cover big

De spiegel van de lulligheid

Gaston Franssen

Over Overwoekerd van Tsead Bruinja

Cossee, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789059362871 / 79p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 08-07-2010

Bookmark and Share

Tsead Bruinja is een dichter die het goed met zichzelf heeft getroffen. Dat klinkt sarcastischer dan het is bedoeld: het is namelijk niet zo dat Bruinja zelfingenomen is, of hoog van de toren blaast. Wat ik bedoel is dat Bruinja een bevoorrecht leven leidt. Hij kan rondkomen van zijn dichterschap, is gelukkig getrouwd, woont in een huisje in Amsterdam-West (mét dakterras), en heeft sinds kort een gloednieuwe wasmachine. In vergelijking met een inwoner van, zeg, een Zuid-Afrikaanse township, een dorpje in Afghanistan of de Gazastrook, heeft hij bepaald niet te klagen. Bruinja is zich daar terdege van bewust. Paradoxaal genoeg moest hij eerst in een depressie terechtkomen voordat hij dat inzicht kon verwerven, zo blijkt uit een recent interview: ‘Ik ging in therapie bij een psycholoog, en ik kwam er achter wat een heerlijk leven ik eigenlijk heb […]. Ik zag ook in dat dat genoeg is. Ik ben tevreden’, bekende hij. Zijn recentste gedichtenbundel, Overwoekerd, getuigt van dat nieuw verkregen inzicht. ‘In het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog’, schrijft Bruinja in het gedicht ‘Sneeuw’. De dichter werpt een blik op de wereld, vergelijkt het weinig benijdenswaardige bestaan van anderen met zijn eigen leven, en telt zijn zegeningen.

Een dichter die tevreden is met wat hij heeft: het is een intrigerend beeld, niet in de laatste plaats omdat het haaks staat op allerlei traditioneel romantische opvattingen over dichterschap. Toch kun je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat Bruinja in zijn nieuwste bundel erg dicht bij zichzelf en zijn eigen leven blijft. Overwoekerd is een heel persoonlijke, soms zelfs banale en schaamteloos intieme bundel. We zijn erbij als de dichter ’s ochtends, half aangekleed, zich verbaast over een onverwachte, maartse sneeuwbui. Hij licht ons in over de verbouwing in de woning van de onderbuurman, die zich komt verontschuldigen voor de geluidsoverlast. Hij vertelt ons over een vrijpartijtje in een Zwitsers hotel, een middagje klussen bij een bevriend koppel, het zoeken naar koopjes op marktplaats.nl, en over een interessant telefoontje met ‘collega dix’, ‘om te vragen of hij een slaapplek heeft / voor na een optreden’.

Maar toch zou het niet terecht zijn om de dichter te verwijten dat hij het dagelijkse leven simpelweg voor zichzelf laat spreken. Het zelfportret dat hij schetst in Overwoekerd is allerminst een gemakzuchtig product van navelstaarderij. De bundel is juist doorschoten met indringende snapshots uit het wereldnieuws en getuigt van stevige zelfkritiek. Dat Bruinja zich wel degelijk kritisch verhoudt tot de voorspoed en het (relatieve) succes dat hem ten deel valt, blijkt wel uit het gedicht ‘Worming Up Von Kwabbenstein’, waarin hij zichzelf expliciet op de hak neemt:

Tsead Bruinja is een man van de wereld. Hij declameert graag
wijsheden als: Zwitserland is wel duur. […] Te verwachten valt
dat Tsead binnenkort de roeping van de nobele dichterij zal verlaten om
gitaar te gaan spelen bij bands als Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut
Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil
en succesvol blijken. […] Tsead is gelukkig getrouwd,
maar nog nooit klaargekomen in Cambodja, Thailand of op een van
de Galapagoseilanden.

Met die ironische zelfverheerlijking nodigt de dichter zijn lezers nadrukkelijk uit om vraagtekens te zetten bij de ‘Tsead Bruinja’ die uit zijn gedichten naar voren komt. Wie is die figuur eigenlijk? Gaat het hier om een directe weergave van de gelijknamige inwoner van de Baarsjes die zijn nieuwe wasmachine bestelde bij BCC, zoals naar voren komt in het gedicht ‘Met een groot wit nummer op de rug’? Of is het toch een geretoucheerd, gemanipuleerd portret?

