cover big

Hoger! Hoger!

Gijsbert Pols

Over Onze lieve vrouwe van de schemering van Willem Jan Otten

G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789028241299 / 264p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-01-2010

Bookmark and Share

Gauw klaar?

In ‘Een ridder van de Engelse drop’, een essay dat eigenlijk over geheimen gaat, of meer bepaald over de onmogelijkheid het bestaan volledig te doorgronden, zegt Willem Jan Otten over Nijhoffs regel ‘de wonderen werden woord en dreven verder’:

(Misschien dat Johannes het met de eerste regels van zijn Evangelie nog beter heeft gezegd, maar die regels zeggen, omdat zij het anders zeggen, toch iets anders: ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’)

Wie wil, kan met Otten gauw klaar zijn. Dit citaat uit Onze lieve vrouwe van de schemering maakt meteen duidelijk waarom sommige lezers Otten als halfgare spijtkatholiek weg willen zetten. Het citaat laat tegelijkertijd ook zien dat er voor de lezers die dat pertinent niet willen nog steeds genoeg gelegenheid is om zich aan Ottens werk als aan een oase van diepzinnigheid te laven. Die laatste leeshouding is niet minder conformistisch: het is even gemakkelijk om Ottens stilistische carrousels als pretentieus gedraai of als verbluffende denkbewegingen te zien. Voor welk gemak gekozen wordt, zal vermoedelijk samenhangen met de gevoelens die woorden als ‘geloof’, ‘christelijk’ en ‘bekering’ bij de lezer oproepen.

Onze lieve vrouwe van de schemering is een goede aanleiding om te proberen Ottens werk en, daaraan gekoppeld, zijn geloof op een minder gemakzuchtige en objectiever manier te benaderen. Het boek is een bundeling van verspreid gepubliceerde essays, lezingen, een tafelrede, een gedicht, leesaantekeningen, colleges en dagboekfragmenten die Otten in de afgelopen tien jaar schreef. De stukken zijn, voor zover dat vast te stellen valt, min of meer in chronologische volgorde opgenomen. Zo gepresenteerd is de samenstelling work in progress, zoals ook Ottens geloof een faith in progress is.

Üben, üben, üben

Om het proces dat in Onze lieve vrouwe van de schemering zichtbaar wordt op zo’n minder gemakzuchtige manier te kunnen lezen, meen ik een beroep te kunnen doen op Du mußt Dein Leben ändern (2009) van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Sloterdijk doet hierin een poging de belangstelling voor religie te duiden die aan het einde van de twintigste eeuw plotseling opdook en zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw lijkt te bestendigen. Sloterdijk ontwikkelt de kloeke these dat er eigenlijk niet zoiets bestaat als religie, of beter: dat de term ‘religie’ geen doeltreffend begrip is om te begrijpen wat deze eigentijdse golf van spiritualiteit te betekenen heeft. Naar zijn idee is datgene wat er door de eeuwen heen onder religie werd verstaan een verticale spanning, van waaruit zich een appèl manifesteert dat Sloterdijk omschrijft met de beroemde slotregel van het gedicht ‘Archaïscher Torso Appolos’: ‘Du mußt Dein Leben ändern’.

De mens die aan dit appèl gehoor geeft gaat oefenen, dat wil zeggen: hij maakt zich los van wat hij tot dan toe als vanzelfsprekend en gewoon heeft beschouwd en probeert zijn bestaan te perfectioneren aan de hand van een als ideaal geldende voorstelling. Volgens Sloterdijk is dit patroon van oefenen niet alleen in alle vormen van religie, maar ook in niet-metafysische vormen van levensbeschouwing te herkennen. En hij weet dat overtuigend aan te tonen, met een discours dat onder meer langs boeddhisme, de stoïcijnen, Socrates, Paulus, het kloosterleven, Wittgenstein, yoga, Foucault en de moderne sportgeschiedenis voert.

Dat Otten zich sinds zijn veelbesproken bekering ergens aan het einde van de jaren negentig in geloven bekwaamt, dat laat Onze lieve vrouwe van de schemering duidelijk zien. Hij oefent Christendom. Zijn manier van schrijven in deze bundel vertoont er alle sporen van: zelfs in de essays is Otten geenszins bezig met het uiteenzetten van een vastomlijnde gedachte, in tegendeel: hij ontwikkelt zijn denken, herformuleert zijn ideeën steeds weer en spreekt over zichzelf bij voorkeur met behulp van de generische, en daardoor distantiërende tweede persoon. Een ander voorbeeld van zelftraining is de volgende passage, ontnomen aan de dagboekfragmenten:

Pinksterzondag, na de Mis in de tuin. Een grote troep krassende kauwtjes die vanuit de esdoorn loeren op winterkoninkjes- en roodborstjesgebroed. Je moet een hele God zijn om van deze Hells Angels te zeggen dat ze niet weten wat ze doen. Ik zie heden even het punt van de schepping niet.

