cover big

Een perfect geslaagde mislukking

Laurent De Maertelaer

Over Mijn grote appartement van Christian Oster (vert. Kiki Coumans & Katrien Vandenberghe)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2017,
ISBN 9789078627364 / 176p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 08-01-2018

Bookmark and Share

Het is eerder zeldzaam dat de wervende zinnen op de achterflap – bedoeld om de potentiële lezer tot aankoop te verleiden – effectief ook de waarheid vertellen. Soms koop je dan een kat in een zak. Dat is anders bij Mijn grote appartement van Christian Oster (1949). Want daar staat achterop te lezen: ‘Al in de openingszinnen van het boek is fijntjes duidelijk dat dit geen gewone roman is.’

Het gevoel dat dit geen roman is als een ander overvalt de lezer inderdaad al meteen vanaf de eerste zinnen:

Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen.
Toen ik op een avond thuiskwam, bleef ik voor mijn deur staan. Strikt genomen was het niet mijn deur. Het glazen exemplaar deed niet méér dan de hal afsluiten in het pand waar ik woonde.

Deze badinerende, nauwkeurig beschrijvende en spreektalige stijl is typerend voor Oster. Door sommige beweringen, beschrijvingen of situaties letterlijk te nemen en tot op het bot te beschrijven, loodst hij zijn lezers op subtiele wijze zijn absurdistisch universum binnen.

Oster

Christian Oster, een literaire duizendpoot die op achtentwintig jaar tijd achttien romans schreef, is in Frankrijk een gerespecteerd en gevierd auteur. Midden jaren tachtig debuteerde hij door op korte tijd drie polars in de reeks ‘Engrenage’ te publiceren bij de populaire uitgeverij Fleuves Noires (tegenwoordig kortweg Fleuve). Voor uitgeverij L’école des loisirs schreef hij vanaf 1998 meer dan twintig kinderboeken, die allemaal als zoete broodjes verkopen, erg grappige titels hebben én ook voor volwassen lezers een heuse traktatie zijn door het steeds vindingrijke spel met het sprookjesgenre. In 1989 debuteerde Oster als romancier met Volley-ball bij het gerenommeerde Les Éditions de Minuit.

Oster publiceerde in totaal veertien romans bij Minuit. Een daarvan, Une femme de ménage, werd in 2002 – nogal middelmatig – verfilmd door Claude Berri, maar het absolute hoogtepunt uit zijn Minuit-periode was ongetwijfeld de Prix Médicis die hij met Mon grand appartement won in 1999. Sinds Rouler uit 2011 verschijnen Osters boeken bij Éditions de l’Olivier, waaronder ook zijn recentste roman La vie automatique (2017).

Hoe zit het met de receptie van zijn werk in ons taalgebied? Osters debuutroman Volleybal werd in 1990 vertaald door Henne van der Kooy voor Van Gennep. Pas in 2014 verschenen er andere vertalingen van Osters werk. Toen vertaalde Kiki Coumans In de trein voor uitgeverij Vleugels/Studio 3005. Diezelfde uitgever en vertaalster (dit keer samen met Katrien Vandenberghe) leveren nu, achttien jaar na de oorspronkelijke publicatiedatum, een prima vertaling af van wat wellicht Osters bekendste werk is: Mijn grote appartement.

Sleutelroman

Oster stelde in een interview dat al zijn romans ‘romans de route’ zijn. Net als In de trein zit Mijn grote appartement boordevol verplaatsingen, dynamiek en beweging, en in beide romans speelt een tas een centrale rol. Nochtans begint Mijn grote appartement met een impasse. Het hoofdpersonage Gavarin staat voor de deur van zijn eigen appartement omdat hij zijn sleutels kwijt is. Of juister, zijn sleutels zitten in zijn tas en die is hij ‘vergeten, ergens’, hoewel hij er een nauwe en bijzondere band mee heeft:

Die tas was een deel van mezelf geworden. Bij gebrek aan een completere zelfdefinitie is het zelfs niet overdreven te stellen dat ook het omgekeerde waar was en ik een deel van mijn tas was geworden. Kortom, dat ik volgens mij geheel in mijn tas besloten lag.

Dat hij niet meer binnen kan is slechts het begin van een hoop ellende die Gavarin zal overkomen. Hij schildert zichzelf graag af als een kneusje, voortdurend hengelend naar de sympathie en het medeleven van de lezer:

Want dat is weer een andere kant van de zaak, ik was bang te vallen. Ik verwachtte dat ik zou vallen. Ik viel in feite al. Het ergste verwachten, iets ergers dan onderuitgaan, en intussen op je gezicht gaan, dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.

