cover big

Een kwast in legerpak

Sven Vitse

Over De heldeninspecteur van Atte Jongstra

Arbeiderspers, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789029572217 / 423p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 17-05-2010

Bookmark and Share

Atte Jongstra verkeert al enkele jaren in bloedvorm. Dat demonstreerde hij in De avonturen van Henry II Fix (2007) en in Klinkende ikken (2008), twee hoogtepunten in zijn omvangrijke oeuvre. Jongstra combineert in deze boeken op unieke wijze verteltalent, humor en een bizarre encyclopedische kennis. He makes it look easy, zou een Britse voetbalcommentator zeggen. Met De heldeninspecteur, een historische roman over de Belgische opstand en de Tiendaagse Veldtocht, levert Jongstra zijn derde boek in vier jaar af. Het resultaat is, welja, spectaculair: Jongstra balanceert op de grens tussen spektakel en literaire historiografie. Ironie en zelfreflectie gaan een bevreemdend gevecht aan met de ernst van de geschiedenis.

Een pion op een spelbord

De titel geeft al aan dat dit geen traditionele historische roman met een ouderwets heldhaftige protagonist is. Het hoofdpersonage Junius is in het beste geval getuige van heldendaden. Hij is heldeninspecteur, in opdracht van prins Frederik van Oranje. ‘En dus niet de held!’, zoals een majoor aan het einde van de roman sarcastisch opmerkt. De prins verleent Junius een hoge rang in het Nederlandse leger én een vrijgeleide, die hem toegang geeft tot alle divisies, alle slagvelden en tot de vergaderzalen van de militaire staf. Een dergelijk personage is uiteraard een gedroomd instrument in handen van een auteur die een grote hoeveelheid historisch materiaal vanuit tal van perspectieven wil belichten. Nog voor Junius tot heldeninspecteur is benoemd, lijkt de verteller te alluderen op de narratieve functie van dit personage. Junius is een pion, die door een ervaren bordspeler van het ene hokje naar het andere geschoven wordt. ‘Men moest hem ergens middenin zetten, op eigen kracht zou hij nergens toe komen.’

De verteller doet vervolgens dan ook weinig moeite om Junius’ intrede in het Nederlandse leger geloofwaardig te maken. Net op de dag dat prins Frederik, de broer van kroonprins Willem, op weg naar Brussel een tussenstop maakt in Mechelen, vertrekt Junius uit het roerige Brussel naar datzelfde Mechelen. Eigenlijk wilde hij gewoon weg uit Brussel, om het even waarheen. ‘Tot zijn vreugde vond hij een postkoets naar Mechelen en Antwerpen.’ Toevallig onderbreekt de koetsier de reis in Mechelen, wat Junius de kans geeft om een Nederlandse officier te ontmoeten die hem dicht bij de prins kan brengen. ‘Geluk komt nooit alleen,’ merkt Junius terecht op.

Nog meer geluk heeft Junius wanneer hem ‘op het ideale moment’ een ‘herinnering’ te binnen schiet die hem in de prinselijke gunst brengt. De koetsier die hem destijds van Bergen naar Brussel bracht, stond erop Junius de hoeve Yserbyt te tonen. Tijdens de slag bij Waterloo, in 1815, leidde prins Frederik bij deze hoeve een verdedigingslinie, terwijl kroonprins Willem de slag uitvocht. Bij Yserbyt werd uiteindelijk niet gevochten, zodat niet Frederik maar diens broer de officiële held van Waterloo werd. Junius’ kennis van zaken neemt Frederik voor hem in en leidt tot zijn benoeming. Het Nederlandse leger heeft immers ‘iemand nodig die oog heeft voor de eenvoudige heldendaden die een leger vooruit helpen’. In het eerste hoofdstuk van de roman, waarin Junius’ reis van Bergen naar Brussel wordt beschreven, wordt echter met geen woord gerept van deze tussenstop bij hoeve Yserbyt.

