cover big

Het leven in plakjes

Gwennie Debergh

Over Zoek op liefde van Herman Franke

Podium, Amsterdam, 2008,
ISBN 978 90 575 9331 4 / 256p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-08-2009

Bookmark and Share

‘Trek je niets aan van de anderen.’ ‘Gebruik nooit geweld.’ ‘Laat je niet wijsmaken dat idealen onbereikbaar zijn.’ ‘Doe alles om haar gelukkig te maken.’ Rond deze voornemens structureert Herman Franke de roman Zoek op liefde, het tweede deel van zijn cyclus Voorbij ik en waargebeurd.

De vier motto’s staan aan het begin van vier verhalen waarin de hoofdfiguur – een Groninger die zijn identiteit het liefst zo vaag mogelijk wil houden – beetje bij beetje wordt gedwongen om te vertellen wie hij is. Hij zet zijn verhalen in als pasmunt voor het antwoord op een vraag die hem sinds Uit het niets, het eerste deel van de romancyclus, obsessief bezighoudt: wat is het ergste wat je tegen iemand kunt zeggen?

Het verhalenkwartet van de Groninger zal in de loop van de roman in alle richtingen uitwaaieren, zodat zijn zelfportret explodeert in ‘een groepsportret zonder lijst’ waarin zowel de grens tussen het ik en de anderen als die tussen feit en fictie steeds meer verbleekt. Zo ongenuanceerd samengevat klinkt het alsof Franke in deze cyclus alle literaire en filosofische clichés van de laatste decennia recycleert, maar uiteindelijk staat of valt een boek met de stijl en de techniek waarmee de auteur deze thema’s vormgeeft. Net als de eerdere romans van Herman Franke is Zoek op liefde origineel, fris en zorgvuldig geconstrueerd én geformuleerd.

In het verhaal rond het eerste goede voornemen laat Franke zijn ik-figuur vertellen hoe de wereld na diens geboorte een eenheid was die langzaam uiteenviel in zijn eigen ik en dat van de anderen. Naarmate de hoofdfiguur opgroeit, wordt de omgang met die anderen steeds confronterender. Bij het minste oogcontact begint hij hevig te blozen en lijkt het alsof hij zichzelf vanuit een extern perspectief waarneemt, alsof hij zelf een ander is. ‘Ik wilde mij niets van anderen aantrekken, maar ik dééd niet anders. Er zat een boemerang in mijn kop.’ Na een pijnlijke confrontatie op het schoolplein komt de jeugdige ik tot de conclusie dat zijn voornemen zinloos is. ‘Wie zich niets van anderen aantrekt, heeft geen boodschap aan zichzelf.’ Door het opgeven van zijn intentie verdwijnt het blozen niet, ‘maar het luchtte erg op dat ik me er niet meer fel tegen hoefde te verzetten’.

Het tweede voornemen om nooit geweld te gebruiken hangt samen met een belofte die de ik in een opwelling deed ten overstaan van God, in de hoop hiermee zijn vader te behoeden voor onheil en vernedering. Dat lukt op miraculeuze wijze. Slechts ‘één keer heb ik mijn voornemen bijna geschonden, maar ik weet niet zeker of dat telt, want het is een portret… een verhaal.’

Die geschiedenis is na te lezen in het eerste deel van de cyclus, maar ook Zoek op liefde telt portretten en verhalen in overvloed. Een van de belangrijkste experimenten in de roman bestaat uit de afwisseling van nevenschikkende en onderschikkende verhaallijnen. De vier herinneringen van de ik-figuur worden samengehouden door een kaderverhaal waarin de Groninger een stugge man van middelbare leeftijd ontmoet. Hij is de enige informant die zijn vraag kan beantwoorden wat het ergste is dat mensen tegen elkaar kunnen zeggen. Na lang aandringen heeft de ik een afspraak met hem kunnen regelen bij een bankje in het Nijmeegse Kronenburgerpark.

De man heeft duidelijk geen zin om zijn pijnlijke geheim meteen te delen met een wildvreemde, zodat de ik-figuur zijn vertrouwen probeert te winnen door eerst overvloedig zijn eigen levensverhaal te vertellen, als een vorm van narratieve ruilhandel. ‘Als ik deze man wilde vermurwen, moest ik hem overdonderen, dan moest ik hem zoveel over mezelf vertellen dat hij zich verplicht voelde om er iets tegenover te stellen. Het moest hem domweg te veel worden zodat zijn verlossende woordje “genoeg” zou klinken als een roep om genade.’