Hier is iemand aan het woord die zelfs niet meer naar vogeltjes kan kijken zonder zich af te vragen: geloof ik? En: hoe kan ik geloven? En: wat moet ik kunnen geloven? Om vervolgens, vanuit die mogelijkheid van ongeloof, beter te kunnen gaan geloven. Otten heeft zijn hele bestaan verticaal onder spanning gezet. Inclusief zijn kunstopvatting, die overigens wel heel letterlijk aan Sloterdijks omschrijving van oefensystemen voldoet. Wanneer Otten uitlegt waar het in zijn ogen in poëzie en film om draait, namelijk verandering, citeert hij dezelfde regel van Rilke.

Uit de crisis trainen

Ook met Sloterdijk als hulpmiddel zal niet iedereen een zin als ‘Ik begin te begrijpen dat alles verdragen is’ kunnen lezen zonder met de ogen te knipperen. Wat Ottens christelijke zelftraining echter ook voor wat prozaïscher naturen inspirerend kan maken, is dat de verticale as waarlangs Otten zijn bestaan vorm probeert te geven haar spanning ontleent aan de malaise van de moderniteit. Volgens Sloterdijk is de hernieuwde belangstelling voor verticale levensbeschouwingen te zien als reactie van het individu op de moderniteit, die zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw met name in het steeds groter, onoverzichtelijker, warmer en ook bedreigender worden van de wereld manifesteert. Over globalisering heeft Otten het niet, maar ik denk dat datgene waaraan geloof voor hem zijn urgentie ontleent ook heel goed als moderniteitscrisis te omschrijven is.

Ottens geloof, zo wordt in deze bundel onder meer in één van de colleges en een schets voor een filmscenario bevestigd, is ontsprongen aan het euthanasiedebat zoals dat begin jaren negentig werd gevoerd, en waarin hij voor het eerst de moderne drang naar individuele vrijheid als een obsessie ervoer, die noodzakelijkerwijs in onvrijheid moest resulteren. De moderne fetisjering van vrijheid wordt in deze bundel een symptoom van een veel omvattender moderniteitscrisis die zich onder meer uit in hedonisme, de medialisering van de geschiedenis, wetenschappelijk opportunisme, de pornografisering van de beeldcultuur, botox en het onvermogen om te gaan met menselijk lijden. Otten presenteert zijn geloof niet als de oplossing van deze crisis, maar door zich in geloven te oefenen, door zijn bestaan onder een verticale spanning te zetten, wil hij zijn eigen bestaan aan die crisis onttrekken. Om dan, mogelijk, voor zijn lezers als trainer te kunnen functioneren. 

Otten als trainer

Want Onze lieve vrouwe van de schemering maakt overduidelijk dat Otten niet langer de fundamentalist is die hij net na zijn bekering was en die met zijn lezing Het wonder van de losse olifanten de ‘verachters van de christelijke religie’ de les kwam lezen. Die lezing werd aanvankelijk zelfstandig gepubliceerd. In Onze lieve vrouwe van de schemering is uit die publicatie alleen dat deel opgenomen waarin Otten beschrijft hoe hij in zijn vroegste jeugd aan de stadrand van Amsterdam een aantal loslopende olifanten zag: niemand geloofde hem, behalve zijn schooljuf. Maar die hielp de betekenis die de olifanten voor de jonge Otten hadden om zeep door uit te leggen dat er een circus in de stad was. Haar ratio deed het wonder teniet.

Door deze keer de polemische consequenties die de bekeerde Otten uit deze wonderlijke herinnering trok weg te laten, is het aan de lezer om in het wonder te gaan geloven. Otten beschouwt zijn lezer niet langer als een onverbeterlijke ongelovige, maar als iemand die wel degelijk in potentie ontvankelijk is voor religie. Dat wordt niet alleen duidelijk door het weglaten van het polemische deel van zijn lezing, maar ook als Otten beschrijft hoe hij met zijn zieke broer een bezoek aan Lourdes brengt. Zijn broer, die stelt niets te geloven van die ‘santekraam’, weet Otten diep te ontroeren door ‘toegewijd en liturgisch’ te schuifelen langs de grot waarin Maria verschenen is. Die ontroering is een religieuze ontroering: zijn broer kan, zo blijkt, wel degelijk ‘betekenis toekennen’ aan datgene wat in Lourdes plaatsheeft. 