90% fruitvlieg

Het is in elk geval duidelijk dat Bruinja zich weliswaar wentelt in alledaags burgergeluk – ‘wij […] richten ons meer en meer // op ons dagelijks leven’, lees je ergens – maar dat hij zich evengoed distantieert van zijn eigen bestaan. Dat gebeurt op verschillende manieren. Zo zet hij zichzelf te kijk als inconsequente ‘fatsoensrakker’. Aan de ene kant is hij maar wat blij dat hij in ‘eigen huis van alles mag roken’, stelt hij in het gedicht ‘Europa’. Maar aan de andere kant heeft hij bezwaar tegen het drugshandeltje dat zijn overbuurman erop nahoudt, zoals blijkt uit een ander gedicht: het ‘reisbureau’ dat de overbuurman zogenaamd runt wil hij ‘liever niet in mijn straat wijk of zicht’.

Daarnaast wordt de tevredenheid over het eigen bestaan sterk gerelativeerd doordat in een aantal gedichten de gêne over het eigen lichaam uitgebreid aan bod komt: keer op keer benadrukt het lyrisch ik zijn lijfelijke tekortkomingen. De dichter gaat letterlijk en figuurlijk met de billen bloot en maar weinig fysieke ongemakkelijkheden blijven de lezer bespaard. Zo opent het gedicht ‘Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf’ met deze strofe:

na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc
om me af te vragen of dit lichaam een geschenk is
of een straf

In een ander gedicht kijken we wederom mee als de dichter naar het toilet gaat; het is ’s avonds laat en hij gebruikt ‘het minder felle licht / zodat ik mezelf niet zal zien / maar bij het plassen mislukt het’. De onverwachte zelfconfrontatie resulteert in een spottend zelfportret: de dichter ziet in een spiegel zijn ‘sippe lippen’ en op zijn borst ontdekt hij ‘een flinter oude kaas / die ik at bij de wijn’. In weer een ander gedicht wordt een gênant bezoekje aan het ziekenhuis breed uitgemeten:

de receptioniste geeft me een sticker met mijn gegevens
en een potje waar ik de sticker op mag plakken
daarna wijst ze me de wc aan
[…]
als ik na wat nerveus gefriemel
haar het lauwwarme resultaat wil overhandigen
maakt ze een afwerend gebaar en schuift
vliegensvlug een geel bakje naar voren

 
Verlossing van al die lijfelijke ongemakken is er niet, dat staat vast: ‘Wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen’, verzucht hij in ‘Wat wij durven te hopen’.
Dat Bruinja zo lang blijft stilstaan bij situaties waar de lulligheid vanaf druipt, hangt samen met zijn weinig verheffende mensbeeld. De mens is geen benijdenswaardig schepsel: meer dan ‘90% fruitvlieg’ en ‘net een stukkie slimmer / dan de bonobo’ is homo sapiens nooit geworden, aldus de dichter. Wie denkt dat Bruinja als taalkunstenaar zijn hoop misschien nog op de woorden heeft gevestigd, in de veronderstelling dat die de menselijke beperkingen zullen overstijgen, komt bedrogen uit. Taal en intermenselijk contact kunnen geen soelaas bieden voor bekrompenheid van geest en de beperkingen des vlezes: ‘om je leefhuis om je vleeshuls’, zo leert de dichter, gaapt een ‘onpeilbare gracht van woorden’.

De alledaagse lulligheid die Bruinja in kaart brengt krijgt ook in de versvorm uitdrukking. Nadrukkelijk spreidt de dichter zijn onhandigheid tentoon door het associatieproces dat aan het gedicht vooraf ging in het eindresultaat op te nemen. Zo eindigt het gedicht ‘De psychiater en Marleen verjaagd’ met deze regels: ‘Ik haalde mezelf uit het gedicht en stopte er meer Marleen en psychiater in. // Het werd anders.’ Een ander gedicht sluit af met deze opmerking: ‘Ik durf bijna niet op te schrijven / dat ik dat niet had verwacht.’ In ‘De stille teruggetrokken Ernesto’, ten slotte, doet Bruinja – enigszins op z’n Oosterhoffs – uit de doeken van welke bronnen hij gebruik heeft gemaakt, en speculeert hij over de mogelijke impact van zijn gedicht:

als ik schrijf dat dit een bewerking is van een artikel uit de groene
geschreven door fred de vries

beginnen de namen u wellicht te duizelen
en komt het gedicht minder hard aan

Doordat Bruinja de totstandkoming van zijn poëzie zichtbaar maakt, krijgt het gedicht iets onhandigs en onafs: het is net alsof de dichter niet precies weet hoe hij het moest opschrijven en daarom maar vertelt wat hij had willen schrijven. ‘Er is iets wat ik moet zeggen / maar wat ik niet kan zeggen’, geeft hij zelfs toe. Het is dan ook niet helemaal fair om de dichter te verwijten, zoals sommige van zijn critici doen, dat hij onhandige of storende regels zou schrijven, die zich maar niet loszingen van de weergegeven werkelijkheid. Bruinja laat juist zien dat het leven vol zit met storende, zinloze en onhandige zaken – en dat het werk van de dichter, wanneer hij dat leven tot onderwerp wil nemen, net zo knullig zal uitpakken. Die knulligheid wordt ook nog eens onderstreept, want de dichter trekt regelmatig zelf de zin van zijn bezigheden in twijfel. ‘Welke bijna gelukkig getrouwde man leest er nu poëzie?’ vraagt hij zich af; en in ‘Voor de kat’ stelt hij: ‘De wereld staat in brand en ik speel viool’. Wie gelukkig is, heeft dus niets aan de poëzie; en wie ongelukkig is, evenmin.