Het overdonderende schuilt niet alleen in de hoeveelheid informatie die de ik over zijn toehoorder uitstort. Het zit vooral in de manier waarop met deze verhalen wordt gegoocheld. Het portret dat de ik van zichzelf wil schetsen zal zich spiegelen ‘als de verpleegster op zo’n Drosteblik,’ beseft hij. ‘Ik wil zoveel verhalen tegelijk vertellen dat ik er nerveus van word.’ Zijn herinneringen worden dan ook onderbroken, hervat, gekoppeld aan andere, ingebedde verhalen en ontsporen vaak in fantastische of groteske scènes, zodat niet langer valt op te maken wat werkelijk is gebeurd, en wat niet. Onder meer de belofte aan God om nooit geweld te gebruiken wordt gedaan in zo’n grotesk verhaal-binnen-het-verhaal, en wordt daardoor onbetrouwbaar.

Het droste-effect van de ingebedde verhaalstructuur krijgt een symbolische lading in de uiteenzetting over het derde goede voornemen: ‘laat je niet wijsmaken dat idealen onbereikbaar zijn’. Het ideaal waar de ik-figuur naar streeft, is om elke dag de blik te vangen van minstens één gelukkige medemens. Eerst probeert hij dat in de dagelijkse realiteit, maar wanneer dat niet blijkt te lukken zoekt hij zijn heil in ‘de bevroren werkelijkheid van de fotografie, niet de fotografie die kunst wil zijn want op kunstfoto’s is geluk stelselmatig weggeretoucheerd omdat hun makers willen dat ze op doeken van de grote schilders lijken – maar de persfotografie’.

Na het bekijken van duizenden foto’s komt hij tot de vaststelling dat perfect geluk zich niet in een blik laat vangen. Tijdens ogenblikken van uitzinnige vreugde sluiten mensen immers hun ogen, of is hun blik naar binnen gekeerd, zodat hun extase zich niet laat spiegelen in de ogen van een waarnemer. Net wanneer de ik zijn derde voornemen wil opgeven, lukt het hem toch, toevallig: op straat vindt hij het opperste geluk in de ogen van een oude man. De onverwachte vervulling van het ideaal zorgt ervoor dat de ik-figuur zelf zielsgelukkig is, waardoor zijn bewustzijn naar binnen klapt en de buitenwereld hem volledig ontgaat.

Het hierop volgende verhaal balanceert opnieuw op de grens tussen betrouwbare waarneming en hallucinatie. Op een kermisterrein helpt de ik bij het opbouwen van een draaimolen vol spiegels en poppen. Dansend met de poppen, die een lege blik hebben, ziet hij zichzelf eindeloos gereflecteerd in de draaiende spiegels, tot hij door het droste-effect het gevoel krijgt te verdwijnen. Wanneer hij een week later terugkeert naar het kermisplein, is de plaats van de draaimolen ingenomen door een andere attractie.

Met zijn bizarre verhaal over de poppen in de kermistent kan de ik zijn gesprekspartner op het bankje in het park uiteindelijk vermurwen om zijn eigen geheim prijs te geven. De kwetsende uitspraak waar de ik al zolang naar op zoek is, bestaat uit een zin van vier woorden, ooit uitgesproken door een oude pop die de man als kind in de kelder van zijn grootvader heeft gevonden. Hij was toen in het gezelschap van een neef die later is verongelukt. De vier woorden van de pop deden de vriendschap tussen beide neven omslaan in een familievete en ruïneerden beide levens.

Dat de fantasieachtige herinnering over de kermispoppen in de spiegelende draaimolen de aanloop vormt voor de onthulling van de schokkende woorden van de oude pop, illustreert hoe nauwgezet deze roman is opgebouwd. De spiegel en de pop vormen daarbij twee zorgvuldig gedoseerde leidmotieven. Ze duiken niet alleen op in het kaderverhaal van de twee mannen op het bankje en de ingebedde herinneringen van de ik-figuur, maar spelen ook een zijdelingse rol in de derde belangrijke verhaallijn van de roman.

Daarin gaat de ik op zoek naar de identiteit van een naaktmodel uit het begin van de twintigste eeuw. Op een rommelmarkt heeft hij haar portret toevallig gevonden in een doosje met oude stereofoto’s, foto’s die door een speciale kijker transformeren in levensechte, driedimensionale afbeeldingen. De extra dimensie maakt de mysterieuze naakte vrouw ‘mooi, aantrekkelijk en ongelooflijk levensecht, alsof ze een levend standbeeld is dat zal gaan bewegen zodra je met je vingers knipt. Bevroren leven dat wacht op de dooi.’ Tijdens zijn zoektocht naar haar identiteit stuit de ik op een foto van een andere jonge vrouw, omringd door poppen. ‘Toen viel mijn oog op de achtkantige spiegel die links achter haar aan de wand hing.’ Het blijkt te gaan om dezelfde spiegel als die waarvoor de mysterieuze naakte vrouw poseert.