Een beetje verder klinkt het: ‘Droefheid was mijn habitat’. Die ontboezeming is niet onterecht, want behalve zijn tas en zijn sleutels is Gavarin namelijk ook zijn werk kwijt. Bovendien geeft Anne Lebedel, de vriendin met wie hij sinds kort samenwoont in het grote appartement, niet thuis en lijkt ze met de noorderzon vertrokken. Gavarin worstelt met de gedachte dat Anne misschien een briefje in zijn tas heeft gestopt, wat hij uiteindelijk een voordeel bij een nadeel vindt en een ‘geslaagde mislukking’ noemt:

Mijn tas, niet de leegte in mijn tas, maar wel de afwezigheid van mijn tas, dacht ik bij mezelf, zou weleens een verklaring kunnen zijn voor Annes stilte over haar eigen afwezigheid […] Omdat ze vanochtend voor ik vertrok naar mijn werk, de plaats van mijn werk, een briefje in die tas kan hebben gestopt. Een verklarend briefje. Meer bepaald een afscheidsbriefje. Dat zou pas ideaal zijn. De perfect geslaagde mislukking.

Vanuit een telefooncel belt Gavarin naar zijn antwoordapparaat, maar er is geen enkele boodschap. Hij gaat dan maar naar de kapper (‘Ik wilde een ander hoofd’) en neemt zijn intrek in het eerste het beste hotel. Wanneer hij van daaruit opnieuw naar huis belt, is er een boodschap van Marge, een geliefde van tien jaar geleden. Nadat hij in een poging om zichzelf te sussen een nieuwe tas koopt, belt hij Marge terug en spreekt met haar af in het zwembad.

In het zwembad komt het verhaal in een stroomversnelling terecht en neemt een onverwachte wending; een techniek waar doorgewinterde Oster-lezers niet meer van schrikken. Na een hilarische omkleedbeurt in de te kleine hokjes treedt Gavarin het bad binnen en wacht hij op Marge. Wanneer hij oog in oog met haar staat, herkent ze hem niet en besluit hij haar te ontwijken. In het bad maakt hij kennis met de hoogzwangere Flore, wier glimlach hem doet ‘besluiten’ verliefd op haar te worden:

Men begrijpt wel dat dat moment, toen ik die vrouw ontdekte, toen ikzelf voor haar ogen verscheen, en, naar mijn indruk, al in haar leven, men begrijpt dus dat de ontdekking van deze vrouw, van wie de buik met de weergaloosheid van iedere triomf alle andere buiken wegvaagde, voor mij een beslissende stap betekende.

Eenmaal uit het bad vertelt Flore dat ze de volgende dag (met de trein) naar haar broer Jean in de Corrèze reist om daar te bevallen. Gavarin heeft niets te verliezen en stelt voor haar te vergezellen. Hij bekent de lezers dat hij een groot appartement had (of heeft, naargelang hoe u het bekijkt) juist omdat hij altijd al kinderen had gewild. In een van de meest memorabele scènes uit de roman assisteert Gavarin Flore in het ziekenhuis bij de geboorte van een dochter, Maude. Gavarin laat aan iedereen die het horen wil doorschijnen dat hij de vader is. Na de bevalling logeert hij bij Jean, die de beheerder is van een grot waarin hij rondleidingen voor toeristen voorziet. Een van de gidsen komt niet opdagen en Jean neemt Gavarin in dienst. Hij krijgt de sleutels tot de poort die de grot afsluit. En zo heeft Gavarin dan toch, eindelijk, sleutels in de hand.

Gavarin vs Gagarin

Vlak voor de bevalling heeft Gavarin volgend gesprek met Flore:

Goed, zei ik. Dan zal ik u een verhaaltje vertellen. Het is niet grappig.
O nee, zei ze, alstublieft niet!
Goed, zei ik.
Waar gaat het over?
Ze had haar hoofd weer naar me toe gedraaid.
Het is het verhaal van een man met een tas, begon ik. En weet u wat? Er zat niets in zijn tas.
Dat is geen verhaaltje, zei Flore. Bovendien komt het me bekend voor.
Het is misschien geen verhaaltje, zei ik, maar het is wel mijn tas. En wilt u weten hoe het verdergaat?

De hechte band die Gavarin heeft met zijn tas gaat de hele roman mee. Het is een overduidelijke metafoor voor zijn lege en hopeloze bestaan. Aangezien zijn sleutels in de tas zitten, staat hij machteloos voor de deur die hem de toegang tot een mogelijk meer rooskleurige toekomst ontzegt. Pas wanneer hij de rol van vader en geliefde opneemt, krijgt zijn leven inhoud en neemt het belang van de tas af. Niet toevallig krijgt hij pas helemaal op het einde de sleutels tot Jeans grot: voor het leefbaarder alternatief van zijn ‘grote appartement’ krijgt hij wél de mogelijkheid om binnen te treden, door zijn eigen toedoen en daadkracht.