Het geconstrueerde karakter van deze roman blijkt ook uit de manier waarop historische informatie wordt overgebracht. De koetsier die Junius van Brussel naar Mechelen brengt, onderhoudt zijn reiziger over de Sint-Romboutstoren, Napoleon en kroonprins Willem. ‘Doe ik u trouwens een plezier met deze gegevens?’ vraagt hij terloops. Echt relevant zijn deze weetjes niet, maar ach, ‘(h)et houdt de geest bezig,’ zoals Junius opmerkt. Van dezelfde ironie doordrenkt is majoor Voets exposé over de militaire sterkte van de Antwerpse citadel, het laatste bolwerk van het Nederlandse leger in België. De citadel herbergt ‘4324 onderofficieren en soldaten. Zo, daar hebt u de cijfers’. Tja, wat moet je ermee, met die cijfers? Je moet ze tenslotte ergens kwijt. Hoe combineer je deze ironische stijl en constructie met het historische materiaal van oorlog en strategie? Deze knoop lijkt de roman te willen ontwarren. Het resultaat is in grote mate demystificerend, maar door de onderwerpkeuze niet vrijblijvend.

Het immer wendbare personage Junius maakt vreemde omzwervingen, verandert af en toe van kamp, en komt vaak op plaatsen terecht waar iets te gebeuren staat. Zijn gloriemoment beleeft hij in februari 1831. Een doelloze reis in december 1830 en januari 1831 – blijkbaar viel over deze periode weinig te melden – leidt hem terug naar Antwerpen, waar hij toevallig getuige is van de vermeende heldendaad van Jan Carel Josephus van Speijk. Deze luitenant-ter-zee is vastbesloten zijn schip op te blazen als het in Belgische handen valt. De honger naar het postume heldendom blijkt sterker dan de overlevingsdrang: Van Speijk is maar wat blij zijn plan te kunnen uitvoeren. ‘Eindelijk. Gode zij dank! (…) Het is zover! Gij zult het boekstaven!’ De ironie bestaat erin dat Junius’ aanwezigheid deze zelfmoordactie mogelijk maakt. Zonder deze geprivilegieerde getuige, had Van Speijk zijn ‘heldendaad’ net zo goed kunnen afblazen – ‘wat heb je aan een heldendaad als niemand het ziet?’ Van Speijks hoogtepunt is tevens Junius’ hoogtepunt, want na de explosie treft de inspecteur naast zich een stuk romp van de luitenant aan. Door het toeval geholpen redt Junius het al dan niet verzonnen ‘Speijkstuk’. Zo slaagt Jongstra erin van een stuk nationale trots – bezongen door romantische dichters – een wrange grap te maken.

Overal waar Junius opduikt, ontstaat onrust en vallen er doden. Soldaten reageren op de heldeninspecteur als op een cameraploeg in een realitysoap. Net als een cameraploeg verstoort en creëert zijn aanwezigheid de werkelijkheid meer dan dat ze haar registreert. Een soldaat in ‘de voorste gelederen’ komt ‘uit de struiken tevoorschijn’ om de heldeninspecteur te zien, en bekoopt dit met zijn leven. Andere soldaten ensceneren fictieve heldendaden voor het oog van de camera. Twee soldaten lijken een strijdmakker uit een brandend huis te hebben gered, maar ‘het schijnbaar levenloze lichaam sprong fluks overeind’ om zijn naam en rang aan de inspecteur te melden. De voetnoot hierbij identificeert de grappenmaker, ‘korporaal Van der Linde’, als Gerrit Van de Linde, alias De Schoolmeester, die inderdaad deelnam aan de Tiendaagse Veldtocht.

De bibliotheek van de veldtocht

Behalve een onderhoudend en goed verteld verhaal is De heldeninspecteur, zoals we van Jongstra onderhand verwachten, een eigenzinnige historische en literaire encyclopedie. Het is een encyclopedie van marginalia, die de gecanoniseerde (literatuur)geschiedenis behendig weet te ontwijken. Voor de literair-historisch geïnteresseerde lezer bevatten de voetnoten een schat aan citaten uit gedichten die naar aanleiding van dit conflict werden geschreven. Exhaustieve referenties geeft Jongstra niet – het is ook geen wetenschappelijk notenapparaat – maar wie wil kan een en ander zelf verder uitzoeken.

