cover big cover big

De wereld is een (dromen)boek

Laurent De Maertelaer

Over Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs van Georges Perec (vert. Kiki Coumans)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2017,
ISBN 9789078627319 / 48p.

Over De duistere winkel. 124 dromen van Georges Perec (vert. Edu Borger)

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789029507554 / 251p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 03-07-2017

Bookmark and Share

De eeuwige roem van de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) was al enigszins verzekerd sinds hij kort na zijn overlijden een kleine planeet naar zich vernoemd kreeg, net als een voetgangersstraat in het twintigste arrondissement van Parijs, een school en enkele bibliotheken. Maar met de recente publicatie van zijn gehele oeuvre in de vooraanstaande Bibliothèque de la Pléiade lonkt niet minder dan het literaire heiligdom. Wie toetreedt tot het dundruk-pantheon van uitgeverij Gallimard ziet immers zijn nagenoeg goddelijke status als hedendaags klassiek auteur onomstotelijk en voorgoed bezegeld.

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig kende de waardering voor Perecs werk een hausse, zowel op academisch, literair-kritisch als op uitgeefvlak. Die groeiende belangstelling dijde uit tot in ons taalgebied. Het gros van Perecs hoofdwerken, van De dingen tot zijn magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing, werd rond die periode vertaald naar het Nederlands. Gelukkig blijven sindsdien nieuwe vertalingen in een gestaag tempo het licht zien.

Vrijwel gelijktijdig zijn er nu twee glansrijke sterren aan het Perec-firmament bijgekomen. De ambachtelijke eenmansuitgeverij Vleugels uit Bleiswijk publiceert met het sociologische experiment Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs een nieuw deel in zijn steeds indrukwekkender wordende ‘Franse reeks’ en De Arbeiderspers voegt met het dromenboek De duistere winkel een derde Perec toe aan zijn toonaangevende serie egodocumenten ‘Privé-domein’. Deze vrij uiteenlopende werken blijken meer gemeen te hebben dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken.

Parijs is de wereld

De plek in Parijs die Perec koos om uitputtend en dus zo gedetailleerd mogelijk te beschrijven, was de Place de Saint-Sulpice. Op drie achtereenvolgende dagen in oktober 1974 – vrijdag de achttiende, zaterdag de negentiende en zondag de twintigste – nam hij plaats in diverse etablissementen met uitzicht op het vrij drukke kruispunt in het zesde arrondissement en noteerde alles wat hij zag. Zijn missie was om nauwkeurig vast te leggen wat aan ieders aandacht ontsnapt, met de grondigheid van een etnograaf of socioloog:

Mijn bedoeling op de volgende pagina’s was vooral al het andere te beschrijven: dat wat je gewoonlijk niet opmerkt, wat er niet toe doet: wat er gebeurt wanneer er niets gebeurt, behalve tijd, mensen, auto’s en wolken.

De drie dagen deelde Perec op in negen ‘zittingen’. Bij elke sessie gaf hij tijdsindicaties mee, waardoor de duur van elke zitting berekend kan worden. De eerste dag was met meer dan zes uur de langste, de tweede duurde grofweg viereneenhalf uur en de derde klokte af op ruim twee uur. Elke seance opent met een overzicht van de algemene omstandigheden. De eerste zitting start als volgt:

Datum: 18 oktober 1974
Tijd: 10.30 u
Plaats: Bar-tabac Saint-Sulpice
Weer: Droge kou. Grijze lucht. Af en toe een
opklaring.

In de tweede sessie klinkt het:

datum: 18 oktober 1974
tijd: 12.40 u
plaats: Café de la Mairie
            meerdere tientallen, meerdere hon-
derden gelijktijdige handelingen, microgebeur-
tenissen die elk op hun beurt weer houdingen,
motorische handelingen en specifieke energie-
bestedingen voortbrengen:
gesprekken tussen twee mensen, gesprekken
tussen drie mensen, gesprekken tussen meer-
dere personen: bewegende lippen, gebaren,
expressieve mimiek

De geritmeerde telegramstijl geeft een zeker sérieux aan Perecs observaties. Doordat de interpunctie soms wegvalt of hoofdletters vergeten worden (de typografische opmaak is in deze sterke vertaling minutieus overgenomen uit de originele Franse editie bij Christian Bourgois), krijgt zijn logboek dan weer een zekere ad hocgejaagdheid, een in-het-heetst-van-de-strijd-vlug-genoteerde zwierigheid.

