Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Toen ik Ilja Leonard Pfeijffers Absolute democratie las, moest ik bij herhaling denken aan Julien Benda’s Het verraad van de klerken. Het essay van Benda, dat volgend jaar een eeuw oud zal zijn, kan je interpreteren als een noodkreet. Benda stelde immers met ontzetting vast dat vrijwel alle intellectuelen rond hem, mensen die geacht worden wijs, verstandig te zijn en daarom over genoeg kritisch vermogen te beschikken, zich lieten meesleuren door irrationalisme en fanatisme. Benda’s Het verraad van de klerken was een vroege waarschuwing voor de donkere zon van het fascisme die in 1927 al duidelijk aan de einder te ontwaren was. Het ideaal dat Benda als antidotum voorschreef, was dat van de afstandelijke intellectueel die de waan van de dag en de bijbehorende hartstochten aan zich laat voorbijgaan en zodoende trouw blijft aan humanistische, op ratio gebaseerde waarden. Benda was in zekere zin een anachronisme: hij leek op iemand die vanuit een verlicht salon uit het midden van de 18de eeuw naar de twintigste eeuw was geflitst, en slechts met verbazing en afschuw kon vaststellen hoe intellectuelen met zoveel gemak rationaliteit verruilden voor het dictaat van collectieve politieke driften.
Pfeijffer is soms op gelijkaardige wijze een anachronisme. De auteur van Absolute democratie neemt het heldhaftig op voor de fundamentele, uit de Verlichting stammende principes van de rechtstaat: de constitutionele orde, de scheiding der machten, de internationale rechtsorde en de rule of law. Principes die door de leidende politieke klassen op spectaculaire wijze worden genegeerd. Op het moment dat ik dit schrijf hebben de VS en Israël beslist om buiten iedere geldende rechtsregel om Iran te bombarderen. Zelfs tot het formuleren van een steekhoudend argument ter legitimatie van deze zinloze oorlog zijn de leiders van de agresserende mogendheden niet in staat. Regimewissel. Iraanse dreiging. Kruistocht. Omdat het kan. Whatever. Het is in deze tijd van grenzeloos politiek nihilisme dat Pfeijffer net als Benda een anachronisme is. Voor de slechte verstaander: dat bedoel ik in het geval van beider heren uiteraard als een compliment. Net als Benda houdt Pfeijffer de herinnering levend aan een andere tijd waarin, aldus Pfeijffer, ‘de landen van Europa geregeerd werden door saaiheid en respect’, waarin noties als democratie en rechtsstatelijkheid even onwrikbaar waren als menhirs in de Bretoense granietbodem en de wereld nog niet per tweet werd geregeerd.
De essays die verzameld zijn in de bundel Absolute democratie verschenen eerder in de krant De Morgen tussen januari 2024 en december 2025. Samen vormen ze een beklijvend verslag van zowel lokale als globale evoluties die symptomatisch zijn voor de teloorgang van de liberale democratie. Pfeijffer neemt vaak de rol op zich van een chroniqueur: iemand die optekent, registreert en zo getuigenis aflegt tegenover een nageslacht dat zich opnieuw zal kunnen afvragen hoe dit alles mogelijk was. Hij wil zodoende een tegenwicht bieden voor de gemakzucht waartoe het dagelijks leven steeds verleidt. ‘De zorgwekkende ontwikkelingen die ik zojuist heb samengevat, zijn geen onderwerp van gesprek in de straten of op de terrassen van Genua’, noteert Pfeijffer. ‘Om te weten wat er werkelijk gaande is moet je echt je best doen. De waarheid moet gedolven worden uit de kolommen van de zeldzame kwaliteitskranten en wat je dan leest, als je die moeite doet, zijn verslagen en analyses van kleine stapjes, die stuk voor stuk weinig verontrustend lijken, en die de rechtsstaat maar een heel klein beetje doen afbrokkelen, hetgeen je uitsluitend beseft als je bereid bent er goed over na te denken.’ En dat laatste is wat Pfeijffer evenzeer doet in de vijftig essays die Absolute democratie bevat. Zijn de eerste essays soms nog wat aarzelend en misschien wat gedateerd – ze werden geschreven voor de autoritaire acceleratie die de tweede termijn van Trump inluidde – dan raakt Pfeijffer steeds meer op kruissnelheid naarmate hij de grote en kleine verschuivingen van de jaren ’24 en ’25 beschrijft en analyseert. De chroniqueur ontpopt zich gaandeweg tot het kritische geweten van de liberale democratie.
