cover big

Lofzang op de illusie

Bart Vervaeck

Over Peachez, een romance van Ilja Leonard Pfeijffer

De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2017,
ISBN 9789029511643 / 174p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 08-03-2017

Bookmark and Share

Een zestigjarige hoogleraar in de latinistiek ontvangt een mail van een zekere Sarah, die beweert dat geen enkele filosofie het leven echt kan vatten ‘en dat zij daarom had besloten haar leven voortaan in te richten naar het motto “capre diem”.’ De schoolmeester in de prof vindt dat hij de fout moet verbeteren en stuurt haar een antwoord: ‘“Capre”, of klassieker gespeld “caprae”, zijn geiten.’

Dat is het begin van een steeds persoonlijker wordende correspondentie, die ertoe leidt dat de prof verliefd wordt. Zelfs wanneer hij via Google ontdekt dat zijn correspondente een pornoster is en Sarah Peachez heet, maakt dat zijn liefde alleen maar groter. Op aandringen van de immer onzichtbaar blijvende Sarah, overwint ‘proffie’ zijn vliegangst en brengt hij een koffer van Curaçao naar Buenos Aires. Wat iedere lezer al begrepen had, beseft nu ook de prof: de mails zijn het werk van een bende die de reële figuur van Sarah gebruikt om de prof als drugkoerier in te schakelen. De hoogleraar wordt opgepakt door de politie in Buenos Aires en schrijft vanuit de gevangenis dit boek, dat geen vervloeking is, geen schuldbekentenis, maar een lofzang op de illusie en het geloof in een verzonnen ander.

Je zou vermoeden dat de geit van ‘capre diem’ zal leiden tot een tragedie, die etymologisch met het mekkeren van de geit verbonden is. Voor de nuchtere lezer lijkt het verhaal van de geleerde ook slecht af te lopen. In het nu van de vertelling zit de prof immers in een cel en het ziet er niet naar uit dat hij gauw zal vrijkomen. Maar voor de verteller zelf is de afloop niet tragisch. Zoals de ondertitel van Peachez, een romance al suggereert, heeft het boek een happy ending, tenminste volgens de hoogleraar zelf. Geluk en ongeluk, schijn en zijn, werkelijkheid en fantasie – ze worden in deze roman voortdurend door elkaar gegooid. Als het erop lijkt dat een van de polen de voorkeur geniet of de bovenhand krijgt, dan blijkt dat even later niet te kloppen. De nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer (1968) is een draaitol.

Levensverhaal

De relatie tussen Sarah en de hoofdfiguur is een pure fictie. Ze bestaat alleen in de mails: dat is haar virtuele aspect. En in de fantasie van de verteller: dat is haar emotionele aspect. Maar hoewel de reële Peachez helemaal niet op de hoogte is van wat de bende met haar persona doet, heeft de door de prof gefantaseerde Sarah wel degelijk een zeer reële invloed op zijn leven. Die invloed zit in de voortdurende verwisseling van verhaal en werkelijkheid, tekst en leven. Door Sarah beseft de verteller dat hij tot hier toe alleen in oude teksten en filosofieën heeft geleefd, terwijl hij nu voor het eerst in het ‘echte’ leven lijkt te staan. Het is geen toeval dat Sarahs eerste mail spreekt over het onvermogen van teksten en beschouwingen: die kunnen het leven niet vatten. Daarmee gaat ze in tegen de filosofie van de hoogleraar, die het papieren bestaan verkiest boven het werkelijke:

Ik verplaats mij in de geest met de beste leidsmannen die de mensheid ooit heeft voortgebracht. Zelfs Rome heb ik nooit willen zien, omdat ik het al kende uit de talloze geschriften en omdat de stad in werkelijkheid alleen maar kon tegenvallen ten opzichte van het volmaakt werkelijke beeld dat ik mij van haar had gevormd.

Door Sarah komt hij schijnbaar tot inkeer:

Ik heb de werkelijkheid onderschat. Want toen mij overkwam wat mij overkwam, was dat, ondanks de eeuwenoude bekendheid van het fenomeen en mijn uitvoerige studie van al zijn verschijningsvormen en effecten, nieuw als ontwaken op de jongste dag.