Tegelijk is Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs meer dan een droge, saaie opsomming van banale feiten en gebeurtenissen. De pseudowetenschappelijke, afstandelijke notities worden regelmatig afgewisseld met meer persoonlijke mijmeringen, filosofische bedenkingen of humoristische invallen, ingrepen die het geheel behap- en prettig leesbaar maken:

[…]
Onbevredigde nieuwsgierigheid (wat ik hier ben
komen zoeken, de herinnering die door dit café
zweeft…
[…] Het roept geboeide aandacht,
ironie op, betrokkenheid bij het aanwezige:
niet alleen de scheuren zien, ook de stof (maar
hoe kun je de stof zien als alleen de scheuren
die zichtbaar kunnen maken

[…]
Paraplu’s verdwijnen in de kerk
Momenten van leegte
[…] Project van classificatie van de paraplu’s naar
vorm, manier van functioneren, kleur, mate-
riaal…

[…]
Vlak naast het café, onder het raam en op drie
verschillende plaatsen, tekent een vrij jonge
man met een krijtje een soort V op de stoep,
met daarin een soort vraagteken (land-art?)

[…]
Twee mannen met een pijp en zwarte
schoudertas
Een man zonder pijp met een zwarte
schoudertas

[…]
Een man loopt met zijn neus in de lucht voorbij,
gevolgd door een man die naar de grond kijkt.

Perecs ambitie om ‘uitputtend’ te noteren betekent onvermijdelijk dat hij op veel toevalligheden en herhalingen stoot:

[…]
De blik raakt vermoeid: steeds weer die appel-
groene 2cv’s.

[…]
Het begint weer te regenen.

[…]
Voor de zoveelste keer rijdt er een auto van de
rijschool van de Rue de Rennes 79 voorbij

[…]
Voor de vierde keer loopt de dubbelganger van
Michel Mohrt in de verte voorbij

[…]
Voorafgegaan door 91 motorrijders komt de
mikado voorbij in een appelgroene Rolls Royce

In de overrompelende chaos en veelheid aan impulsen zoekt Perec naar wetmatigheden en categorieën:

[…]
(waarom die bussen tellen? waarschijnlijk omdat
ze herkenbaar en regelmatig zijn: ze delen de
tijd in stukken, ze geven een ritme aan het
achtergrondgeluid; uiteindelijk zijn ze voorspel-
baar

[…]
Wat is er veranderd ten opzichte van de vo-
rige dag? Op het eerste gezicht is alles het-
zelfde. Misschien is de hemel bewolkter?
Het zou echt vooringenomen zijn om bij-
voorbeeld te zeggen dat er minder mensen
of minder auto’s zijn. Er is geen vogel te zien.
[…] Als de vogels (duiven) daarente-
gen zouden komen (en waarom zouden ze
niet komen), zou ik er zeker van zijn dat het
dezelfde waren.

De wereld als boek

Perecs onlesbare classificerings- en categoriseringshonger, zijn ‘encyclopedisme’ en drang om de wereld als een alomvattend boek te zien, staan in een direct verband met l’infra-ordinaire, een concept dat hij lanceerde en uitwerkte in de periode dat hij met Jean Duvignaud en Paul Virilio als redactielid en medeoprichter betrokken was bij het magazine Cause commune. Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs verscheen voor het eerst in dit sociologisch-filosofisch tijdschrift in het themanummer van 1975 dat als titel Pourrissement des sociétés had. Duvignaud – oud-leraar van Perec en levenslange vriend, medestander en mentor – en Virilio kregen trouwens beiden een cameo toebedeeld in Poging: ‘ik meen dat ik Duvignaud naar de parkeerplaats zag lopen’ in de vijfde zitting en ‘Paul Virilio loopt voorbij: hij gaat naar De walgelijke Gatsby kijken in Bonaparte’ in de zevende zitting. Perec gebruikte de term l’infra-ordinaire (‘het onder-gewone’) voor het eerst in zijn kort essay Approches de quoi?, vertaald als Nader tot wat? (oorspronkelijk verschenen in Cause commune in februari 1973; opgenomen in de uitstekende bundeling verspreide teksten Ik ben geboren, Privé-domein nr. 251, in een vertaling van Rokus Hofstede):

Wat elke dag gebeurt en elke dag terugkomt, het banale, het alledaagse, het vanzelfsprekende, het gangbare, het gewone, ‘het onder-gewone’, de achtergrondruis, het gebruikelijke, hoe moeten we daar rekenschap van afleggen, hoe moeten we dat problematiseren, hoe moeten we dat beschrijven?