Gavarin is een typische Oster-held. Een zonderling, een eenzaat, ten prooi aan hopeloosheid, een windmolenstrijder, een luchtfietser. Na de bevalling van Flore, wanneer Gavarin de navelstreng heeft doorgeknipt, zegt de verloskundige dat ze hem niet meer direct nodig heeft. Gavarins spontane antwoord heeft meer dan één betekenis:

Ik ook niet. Ik had mezelf ook niet meer nodig. Alleen een stoel. En de anderen.

Gavarins vrijwillig gekozen vaderschap geeft een nieuw elan aan zijn leven, het geeft zijn bestaan een tweede adem. Hij lijkt zichzelf – uiteindelijk – dan tóch nodig te hebben, om te functioneren samen mét de anderen. Tot voor de geboorte van Maude is hij doortrokken van een innemende knulligheid die aan Monsieur Hulot doet denken, met het enige verschil dat Gavarin een kletskous is en Tati’s personage geen woord zegt. Vanaf de eerste pagina’s is het duidelijk dat er iets schort aan Gavarin, dat er een hoek af is. Hij is maanziek, een onvervalste Pierrot lunaire, een trieste clown van de moderniteit, een Hulot van vandaag. Gavarin moet zich even eenzaam voelen als Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte, zich gevoeld moet hebben toen die als enige bemanningslid met de Vostok gedurende honderdacht minuten in de ruimte rondzweefde. Dat de namen Gagarin en Gavarin maar een letter verschillen is dan ook geen toeval.

Het is interessant om weten dat in het oorspronkelijke Frans Gavarins naam met een extra ‘e’ op het einde wordt geschreven. Ik brak er mijn hoofd over waarom de vertaalsters kozen voor Gavarin, zonder ‘e’ achteraan dus. Ik ging te rade bij een van de vertaalsters, Kiki Coumans. De verklaring brengt ons terug bij onze Russische kosmonaut, zo deed Coumans mij uit de doeken. In het Frans weet de lezer al vanaf de tweede zin dat het om een man gaat (‘je me suis arrêté devant ma porte’), maar in het Nederlands helemaal niet. ‘Gavarine’ klinkt bovendien vrij vrouwelijk. De vertaalsters hebben deze kwestie aan de auteur voorgelegd en die vond het compromis ‘Gavarin’ een uitstekend idee. Zolang de naam geleek op die van de Russische ruimtevaarder zag Oster geen probleem. In het Frans wordt Joeri Gagarin als ‘Youri Gagarine’ getranscribeerd, vandaar ‘Gavarine’ in de originele tekst. In het Nederlands wordt dat simpelweg ‘Joeri Gagarin’ en dus ‘Luc Gavarin’. De elegante oplossing Gavarin spreekt alleen maar in het voordeel van een vertaling die het zwierige Frans van Oster nauwkeurig en trouw aan het origineel weergeeft.

Want, zoveel is zeker, Oster vertalen blijft een uitdaging, hoe eenvoudig de zinnen er op het eerste gezicht ook mogen uitzien. De grote kracht van deze roman is dan ook de originele taal. Osters taalwetten hebben een geheel eigen logica. Vanaf de openingszinnen krijg je het gevoel heel nauw betrokken te zijn bij de vertelling. Gavarin wil de lezer direct aanspreken, deelgenoot maken van zijn lot. Zinnen met een dubbele bodem – die mogelijk misverstaan zouden kunnen worden – voorziet hij steevast van een verantwoording of meer uitleg, zodat de lezer het verhaal krijgt zoals het ‘strikt genomen’ werkelijk is gebeurd. Soms is Gavarin heel breedvoerig en verliest hij zich in ellenlange beschouwingen die steeds op een sisser aflopen of zichzelf op de staart trappen, maar nooit vervelen. Als ik-verteller spreekt Gavarin de lezer hier en daar ook rechtstreeks aan. Tot zichzelf richt hij zich dan weer in de tweede persoon, in eerste instantie om zichzelf tot de orde te roepen of een eerder uitgewerkte beschouwing te herroepen of te nuanceren. Osters dialogen zijn ook om van te smullen: die zinderen van levendigheid en zijn meer dan eens erg grappig. Dat Mijn grote appartement bulkt van de taalspelletjes verhoogt alleen maar het leesplezier:

Van de twee uur die ik nog had voordat het tijd was om naar het stationsloket te gaan, doodde ik er maar één. Het beet kranig van zich af. Trots en tartend ding, dat uur.

Voeg daarbij nog de constante, subtiel in het verhaal verweven humor (zie bijvoorbeeld het voor iedere zwemmer herkenbare stuk in de pashokjes) en je krijgt zoals initieel beloofd op de achterflap een ‘ongewone’ roman waar weinig of niets op af te dingen valt. Het is zonder enige twijfel de meest originele ‘sleutelroman’ die ik ooit las.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?