In de laatste zin wordt enerzijds gezegd dat de liefde tussen een bejaarde prof en een jong meisje zo oud is als de klassiekste verhalen. De verteller beseft: ‘Wat mij is overkomen, mag bekend worden verondersteld als stof van de oudste verhalen.’ In die zin bevestigt de verhouding met Sarah het oude, papieren leven van de hoofdfiguur. Anderzijds is die liefde toch heel reëel omdat ze voor een totaal nieuw leven zorgt. Door Sarah ervaart de verteller voor het eerst dat hij écht leeft. Het is alsof hij opnieuw wordt geboren: hij begint te roken, overwint zijn vliegangst, trekt nieuwe en lachwekkend hippe kleren aan, laat zijn werk in de steek en maakt zich compleet belachelijk op de conferentie die de bekroning van zijn loopbaan had moeten zijn. In jeansshort en met een neonkleurig shirt (waarop de woorden ‘Forever young’) zingt hij tijdens zijn lezing de lof op zijn liefde voor Sarah. Zijn collega’s bespotten hem met woorden uit Ovidius’ Metamorfosen: ‘Ze gaan niet goed samen en ze zitten niet op dezelfde zetel, waardigheid en liefde.’ De metamorfose van de verteller is grotesk en hilarisch in de ogen van zijn vroegere gelijkgezinden; voor hem is ze daarentegen het bewijs van de echtheid van zijn liefde en zijn leven. Wie liefheeft, durft zich belachelijk te maken.

Daarmee is de complexe verhouding tussen tekst en leven nog niet in kaart gebracht. Door zijn liefde voor Sarah begrijpt de hoogleraar voor het eerst wat de klassieke teksten écht wilden zeggen. Wat vroeger papier was, ervaart hij nu aan den lijve. De centrale les die hij leert is de steeds herhaalde slogan van kerkvader Tertullianus: ‘credo quia absurdum est’, ‘ik geloof omdat het absurd is’. Net omdat de hele affaire met Sarah zo absurd is, gelooft hij erin. Zijn nieuwe leven brengt hem dichter dan ooit bij de teksten:

Ik had redenen kunnen bedenken waarom mijn geloof absurd was, maar in dat geval geloofde ik precies vanwege het feit dat het absurd was. Ons verhaal was zo ongeloofwaardig dat het niet verzonnen kon zijn. […] Dat is wat Tertullianus bedoelde met zijn paradoxale apologie van het geloof juist omwille van de absurditeit. Dat begreep ik nu. Ik had een mensenleven op die leerstellingen gestudeerd, maar dankzij Sarah had ik ze eindelijk begrepen.

Het is dus allemaal heel dubbelzinnig, of ironisch. Enerzijds is Sarah pure fictie en bestaat ze alleen in de verbeelding van de verteller. Anderzijds geeft ze zijn bestaan een totaal nieuwe wending. Ze maakt alles nieuw, zoals de Bijbelse god. De link met het goddelijke zit al in het net geciteerde fragment over de jongste dag. De imaginaire liefde zorgt voor een ‘ontwaken op de jongste dag’. De jongste dag is de dag des oordeels in de christelijke, joodse en islamitische religies. Wie wakker wordt op de dag des oordeels, wacht het eeuwige leven – in de hel of de hemel. Het nieuwe leven van de ik-figuur is dus een hogere vorm van bestaan, waarin de tijd geen rol meer speelt. Na de relatie tussen verhaal en leven, is de verhouding tussen liefde en religie een tweede aspect dat in de draaibeweging van de roman wordt opgenomen.

Naar mijn beeld en gelijkenis

Als latinist ‘met de klassieke en vroegchristelijke letterkunde als leeropdracht’ is de hoofdfiguur twee keer voorbestemd om van de geliefde een goddelijke figuur te maken. Ten eerste is er de klassieke poëzie die de ‘wonderschone geliefde’ ziet als een god. Met een verwijzing naar Vergilius’ Bucolica omschrijft de verteller het geluk dat hij door Sarah leert kennen als volgt: ‘Een godin heeft mij deze rust verschaft. Want zij was altijd een godin voor mij.’

Ten tweede is er de vroegchristelijke traditie. Het door de hoofdfiguur opgerichte onderzoeksinstituut ‘voor middeleeuwse lyriek’ bestudeert de banden ‘tussen de hoofse liefde en Mariaverering’. Aardse en hemelse liefde reiken elkaar de hand. Via de aardse liefde nadert de minnaar God. Dat sluit aan bij het proefschrift van de verteller, dat ‘over het aspiratieve gebed in de vroege patristiek’ ging. Dat inwendige gebed is gericht op de benadering van een godheid: via de binnenwereld naar het allerhoogste. Dat is exact wat er gebeurt met Sarah: ze wordt gevormd vanuit zijn binnenwereld, zijn fantasieën, en verandert daardoor in een godheid.