Wat verder in het essay verwijst Perec kort naar het in 1969 opgestarte, maar onvoltooid gebleven ‘onder-gewone’ stadsproject Lieux, waarin het uitputtend beschrijven van Parijse straten centraal stond:

Beschrijf je straat. Beschrijf een andere straat. Vergelijk.

Met aanstekelijk enthousiasme beschrijft Perec in Tweede brief aan Maurice Nadeau (gedateerd 7 juli 1969; opgenomen in Ik ben geboren) dit qua opzet ongeziene en door zijn beperkende spelregels erg oulipiaans project:

In Parijs heb ik twaalf plekken uitgekozen, straten, pleinen of kruispunten, verbonden met herinneringen, gebeurtenissen of belangrijke momenten uit mijn leven. Maandelijks beschrijf ik twee van zulke plekken. Een eerste keer beschrijf ik ter plaatse (in een café of gewoon op straat) ‘wat ik zie’, op een zo neutraal mogelijke manier, ik som winkels op, geef wat architectonische details, noem een paar micro-gebeurtenissen […]; een tweede keer beschrijf ik om het even waar (thuis, in het café, op kantoor) de plek uit mijn geheugen, roep de herinneringen op die ermee samenhangen, de mensen die ik er heb gekend enzovoort. Elke tekst […] wordt na voltooiing opgeborgen in een envelop die ik met lak verzegel. Na verloop van een jaar zal ik elk van mijn plekken tweemaal hebben beschreven, eenmaal vanuit mijn herinneringen en eenmaal ter plaatse in de vorm van een reële beschrijving. Zo begin ik twaalf jaar achter elkaar overnieuw, waarbij ik mijn combinatie van plekken permuteer volgens een bepaald algoritme (een Latijns orthogonaal bikwadraat van de twaalfde orde), dat mij aan de hand is gedaan door een in de Verenigde Staten werkzame Indiase wiskundige. Ik ben begonnen in januari 1969; in december 1980 zal ik klaar zijn!

Vreemd genoeg maakte het experiment aan de Place Saint-Sulpice geen deel uit van Lieux, dat ongeveer halverwege, zo rond 1975, strandde en werd afgebroken. Tot ongeveer anderhalf jaar voor de zitting aan het Saint-Sulpicekruispunt had Perec nauwelijks nog verder gewerkt aan zijn meerjarig project. Misschien was Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs een soort herkansing om Lieux weer op te pakken, zoals Philippe Lejeune in La mémoire et l’oblique suggereert? Perecienne Annelies Schulte Nordholt legt in een uitstekend artikel in de Rosenberg Quarterly uitvoerig uit hoe Perec van zijn obsessie met de ‘gewone dingen’ een heuse ‘poëtica van het alledaagse’ op poten zette. Onder de titel ‘Les choses communes’ wilde Perec in de jaren zeventig enkele teksten rond l’infra-ordinaire bundelen. Het eerste deel – een reeks van vierhonderdtachtig herinneringen aan ‘gewone’ voorwerpen, personen en gebeurtenissen – publiceerde Perec als Je me souviens (1978).

Het tweede deel ging Tentative de description de quelques lieux parisiens heten, maar werd nooit onder die titel uitgegeven. Perec selecteerde vijf van de twaalf oorspronkelijke plaatsen en bewerkte de teksten die hij reeds had geredigeerd voor Lieux. Deze vijf teksten verschenen verspreid over enkele jaren in zeer uiteenlopende tijdschriften. Omstandig en erudiet illustreert Schulte Nordholt de evidente gelijkenissen en frappante verschillen die er bestaan tussen Lieux en Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs. Het is duidelijk dat toen Perec zich posteerde aan de Place Saint-Sulpice hij niet aan zijn proefstuk toe was wat betreft het uitputtend beschrijven van straten. Sinds de start van Lieux had hij al behoorlijk wat ervaring met nauwgezet rapporteren. In het segment ‘La rue’ uit de verzameling ‘ruimtelijke’ teksten Espèces d’espaces (1974) bijvoorbeeld, had hij zijn methodiek van gedetailleerde stratenbeschrijving al goed in de pen. Zijn bekende en vaak geciteerde adagium ‘Il ne se passe rien, en somme’ komt erin voor en Lieux zelf doet hij hier eveneens uitgebreid uit de doeken.