Als lezer leer je ondertussen een en ander bij. Absolute democratie richt de blik op verschillende Europese landen en de evoluties die zich daarbinnen afspelen. Vanuit die optiek is de bundel ook een correctie van heersende journalistieke trends. Verkiezingsuitslagen en politieke ontwikkelingen in Frankrijk, Nederland, Groot-Brittannië, Duitsland en Italië worden geanalyseerd en met kennis van zaken geduid. Zeker de observaties met betrekking tot het binnenlandse beleid van Meloni en hoe dat steeds nadrukkelijker afglijdt naar een mediterraans Orbanisme vormen wat mij betreft een welgekomen rectificatie van de ongepaste normalisering van Meloni als internationale politica.
Een gevaar eigen aan verzamelbundels is een gebrek aan inhoudelijke coherentie. Het is een valkuil die keurig wordt vermeden in Absolute democratie. Hoewel de opgenomen essays een genereus scala aan onderwerpen en invalshoeken bevatten, tekenen zich door het boek heen ook duidelijke inhoudelijke lijnen af die, zeker naar het einde toe, kristalliseren in een helder pleidooi, waardoor ook het risico op banaliteit en neutraliteit, eigen aan de kroniek of de journalistiek, wordt vermeden. In wat volgt wil ik proberen om het inhoudelijke pleidooi van Pfeijffer kort samen te vatten, om daarna te concluderen met een niettemin fundamentele kritiek waarvan ik hoop dat de auteur die ter harte neemt.
Wat stelt Pfeijffer tegenover de afbraak van de liberale democratie? Allereest is Pfeijffer een passioneel verdediger van de constitutionele democratie. Een constitutionele democratie is een democratie die wordt begrensd door het recht en waarvan het functioneren zodoende niet louter wordt bepaald door het dictaat van de meerderheid – of door wie claimt die meerderheid te representeren. Tegenover de liberale democratie plaatst hij de absolute democratie. Net zoals de absolute monarchie laat de absolute democratie een onbeteugelde machtsvorm toe. Het is de democratie van de populisten, van de rechts-extremisten, de Meloni’s, Trumps en Orbans van deze wereld, voor wie de volkswil samenvalt met hun wil en die deze wil als soeverein beschouwen ten opzichte van het recht. Het verklaart de niet-aflatende pogingen in zovele landen om de uitvoerende macht te laten zegevieren over de rechterlijke macht.
De teloorgang van de constitutionele democratie gaat gepaard met een politiek-culturele verschuiving. Bedachtzaamheid, inhoud en waarheid moeten het afleggen tegenover impulsiviteit, beeldvorming en leugens. Universiteiten verworden in deze nieuwe cultuur tot volksvreemde linkse bolwerken waarvan de vitale financieringsbronnen zo snel mogelijk moeten worden afgesneden. Voor reflexiviteit die noodzakelijkerwijs meer tijd vraagt dan een tweet of een reel, bestaat steeds minder geduld in de publieke sfeer. Wat ons daarom te doen staat is ‘de uitzonderingstoestand waarin recht, reflectie en verstand op waarde worden geschat op ons eigen grondgebied zo lang mogelijk […] laten voortduren.’ Het is op dit punt dat Pfeiffer wellicht het meest gemeen heeft Benda. Ook hij zag zichzelf als de beschermheer van een culturele erfenis die hij als bijna verdwenen beschouwde.