Daarom kan Ottens ontwikkeling sinds Het wonder van de losse olifanten niet als een soort matiging begrepen worden. Ottens nieuwe houding ten opzichte van de lezer is een resultaat van zijn voortgeschreden geloofsoefeningen. Hij verkettert niet meer, hooguit nodigt hij zijn lezers uit om – de metafoor is opnieuw van Sloterdijk – met hem het basecamp te verlaten en naar de geloofstop te gaan klimmen. Aan degenen die uit overtuiging beneden blijven, besteedt hij nauwelijks meer aandacht.

Uit het basecamp

Als we over Otten en Onze lieve vrouwe van de schemering onbevooroordeeld willen oordelen, wat in dit geval wil zeggen: al dan niet waarde toekennen aan zijn geloof als trainingsprogramma, dan is de vraag die beantwoord moet worden: kan ik Otten als trainer accepteren? Mijn antwoord is: soms. Dat heeft veel te maken met de manier waarop Otten zich in geloven oefent en al oefenende zijn lezers uitnodigt mee te doen. Dat kan namelijk op twee manieren: door te laten zien hoe verfoeilijk het basecamp is en door te verwijzen naar het betere leven aan de top – daartussen ontstaat immers de verticale spanning.

De overtuigendste trainer is de trainer die zelf een klimvirtuoos is. Ottens oefenen getuigt in Onze lieve vrouwe van de schemering niet vaak van virtuositeit – helaas, want anders dan een verstokte basecamp-bewoner als Kousbroek, die Otten na zijn bekering toeriep terug te komen, zou ik Otten willen aanmoedigen om vooral hoger te klimmen. Maar heel dicht bij de top komt Otten nog niet. Daarvoor is hij nog te nadrukkelijk bezig zijn basecamps te verlaten, legt hij veel te vaak uit waarom de door ietsisme, rationaliteit en hedonisme gekenmerkte ‘heersende opinie’ niet volstaat.

Ook zijn voorbeelden zijn weinig verheffend: dat Buñuel met zijn films meer beoogde dan het doorbreken van katholieke taboes is nogal evident. En dat het zorgwekkend is dat een zeventienjarig meisje zich aan haar schaamlippen laat ‘corrigeren’ omdat ze niet aan de porno-esthetiek voldoen – zouden er werkelijk nog mensen zijn die dat met een beroep op ‘vrijheid, blijheid’ vergoelijken?
Het zijn klimmetjes die ik zelf ook wel kan nemen, of misschien al wel genomen heb. Waar ik Otten wel als trainer kan accepteren en tijdens het lezen plotseling merk dat ik achter hem aan klim, is waar hij de top van de berg in het zicht heeft. Het hoogtepunt van deze bundel vind ik daarom het essay ‘Verberg de ideeën’, over de Franse filmmaker Robert Bresson en diens ‘cinematografische’ omgang met het historische fenomeen Jeanne d’Arc in Procès de Jeanne d’Arc (1962). De Jeanne d’Arc die Bresson volgens Otten laat zien is een virtuoze: ze maakt, door haar geloof, het ongelooflijke tot realiteit. Jeanne is ‘meedogenloos’ in haar gevecht om ‘de redenen van het hart’. Schijnbaar onbewogen ondergaat ze elk verhoor, elke marteling en de vernedering van haar maagdelijkheidstest. Ze vergeeft haar vijanden en maakt zich zelfs zorgen om hun zielenheil.

Tot zijn eigen wanhoop kan Otten Bressons Jeanne maar niet begrijpen. Pas als ze heel even breekt en voor één moment zegt dat haar stemmen niet die van heiligen maar van duivels waren, pas dan, als ze even menselijk is, kan Otten zich met haar identificeren. En hij concludeert dat er nog veel te klimmen is, want: ‘We moeten de grote, ware paradoxen niet willen verzoenen. We moeten leren ze te aanvaarden, als mysteries. Dat is de enige manier waarop we kunnen veranderen. Het is de enige manier om los te komen van wat we zijn.’ Hier weet Otten de verticale spanning werkelijk op scherp te stellen. En wil ik weten hoeveel dichter hij in zijn volgende boek de ijle hoogte genaderd zal zijn die hij zo in zicht krijgt.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?