Bij de episode over Van Speijk hoort een voetnoot met een citaat van ‘de inmiddels vergeten poëet C.G. van Genderen’, de dichter van ‘Lofzang op den heldendood van I.C.J. van Speijk’ (1831). Nog een dichter, markies George de Thouars, is niet alleen prominent aanwezig in de voetnoten, maar speelt bovendien een bijrol in de roman. Naast vergeten dichters komen in De heldeninspecteur tal van vergeten soldaten aan bod. Een voetnoot vermeldt de soldaten die stierven op Van Speijks schip en een lijstje van ‘stafofficieren’ van de hertog van Saksen-Weimar, maar laat ook enkele soldaten zelf aan het woord (Jongstra geeft zelden bronvermeldingen, dus men moet maar aannemen dat de namen en citaten echt zijn).

In het algemeen lijkt in deze roman de focus veeleer op de marginale figuren en gebeurtenissen te liggen dan op de zogenaamd heldhaftige leiders en beslissende veldslagen. De historische achtergrond is gewichtig genoeg, en toch slaagt de heldeninspecteur erin de canonieke momenten van de Tiendaagse Veldtocht te missen. Zo is hij op elf augustus in Tienen, terwijl de divisie van generaal Meijer ‘ter hoogte van het dorp Boutersem’ een felle strijd levert met het Belgische leger. In de gevechten waarvan hij wel getuige is, krijgt het Nederlandse leger vaak rake klappen.

Terwijl op acht augustus het Belgische Maasleger van generaal Daine van Hasselt naar Tongeren vlucht – een belangrijke episode in de oorlog – bevindt de heldeninspecteur zich met prins Willem in Kuringen. Junius is vervolgens wél getuige van de slachtpartij die Nederlandse ruiters aanrichten in de achterhoede van het vluchtende Belgische leger. ‘Nu werd het vrij hakken. Daines infanteristen hadden geen schijn van kans.’ Erg heldhaftig is dit Nederlandse militaire optreden niet. Toch luidt de conclusie ‘dat de ‘Slag bij Hasselt’ was gewonnen’.

Een helder rapport van de strijd biedt deze roman niet. Het verslag van zeven augustus weerspiegelt de chaos van de militaire bewegingen. Junius is bovendien een slechte gids: aan het begin van de dag mist hij de troep, hij verlaat het strijdperk en verliest volledig het overzicht. Het is een slechte dag voor de Nederlandse troepen: Friese schutters trekken onder invloed van ‘vliegenzwam’ ten strijde en de ruiterij kiest in paniek het hazenpad. ‘Zo moest een verliezend leger ogen, bedacht Junius.’

De heldhaftige Friese aanvoerder reageert schamper wanneer hij de volgende ochtend oog in oog staat met de officiële held van de Veldtocht, prins Willem. ‘De heldeninspecteur is natuurlijk liever waar de echte helden zijn.’ De kroonprins krijgt in De heldeninspecteur geen flatterend portret. Een hoge officier merkt op: ‘Onze bevelhebber mist elk esprit du moment’, omdat hij om onduidelijke strategische of politieke redenen de kans niet grijpt om het Belgische leger een vernietigende slag toe te brengen. De hertog van Saksen-Weimar, aanvoerder van een van de Nederlandse divisies, haalt nog scherper uit naar de kroonprins en naar koning Willem I. Die eerste is een verrader ‘die liefst koning van de vijand zou zijn’ – vanaf het begin van de Belgische opstand zijn er geruchten dat de kroonprins de Belgische kroon ambieert – en de tweede is een aarzelende strateeg die nalaat Brussel in te nemen. 