Maar de verteller gaat verder dan de traditie. Anders dan de klassieke en de vroegchristelijke denkers, ziet de hoogleraar de schepping van zijn geliefde en zijn god vanuit een modern, psychoanalytisch perspectief. De geliefde is, net als God, een fantasie van de minnaar en de gelovige. Dat duo schept een geliefde en een god naar eigen beeld en gelijkenis, en juist daardoor krijgen hun liefde, hun geloof en hun leven zin.

Ook als ik haar heb geschapen heeft zij mij gebaard, in die zin dat ik om harentwille gevoelens heb gehad die ik nooit eerder in mijn leven had gekend, dat ik voor het eerst in mijn leven iets voelde en dat ik voor het eerst in mijn leven in leven was. Als ik haar de liefde van mijn leven noem, bedoel ik niet alleen dat zij de eerste en enige liefde in mijn leven was en zal zijn, maar ook dat zij mij de liefde voor het leven heeft bijgebracht.

Deze daad van creatie, die in modern psychologisch jargon ook wel projectie wordt genoemd, maakt de vraag naar het werkelijkheidsgehalte van God en geliefde onbelangrijk. Dat God en Sarah niet ‘echt’ bestaan, is niet erg. Ze bestaan in de verbeelding van de gelovige en de minnaar, en voor hen worden ze heel reëel omdat ze hun leven totaal anders maken. De man die in het begin alleen oude teksten beminde en die in Sarah een nieuw liefdesobject vond, dat hem toegang verschafte tot het echte leven, eindigt ermee te zeggen dat het er niet toe doet of de beminde echt of onecht is. Het beminnen (of geloven) op zichzelf zorgt ervoor dat het leven waardevol wordt.

Dat geldt voor God:

Wij hebben Hem bedacht en als fantasie in de hemel geplaatst omdat wij beseften dat onze levens leeg waren zonder geloof en liefde. Het is niet God die onze levens verrijkt, maar ons geloof in Hem.

En voor de geliefde:

Hoewel in dat soort gevallen wordt aangenomen, en niet in de laatste plaats door de beide betrokkenen zelf, dat de ander werkelijk bestaat, is dat welbeschouwd een irrelevant gegeven.

Het gevoel écht te leven, te beminnen en te geloven, is een fantastische schepping, een werk van fictie, net als een roman of een gedicht. Vandaar dat Sarah ook wordt vergeleken met ‘een gedicht van prangende belofte op het dwingend strakke metrum van haar maten.’ Vandaar ook dat de hoofdfiguur in zijn zogenaamd waarachtige momenten nog steeds rondloopt in een wereld van teksten (op papier of digitaal) en verhalen.

Je kunt haast geen zin lezen in deze roman zonder je af te vragen: ‘Waar komt die weer vandaan?’ Een eindeloze reeks klassieke teksten wordt geciteerd of getransformeerd, maar ook heel wat moderne stemmen klinken mee; onder meer die van e.e. cummings met zijn wonderlijke regel: ‘nobody, not even the rain, has such small hands’. En natuurlijk brengt Pfeijffer ook zijn eigen werk binnen in deze roman, vooral dan de roman Rupert. Een betekenis (2004) en de dichtbundel Dolores (2002).

Het verhaal dat de bende hem heeft voorgehouden, wordt door de Argentijnse politie ontleed als ‘een klassieker’, gebaseerd op allerlei sjablonen en even doordacht geconstrueerd als een meeslepende roman. Zo blijft de realiteit van de hoogleraar een en al tekst, zelfs op de momenten dat hij meent het zuivere leven te raken.

Schietgebedje, bij wijze van spreken

Blijft natuurlijk nog het niet onbelangrijke gegeven dat Sarah Peachez een pornofiguur is die iedere internaut die zijn familiefilter wil uitzetten in levenden lijve kan bewonderen. Dat ze echt bestaat, was belangrijk voor de drugsbende: doordat hun slachtoffer (de verteller) Sarah zelf kon vinden op het web, zou hij ervan overtuigd zijn dat haar mails geloofwaardig waren. Maar porno ironiseert meteen de hooggestemde, hoofse en goddelijke aspiraties van de verteller. Net als geloof, liefde en literatuur, is porno een kwestie van projectie en verbeelding. Pornosites behoren tot ‘de drukstbezochte gebedshuizen van internet’ en Peachez is hier te bewonderen als een perfect gedicht, ‘in haar weergaloze vormen met het pronte volrijm van haar distichon’.

