verteld was voordat Wolkers aan Turks fruit begon. Dat Blom zijn verhaal her en der doorspekt met draken van zinnen als: ‘Plotseling was het geluk hun ontglipt en als een spiegel in duizenden scherven gevallen,’ maakt het alleen nog maar erger.

Daar komt nog bij dat Blom veel te graag de mythen in stand houdt die Wolkers omtrent zijn schrijverschap geschapen heeft. Zo herhaalt hij klakkeloos het wel erg onwaarschijnlijke verhaal dat Wolkers zijn schrijfmachine ‘in een opwelling’ kocht, vlak voor zijn Parijse periode. Het ding kostte 295 gulden, wat voor de armlastige beeldhouwer een fortuin geweest moest zijn. De beeldhouwer nam het mee naar Parijs, uitgerekend de stad waarover hij als zeventienjarige, zonder er geweest te zijn, al gedicht had. Nu hij de stad eindelijk met eigen ogen ging aanschouwen, nam hij een schrijfmachine mee en schreef er zijn eerste gepubliceerde werk. Dat is een mooi verhaal natuurlijk, maar het is ook meer dan een tikkeltje naïef om te geloven dat er aan de plotse opwelling geen wens vooraf ging om literair auteur te zijn. Van een biograaf is meer kritische afstand te verwachten en vooral meer oog voor de ontwikkeling van de auteursfiguur Jan Wolkers.

Turks fruit is niet Wolkers’ beste werk. Het is wel een boek dat veel intelligenter in elkaar zit dan op het eerste gezicht lijkt. Onder de oppervlakte van de boy meets girl story borrelt een verhaal over de ontstaansvoorwaarden en het belang van de kunst. Het is daarom meer dan jammer dat Brieven aan Olga geen betere uitgave geworden is: het had Turks fruit uit het moeras van zijn eigen receptie kunnen trekken. In plaats daarvan duwt het de roman alleen maar dieper de modder in.

4 reacties

Als de kwaliteit van een interpretatie kan worden afgemeten aan het aantal elementen van de literaire tekst dat ze verklaart – ook zulke die niet in de bespreking genoemd worden – dan scoort deze kritiek hoog. Ik had van de ‘Brieven aan Olga’ tot nog toe alleen het omslag gezien, en was meteen bijzonder geïntrigeerd door de portretfoto die het toont, de ‘buste’ laat ik maar zeggen. Ik weet niet of de herkomst van de omslagfoto verantwoord wordt, maar in elk geval lijkt hij me behoorlijk kunstmatig, ‘gefotoshopt’ zouden we nu zeggen. (Wat in het leven – in deze liggende positie – een zacht glooiend heuvellandschap kan zijn, lijkt hier wel – in de kunst – subliem hooggebergte.)  Toch suggereert de foto in zijn oer-gelijkstelling met ‘realiteitsweergave’ (Barthes’ ‘ça a été’) dat deze vrouw, zulke vrouw bestaan moet hebben.

Van artistieke creatie gesproken. Nog een beeld erbij, zij het niet meer helemaal op het conto van de auteur te schrijven.

In Genettes visie op de ‘paratexte’ is dit een interessant geval: ik citeer nu maar even, zomers licht,  uit het Engelse Wikipedia-lemma ‘paratext’: “a zone between text and off-text, a zone not only of transition but also of transaction: a privileged place of pragmatics and a strategy, of an influence on the public, an influence that ... is at the service of a better reception for the text and a more pertinent reading of it”.

In de opgebaarde houding behoudt de zonnende vrouw (liggend, sterfelijk) de fysieke kenmerken van de staande (springlevende). Er wordt bewust verwarring gezaaid tussen beeld (standbeeld, boegbeeld van bv. libertinisme) en een in se rustende, bescheiden teruggetrokken werkelijkheid, ‘aan de oorsprong van de kunst’. Alleen is al de oorsprong vervalst. Of zie ik dat fout?

  • Door Erik de Smedt
  • gepost op
    29-06-2010, om 12:15:47

‘Daar heb ik ook die foto van haar gemaakt waar ze op haar rug ligt in het mulle zand met wilde roosjes in haar haren die ik erin gestoken had en met haar borsten recht omhoog waarvan iemand eens vroeg: “Bestaat dat?”’, staat in Turks fruit. En in Brieven aan Olga wordt de foto toegeschreven aan Wolkers. Ik meen dat de foto ook al eerder gepubliceerd is. Werkkleding misschien, of het schrijversprentenboek van het Letterkundig museum?

Wolkers is er altijd een meester in geweest om zijn werk vol te stoppen met dit soort eigen beelden, die dan later ‘onthuld’ konden worden als een soort ‘bewijs van echtheid’. De vraag is inderdaad of het daarbij nu gaat om een geste die de authenticiteit van het werk verhoogt, of er alleen maar een schil van beelden omheen legt.

De positie van de buste lijkt me eerlijk gezegd niet zozeer aan het gebruik van photoshop toe te schrijven, als wel aan het in de jaren vijftig nog in zwang zijnde stijfsel (no pun intended) waarmee de houder wellicht behandeld is. Wel kunstmatig, niet geshopt.

  • Door Jeroen van Rooij
  • gepost op
    29-06-2010, om 11:34:05

Bedankt voor de heldere toelichting. Het is te lang geleden dat ik ‘Turks fruit’ heb gelezen. Dat pseudo-authentificerende citaat was weggedeemsterd. Foto’s werden ook vroeger wel ‘s geretoucheerd, maar stijfsel kan natuurlijk ook – met wonderbaarlijk effect in elk geval.

  • Door Erik de Smedt
  • gepost op
    29-06-2010, om 12:57:27

Het citaat zou mij ook niet opgevallen zijn als ik de foto niet gezien had. En inderdaad, ‘iemand’ had gelijk toen hij of zij vroeg “Bestaat dat?”

  • Door Jeroen van Rooij
  • gepost op
    29-06-2010, om 3:03:14

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?