Een ander voorbeeld van detailbeschrijving van plekken is het einde van het korte verhaal ‘De plaatsen van een ontsnapping’ (1975), waarin Perec minutieus vertelt hoe hij als elfjarige ontsnapte en verdwaalde in het achtste arrondissement, in de buurt van de Champs-Élysées. Een jaar later maakte hij op basis van dit verhaal de televisiefilm Les lieux d’une fugue. In 1978 volgde het radioprogramma Tentative de description de choses vues au Carrefour Mabillon le 19 mai 1978. In dit programma beschreef Perec gedurende zes uur ‘en direct’ vanuit een bestelwagen annex studio wat er gebeurde op dit drukke kruispunt in het zesde arrondissement.

Ook de zeventien gedichten van de bundel La clôture (1980) zijn gelinkt aan Lieux: elk gedicht bestaat uit twaalf verzen van twaalf letters (de elf in het Frans meest voorkomende letters – e,s,a,r,t,u,l,i,n,o en c, aangevuld met één joker-letter) en heeft als thema de Rue Villin, de straat waar Perec zijn eerste levensjaren doorbracht én een van de twaalf straten uit het afgebroken project.

Het zijn allemaal voorbeelden van hoe Perec de stad als autobiografische ruimte percipieert, als een versplinterde plattegrond van het alledaagse leven, als verzamelplaats van herinneringen. Dat er in het ‘onder-gewone’ zoveel meer gebeurt, ook of liever juist wanneer er niets gebeurt, laat Perec in Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs virtuoos zien. Hij toont dat er onder het alledaagse een onzichtbare werkelijkheidslaag bestaat, een verdubbelde wereld, een soort dromenwereld die je terugwerpt op jezelf:

Ik kan de kerk nauwelijks nog zien, maar het café
(en mezelf, schrijvend) zie ik nu bijna geheel
weerkaatst in zijn eigen ruiten

Dromen zijn bedrog

Ook in De duistere winkel verwijst Perec naar Lieux, meer bepaald in droom nummer 119:

Ik loop voorbij het huis waar ik van mijn tiende tot mijn twintigste heb gewoond, en langs het Lycée Molière.
‘Wat jammer,’ zeg ik bij mezelf, ‘dat ik niet deze maand deze straat moet beschrijven!’

In deze ‘nachtelijke autobiografie’ verzamelde hij honderdvierentwintig dromen, opgetekend van mei 1968 tot augustus 1972, gedateerd zoals in een dagboek – zij het chronologisch per maand – en met voor elke droom een eigen nummer en een eigen titel. In een kort voorwoord geeft Perec wat uitleg bij de typografie en de opmaak van zijn dromenboek (waarbij hij streefde naar een ‘homogeniteit in de notatie’) en expliciteert hij de opzet:

Iedereen droomt wel eens. Sommige mensen herinneren zich hun dromen, veel minder mensen vertellen ze en zeer weinigen schrijven ze op. Waarom zou je ze trouwens opschrijven, aangezien je weet dat je ze alleen maar zult verraden (en ongetwijfeld verraad je tegelijkertijd jezelf?).
Ik meende de dromen die ik had te noteren; ik realiseerde me dat ik al heel gauw alleen nog maar droomde om mijn dromen op papier te zetten.

Maar Perec zou Perec niet zijn, mocht hij toch niet een of andere vorm van categorisering of classificatie toevoegen, zelfs wanneer het dromen betreft, een domein dat per definitie toch onbepaald en ongrijpbaar is. Op het einde van het boek voegde hij dus een index toe, onder de titel ‘Bakens en havens’ en voorafgegaan door een motto van collega-oulipiaan Harry Mathews:

…want het labyrint leidt
alleen naar grenzen buiten
zijn grenzen.