Er niet mee bezig

Het lullige geluk van het burgermansbestaan mag dan wel een belangrijke rol vervullen in Overwoekerd, het blijft het een ongemakkelijk, besmet geluk. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat de huiselijke scènes vaak afgewisseld worden met verontrustende regels vol dood en geweld. De bundel bevat gedichten over een crematie, over lichamen in staat van ontbinding, racistisch geweld, doorgeslagen hedonisme en uitstervende diersoorten. Het titelgedicht spreekt wat dat betreft boekdelen:

overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de
liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet
mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig

Zo gaat het gedicht nog een tijdje door, waarbij de dood, de liefde, de jaloezie en de haat worden afgewisseld met woede, geloof, geilheid en verdriet – en steeds is de dichter er ‘niet mee bezig’. Het gedicht, een broeierige tekst vol onderhuidse dreiging, getuigt van een procedé dat Bruinja wel vaker inzet. Hij contrasteert heftige gevoelens en beangstigende beelden met huiselijke scènes, die suggereren dat hij ‘er niet mee bezig’ is. Maar het tegendeel is waar: dat scherpe contrast zorgt er natuurlijk voor dat die huiselijke scènes in een ontnuchterend licht komen te staan. Een voorbeeld van deze techniek levert het gedicht ‘Uw plaats in ons meedogenloze archief’, waarvan de eerste strofen zo luiden:

de soldaten sloegen haar kinderen zo hard
dat ze wel de kamer uit moest komen

leuk voor kinderen zijn knutselen
spelletje kleurplaten

de vrouwen slapen ’s nachts in gebouwtjes
de mannen liggen buiten in de kou

leuk voor mannen zijn topsalarissen
goedbetaalde banen reiskosten

moeder werd achter in de legertruck gezet
en mishandeld

leuk voor moeders zijn bloemen
iets hartigs ontbijt op bed

Bruinja spiegelt hier zijn eigen wereld aan het bestaan van een inwoner van een township, of een oorlogsgebied. Zulke contrastwerkingen neigen naar effectbejag, maar de dichter vervalt nergens in gemakkelijke retoriek. De tegenstelling tussen híer (vrede, welvaart, tevredenheid) en dáár (oorlog, armoede, ellende) is namelijk nooit symmetrisch. Eerder is het zo dat de beleving van het zorgeloze hier-en-nu door het geschetste contrast enorm beladen wordt. Het geluk wordt overwoekerd met een hele reeks ongemakkelijke connotaties: het wordt ervaren als iets uitzonderlijks en kwetsbaars, maar evengoed als een onrechtvaardig en onverdiend privilege. De dichter telt inderdaad zijn zegeningen, maar tegelijkertijd zit hij ermee in zijn maag.

Deze dubbelzinnige houding verklaart waarom Bruinja in Overwoekerd epateert met zijn kabbelende welvaartsbestaan. Hij geeft niet zomaar een realistische weergave van het geluk van de bourgeois, maar hij houdt zijn lezers de spiegel van de lulligheid voor. En in die spiegel ziet hij onder andere

mannen die liever niet in de spiegel kijken
als ze met hun gelukkig getrouwde vrouw
in het royaal naar hen uitgestoken ochtendlicht
vertrouwd en helder

de gelukkige liefde bedrijven

De dichter wil eigenlijk – net als die ‘mannen’ – liever niet in die spiegel kijken. De verschrikkingen van het wereldnieuws, die nog op zijn netvlies gebrand staan, maken de aanblik van die ‘gelukkige liefde’ namelijk ondraaglijk. Maar hij doet dat toch, in elk gedicht opnieuw. Dat maakt Overwoekerd tot een indringende, spannende bundel. De wereld staat in brand en poëzie vermag het vuur weliswaar niet te blussen, maar met zijn gedichten hoopt Bruinja ons toch aan te sporen tot een genadeloos zelfonderzoek. ‘Neem de verantwoordelijkheid voor je geluk’, zo houdt hij ons voor, ‘en geen gevangenen’.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?