Maar het gaat hier niet om de projectie van het ‘betere’ ik. Zoals gezegd: de filter die het lagere buitenhoudt moet worden uitgeschakeld. Het effect is daardoor zo mogelijk nog sterker. Gaat het bij de liefde om emoties, dan gaat het bij porno om driften. Zodra die meewerken aan de projectie, wordt deze nog dwingender en obsessiever. De prof verliest zijn controle. Zijn gebed wordt een ejaculatie bij het zien van Sarahs pornografische foto’s. Wat hij in zijn dissertatie over het aspiratieve gebed beschreef, ervaart hij nu:

Ik schaamde mij en mijn schaamte wond mij op. Ik vouwde mijn handen en zuchtte. Ik begon tot haar te bidden. […] Ik volgde de vier wezenlijke aspecten van het aspiratieve gebed. […] Ik zei haar heilige en verboden naam en verstijfde in mijn zucht naar haar […] en ik bracht op wat ik in mij had. Ik had geofferd. Uitgeput, schuldig en leeg staarde ik voor mij uit.

Toch is Peachez, een romance nergens een pornografisch werk. De net geciteerde scène is ongeveer de enige die in de buurt komt van pornografie, en zelfs hier blijft alles bedekt onder een stapel religieuze metaforen. Dat is eigen aan de stijl. De verteller is een intellectueel en een idealist, en dat zullen zijn lezers weten. De zinnen zijn lang en vaak ingewikkeld, het register is verheven en de schrijver gebruikt voortdurend beelden. Het bijna biddende begin (‘In het paars was zij mijn bruid. In het rood lag zij met hoorntjes als klimop over de bank.’) herinnert enigszins aan Lolita (1955) van Vladimir Nabokov, met de hooggestemde toon van de minnaar die weet dat hij een zondaar is en dat zijn aanbeden geliefde geen schuld treft.

Schuld is een belangrijk thema in dit verhaal. Met zijn verslag probeert de verteller zichzelf niet vrij te pleiten. Dat zegt hij herhaaldelijk en het klopt ook met zijn woorden. Hij beschuldigt niemand: niet de bende die hem tot koerier degradeerde, niet de onwetende Peachez die niet eens beseft dat haar identiteit misbruikt werd. Zijn verslag is geen beschuldiging of verontschuldiging, het is een lofzang op de macht van de verbeelding, die het leven de moeite waard maakt. Hij is blij met de ervaring, die hem heeft geleerd hoe hij in het leven moet staan. Zijn tekst kan dan ook als een dankbetuiging worden gelezen.

Die positieve houding onderscheidt hem van zijn alter ego Rupert uit de gelijknamige roman van Pfeijffer. Net als de hoogleraar schreef die zijn verhaal nadat hij opgepakt was voor een misdaad, maar Rupert wil zichzelf wél vrijpleiten en beschuldigt anderen wel degelijk.

Rupert achtervolgde de dienster Dolores, die hem herinnert aan zijn perfecte Mira, en verkracht een jonge vrouw (tenminste: dat is de beschuldiging) die hem aan die twee doet denken. Porno speelt een grote en expliciete rol in zijn leven, terwijl ze bij de hoogleraar wordt gefilterd en gesublimeerd.

Dolores wordt dan weer de titelfiguur van een bundel elegieën, waarin op een verbeten manier wordt getreurd over de onbereikbare vrouw. De beroemde liefdesverzen van William Shakespeares sonnetten (‘Shall I compare thee to a summer’s day?’) worden in die bundel tot bittere en giftige regels omgevormd: ‘zal ik jou vergelijken / met zenuwgasaanval op doordrekte loopgraven?’

Rupert, Dolores en Peachez, een romance vormen volgens de verantwoording bij de nieuwe roman drie delen van een gepland vierluik dat zich helemaal afspeelt in de fictieve stad Steppoli en dat Pfeijffer daarom de Steppoli-tetralogie noemt. Het vierde deel ‘staat voor een zeker moment in de toekomst gepland.’ De drie verschenen delen stellen elk een andere taaldaad (een verontschuldiging, een klacht en een lofzang) maar voor de drie boeken geldt dat het de taal is die de werkelijkheid vormt.

Alles wat de hoogleraar meemaakt vloeit voort uit zijn correspondentie met Sarah. De hele tegenstelling tussen zijn papieren bestaan en Sarahs lijfelijke realiteit zit in de verwoording: hij gebruikt een verheven, academische taal, Sarah hanteert banale jongerentaal vol ‘fuck’ en ‘shit’.

Zo blijven de hoofdfiguren taalschepsels. De virtuoze en bezwerende taal van Pfeijffer, die alle registers van hoog naar laag moeiteloos combineert en die andermans woorden kan omtoveren tot woorden van hemzelf, maakt ook van deze roman weer een indrukwekkende prestatie.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?