De index fungeert als een speelse leidraad in het wazige dromendoolhof. Perec selecteerde uit zijn beknopt omschreven dromen enkele sleutelwoorden, zinsneden en begrippen om die te verheffen tot lemma in een woordenlijst. Elk sleutelwoord verwijst naar het nummer van de droom in kwestie. Wat hij kiest, zijn objecten (bijvoorbeeld ‘tafel’, ‘postzegel’ en ‘elektrische draden’), personen (termen als ‘Moeder’, ‘Dokter’, ‘Gangsters’, ‘Priester’, ‘Schrijver’, maar geen namen – enkel een lemma ‘Fictieve namen’ – hoewel er veel voorkomen in de dromen, zoals de eerde vermeldde Duvignaud en Virilio bijvoorbeeld in droom 54) en algemene begrippen (‘Naaktheid’, ‘Liefde in het openbaar’, ‘Op het eerste gezicht’, ‘Heen en weer en komen en gaan’). Die hoofdlemma’s worden vaak nog eens in een ‘subcategorie’ onderverdeeld, wat geregeld een komisch effect geeft (bijvoorbeeld ‘Glas / Gooide woedend de inhoud van zijn glas wodka in mijn gezicht’, ‘Pakjes en pakketten / Bang dat de peuk het pak boeken in brand zal steken’). Veel lemma’s in de lijst lijken willekeurig gekozen of banaal, maar dienen natuurlijk de Pereciaanse behoefte te categoriseren en de illusie van volledigheid na te streven. Door zijn dromen te indexeren en aan een categorie toe te wijzen, bewaart Perec er een zekere controle over. Hij toomt ze in, beperkt het aantal mogelijke interpretaties en stuurt op die manier enigszins de duiding ervan.

In de periode van De duistere winkel schreef Perec aan belangrijke werken zoals W ou le souvenir d’enfance en Espèces d’espaces. W of de jeugdherinnering kwam uit in 1975, een datum die tevens het einde markeerde van een van de vele periodes waarin Perec in psychoanalyse was. Perec was ernstig getraumatiseerd door het verlies van zijn ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog (zijn vader sneuvelde in 1940, zijn moeder werd in 1943 vergast in Auschwitz) en startte een eerste reeks psychoanalytische behandelingen al in 1949 met Françoise Dolto. In 1956 volgden er sessies met Michel de M’Uzan, waarna Perec besliste om voor een langere periode op reis te gaan naar het toenmalige Joegoslavië. Over zijn ervaringen daar schreef hij op doktersadvies in 1957 de psychologische roman L’attentat de Sarajevo, die pas in 2016 voor het eerst werd gepubliceerd (hopelijk komt er snel een Nederlandse vertaling). Een derde reeks psychoanalyses onderging Perec tussen 1971 en 1975 met Jean-Bertrand Pontalis. Wie psychoanalyse zegt, denkt aan Sigmund Freud. In zijn voorwoord bij De duistere winkel verwijst Perec direct naar De droomduiding:

Wat kon ik van die al te gedroomde teksten, te vaak herlezen, te gestileerde dromen nog anders verwachten dan ze teksten te laten worden, een bos teksten, als een offerande neergelegd voor de poorten van de ‘koninklijke weg’ die ik nog moet doorlopen – met open ogen?

De droomduiding is de ‘koninklijke weg’ (of ‘via regia’ in het oorspronkelijke Latijn dat Freud gebruikte) naar een grondige kennis van het onbewuste. Dit alles verklaart het belang dat Perec hechtte aan de dromen die hij tussen mei 1968 en augustus 1972 noteerde. Niet voor niets spelen de eerste en de laatste droom zich af in een concentratiekamp. De vele verwijzingen naar zijn roman Een man die slaapt (het naar de keel grijpend relaas van een depressie) spreken in dit verband eveneens boekdelen en zijn verre van toevallig te noemen. Net zo duister is droom 95 met als veelzeggende titel ‘De hypothalamus’. In deze nachtmerrie blijkt er dan toch een ‘e’ te staan in La disparition (vertaald als ’t Manco), Perecs beruchte roman zonder de meest voorkomende klinker in het Frans en bij uitstek de belichaming van zijn belangrijkste thema, namelijk gemis:

Het begint met onschuldige opmerkingen, maar al gauw moet ik me bij de feiten neerleggen: ’t Manco zit vol ‘e’s’.
Je ziet er eerst een, dan twee, dan twintig, dan duizend!
Ik kan mijn ogen niet geloven.