De fascinatie voor het naaktmodel en voor de driedimensionale fotografie vloeit voort uit het verlangen om stilstand en beweging in één beeld te laten samenvloeien. De ik is ontevreden over ‘al die foto’s waarop de onmetelijke diepte van het menselijk lief en leed tweedimensionaal was afgeplat, de werkelijkheid was stilgezet op rechthoekig afgesneden plaatjes, even afwijkend van het origineel als reproducties van schilderijen.’ Tweedimensionale foto’s ‘snijden het leven in plakjes,’ vindt hij.

De ik gaat op zoek naar mogelijkheden om de werkelijkheid te vatten in beelden. Beweging blijkt dan niet de essentie te zijn, want tweedimensionale televisiebeelden vindt hij even ergerlijk als gewone foto’s. ‘Dat mensen dat pikten, dat platte vlak. Ik kon me opeens heel goed voorstellen dat televisie in de toekomst driedimensionaal zou zijn en dat de mensen dan net zo om de huidige platte beelden zouden lachen als ze nu lachen om de stomme films met dat opgevoerde bewegingsritme.’ Stilstaande, driedimensionale beelden zijn veel levensechter omdat ze in de verstening de beweging suggereren. Het enige dat ze niet kunnen vastleggen, is het geluid. ‘Geluid zonder tijd bestaat niet. Geluid kun je niet fotograferen. Dat wist ik natuurlijk wel maar het drong toen voor het eerst tot me door. Het schokte me.’

Stilstand is alleen fascinerend wanneer ze beweging suggereert. In Uit het niets werd die idee gekoppeld aan de filosofie van Parmenides en in tal van varianten uitgewerkt, maar wie het oeuvre van Herman Franke een beetje kent, moet ongetwijfeld ook denken aan de belevenissen van de versteende Lord Nelson op zijn hoge zuil aan Trafalgar Square, en aan de briljante manier waarop Franke deze figuur nieuw leven heeft ingeblazen in zijn bekroonde roman De verbeelding (1998). In dat boek cirkelden alle verhalen rond de zoektocht naar het naaktportretje van Nelsons minnares Lady Hamilton, wat uiteraard erg lijkt op de zoektocht van de ik-figuur naar het naaktmodel op de stereofoto. Zelf krijgt de Engelse admiraal in Zoek op liefde een alter ego in de vorm van een versteende leeuw, die naast het bankje in het Nijmeegse stadspark de wacht houdt.

Er wordt in deze romancyclus overigens wel vaker verwezen naar eerder werk van Franke. De eerste pagina’s van Uit het niets lijken bijvoorbeeld heel sterk op de beginsetting van De verbeelding: de beschrijving van het atelier, waarin een schilder zijn model in de juiste pose dirigeert, transformeert in de romancyclus in de introductie van een portretschrijver die zijn klanten ‘een uurtje [liet] “poseren” in de vorm van een gesprek over hun leven en interesses. Daarna schreef ik het portret.’

De huidige geliefde van de ik-figuur, Francien, analyseert als stedenbouwkundige het nut en de haalbaarheid van overheidsplannen. Ze buigt zich onder meer over de komst van een prestigieus flatgebouw in een achtergestelde stedelijke volksbuurt. De gemeente hoopt zo aan de wijk een nieuwe glans te verlenen. ‘Zie je het voor je? Dat wordt oorlog,’ zegt Francien, die in Wolfstonen (2003) overschot van gelijk krijgt.

Of zich ook in het leven van Francien een rampscenario zal voltrekken, is de cliffhanger van dit tweede deel. Het voorspelt in ieder geval weinig goeds dat de ik haar aan het einde van de roman de giftige woorden van de sprekende pop toevertrouwt. Bovendien is het vierde goede voornemen van de hoofdfiguur – ‘doe alles om haar gelukkig te maken’ – eerder in zijn leven al een keer dramatisch afgelopen.

De verschillende verhalen in Zoek op liefde spiegelen niet alleen elkaar. Ze hernemen motieven uit het eerste deel van de romancyclus, uit het vroegere oeuvre van Herman Franke, en ze zetten de lijnen uit voor wat nog komen moet. Hierdoor nodigt Voorbij ik en waargebeurd uit tot lezen en vooral herlezen. Bij een eerste lectuur van de romanreeks probeer je als lezer vooral de op elkaar gestapelde verhaallagen gescheiden te houden. Bij herlezing wordt het juist interessant om de verbanden en overeenkomsten tussen deze lagen in kaart te brengen.

Door de voortdurende onderbreking van de verschillende verhaallijnen zit er bij een eerste lezing misschien wat minder vaart in deze romans dan het geval was bij De verbeelding of Wolfstonen, maar dat zou wel eens een compliment kunnen zijn voor een romancyclus die probeert om de beweging in stilstand te vangen. In ieder geval doen de eerste twee delen van Voorbij ik en waargebeurd uitkijken naar het vervolg van Frankes experiment.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?