Het valt op dat de meest uitvoerige en expliciete oorlogsscènes momenten van chaos en verliezen in de Nederlandse rangen weergeven. Een jaar na de Veldtocht verricht Junius een heldeninspectie in de citadel van Antwerpen. Enkele duizenden Nederlandse soldaten verdedigen de citadel tegen de Franse belegering, maar meer dan een extreem bloederig en vergeefs ‘militair toneelstukje’ lijkt die verdediging niet in te houden.

Jongstra trekt hier alle registers open en schuwt de horroreffecten niet. Een paard wordt ‘door een houwitsergranaat dwars doormidden […] geschoten’, overal slaan bommen in en gaan magazijnen in rook op. Jongstra heeft wellicht geworsteld met de vraag hoe (serieus) je excessief geweld kunt representeren. Het resultaat is op een vreemde manier hol en wrang tegelijk. Maar op dat punt in het boek aangekomen deed ‘Junius’ gang dwars door de citadel’ me net iets meer aan Johnny Depp in Pirates of the Caribbean denken dan me lief was. Junius blijft er aanvankelijk onbewogen bij, maar stort in wanneer zijn echtgenote Veerle tijdens het bombardement sterft. Zelfs de verteller lijkt op het hoogtepunt van het beleg van zijn stuk te geraken, wanneer hij acht zinnen na elkaar met ‘Dat […]’ begint. Een daarvan is een oproep om een van de helden van het beleg te onthouden: ‘Dat Goose Morre – Goose Morre, gedenk zijn naam – zijn rechterarm en zijn linkerhand verloor’. Aan het einde van de roman lijkt zowaar plaats voor wat pathos en misschien zelfs ontroering.

Hoewel deze roman om tal van redenen boeiend, ambitieus en interessant is, heb ik De heldeninspecteur met net iets minder plezier gelezen dan Jongstra’s vorige twee romans. De stijl lijkt minder te sprankelen dan die in het loepzuivere proza van Fix en Klinkende ikken. Enkele typische ingrediënten van Jongstra’s fictie ogen minder fris, zoals deze poëticaal te interpreteren opmerking over Junius: ‘De gevleugelde woorden die hij debiteerde, mochten dan niet uit zijn koker komen, de spreuken- en gezegdevoorraad waaruit hij putte, was door hem en niemand anders aangelegd’. Hetzelfde geldt voor het spel met vrouwelijke personages, die bij Jongstra vaak op elkaar lijken, gelijkaardige namen hebben of eindeloos wijken. In De heldeninspecteur treedt behalve Veerle ook heel even een Meerle op, afkomstig uit Veere. ‘Tot in de naam gelijkenis, dacht Junius.’

Hiermee wil ik niet beweren dat Jongstra oude wijn in nieuwe flessen schenkt. Nooit eerder zag ik deze auteur zo veel aandacht schenken aan sfeerschepping, zoals in de beschrijving van het gistende, gore Brussel met de Zenne als open riool. Even lijkt Jongstra de lezer te gaan onderdompelen in een poel van zintuiglijke indrukken, maar hij weerstaat de verleiding niet van kolderieke ‘keutels [die] recht uit het rectum in de drekspiegel […] ploppen’. Ook de beschrijvingen van de oorlog en de gevechten zijn moeilijk te duiden. De roman lijkt te twijfelen tussen een historisch-kritische herschrijving van een stuk geschiedenis – wat De heldeninspecteur onmiskenbaar is – en de ludieke schets van een rare kwast, aangevuld met een hele winkel bordkartonnen soldaten en spuitend nepbloed. Maar misschien komt de tragiek van Junius – als die er al is – enkel via de omweg van het spektakel tot stand. Wellicht is het precies deze spanning die Jongstra na al die jaren nog steeds ongrijpbaar maakt.

1 reacties

Dankt Dr. Vitse voor zijn welwillende aandacht en groet hem hartelijk.

  • Door atte jongstra
  • gepost op
    21-05-2010, om 9:29:58

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?