Bovendien zat Perec in de periode van De duistere winkel midden in een woelige fase van zijn leven, ook omdat hij net had gebroken met Suzanne Lipinska (kort aangeduid met ‘Z.’ in het boek), met wie hij sinds 1969 na zijn stukgelopen huwelijk met Paulette Petras een verhouding had en in wier kunstenaarskolonie van de Moulin d’Andé hij enkele jaren had gewerkt en geleefd. Al deze autobiografische sleutelmomenten verwerkte Perec in zijn dromenboek tot korte, verhalende vignetten. Vaak zijn die grappig, onderhoudend en speels, maar nog meer zijn ze somber, droefgeestig en zelfs luguber. Zoals droom 77 (‘De handelsreiziger’), waarin hij zijn vrouw vermoordt en haar in grove stukken snijdt, of droom 85 (‘Ballen en maskers’), waarin een hotel een soort gevangenis wordt die dienstdoet als plaats van sadistische martelingen. Nog opvallender is droom 114. Geeft Perec hier in het eerste deel (‘De puzzel’) een mogelijke definitie van wat hij verstaat onder ‘een droom’? Hij biedt er alleszins een mooie metafoor voor. In deze droom wordt hij in ‘een soort van koloniale handelspost’ geconfronteerd met een reusachtige puzzel ‘die niet voltooid is, omdat hij onvoltooibaar is’:

[…] want het bijzondere van de puzzel is dat hij uit blokjes bestaat (grofweg kubussen, maar nauwkeuriger gezegd onregelmatige veelvlakken) waarvan alle zijden vrijelijk met elkaar gecombineerd kunnen worden […] Er is dus zo niet een oneindig, dan toch een buitengewoon groot aantal combinaties mogelijk.

De puzzel zoals Perec die in de droom ziet stelt ‘een renaissanceschilderij’ voor, maar dat is maar een enkele mogelijke representatie. Rond het schilderij zijn er ‘fragmenten, schetsen, ontwerpen, opzetten van andere puzzels.’ De droomdaad heeft veel gelijkenissen met deze ongewone puzzel, want het is geen alledaagse legpuzzel waar ieder stukje slechts één enkele ‘correcte’ plaats kan krijgen. Deze droom (en bij uitbreiding ‘het dromen’) is een subliminale wereld met eindeloos veel facetten, minstens even rijk en gevarieerd als de nuchtere werkelijkheid waar de niet-dromers in ronddwalen. En zo is de droom net als die vreemde, onoplosbare puzzel: onvoltooibaar, onoplosbaar en eindeloos veelzijdig.

In Aantekeningen over wat ik zoek (zie Ik ben geboren) deelt Perec zijn werk op in verschillende ‘vraagstellingen’ of ‘velden’:

De eerste vraagstelling zou je ‘sociologisch’ kunnen noemen: hoe kijken we naar de wereld van alledag? Die vraag ligt ten grondslag aan teksten als Les choses (De dingen), Espèces d’espaces (Ruimten rondom), Tentative de description de quelques lieux parisiens (Poging tot beschrijving van een paar Parijse plekken) en aan het werk dat ik heb verricht met de groep van Cause commune rond Jean Duvignaud en Paul Virilio. De tweede vraagstelling is van autobiografische aard: W ou le souvenir d’enfance (W of de jeugdherinnering), La boutique obscure (De duistere werkplaats [sic]), Je me souviens (Ik herinner me), Lieux où j’ai dormi (Plaatsen waar ik geslapen heb) enzovoort.

Met Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs en De duistere winkel zijn van beide velden twee belangrijke werken nu beschikbaar in uitstekende Nederlandse vertalingen. Een duo dat niet alleen prachtig is uitgegeven, maar dat ook nog maar eens aantoont hoe coherent, eindeloos en groots het Perec-universum wel is.

1 reacties

Dat zijn nog eens informatieve en grondige recensies. Een puur leesfeest voor Perec-fans als ik, en voor degenen die dat nog niet zijn een mooie inspiratiebron om alsnog fan te worden!

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    11-07-2017, om 8:11:59

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?