Tot hiertoe valt Pfeiffers positionering nagenoeg volledig samen met die van het klassieke liberalisme. Iets wat hij zelf ook helemaal beaamt: het liberalisme is volgens hem nog steeds de beste garantie voor het vrijwaren van individuele vrijheid. Wie het belang van de liberale bescherming van de vrijheid minimaliseert moet bereid zijn ‘de voorspoken van totalitaire regimes in de holle ogen te zien’. Tegelijk aarzelt Pfeijffer niet om zichzelf als communist te uiten. ‘De aanbeveling van Karl Marx dat de productiemiddelen in handen van het volk moeten zijn, is vandaag de dag relevanter dan ooit’, zo besluit Pfeiffer in zijn afsluitende essay. Het lijkt een joekel van een contradictie, maar dat is het niet. Het communisme van Marx is een zijtak van het radicale liberalisme uit de jaren 1830: in essentie is het verwijt van Marx aan het liberalisme dat het zijn beloften niet kan waarmaken in de sfeer van de productie. De zogenaamd vrije markt rijmt niet op de vrijheid die vervat zit in egalité, liberté, fraternité. Vandaar ook dat ik Alicja Gescinska’s recente verwijt aan het adres van Pfeiffer dat gekoketteer met communisme ongepast is, misplaatst vind. Het communisme is geen historisch gegeven maar een vraag die zich steeds opnieuw opdringt. Dat die vraag in het verleden slecht beantwoord werd, vormt geen vrijgeleide om ze niet meer te stellen. Daar dwingt de sociale werkelijkheid ons toe.
Ondanks alle lof die Pfeijffer verdient, heb ik ook bezwaren. Fundamentele bezwaren die mijns inziens een debat verdienen. Tot mijn verbazing, en toegegeven, ook lichte ergernis, openbaart Pfeijffer zich door Absolute democratie heen met steeds minder schroom als een volgeling van het Europese neo-exceptionalisme. Een draak van een samengesteld begrip misschien, maar wel één die een reeks ideeën benoemt die te geruisloos gemeengoed dreigen te worden, zowel ter linker- als ter rechterzijde. Nu de VS zich onder leiding van Trump in een maalstroom van zinloze oorlogen en binnenlands ontsporend autoritarisme dreigt te verliezen en Rusland onder leiding van Poetin nog steeds bevangen is door een ultranationalistische koortsdroom, wordt door een groeiende groep intellectuelen, politici en opiniemakers Europa gezien als schatbewaarder van de erfenis van de Verlichting. Dit mondt doorgaans uit in een pleidooi voor een sterk Europa dat politiek en cultureel weerwerk biedt tegen de interne vijand van het rechtsextremistische populisme en de externe ‘illiberale’ machtsblokken van de VS, Rusland en China. Ik citeer in deze context even een passage die terug te vinden is op de voorlaatste pagina van Absolute democratie:
Ons behoud is gelegen in sterke, eensgezinde Verenigde Staten van Europa, die de moed hebben om zich zelfbewust en assertief op te stellen als de mondiale hoeder van de democratie, de rechtstaat, sociale rechtvaardigheid en om als zodanig een baken van hoop te zijn voor de rest van de wereld. Een dergelijk Europa hoeft in geen enkel opzicht voor enige wereldmacht onder te doen, behalve militair. Het is derhalve onze droeve taak die achterstand zo snel mogelijk weg te werken, waartoe wij de middelen hebben op voorwaarde dat wij daartoe de wil tonen. De stem van Europa moet zo overtuigend gaan galmen dat wij op een geloofwaardige manier kunnen aansturen op een regime change in Rusland en Amerika.
Er valt behoorlijk wat aan te merken op deze passage, maar ik beperk me tot de meest relevante punten. Een idee dat sinds de 18de eeuw courant was en een orgelpunt vond in Hegels geschiedenisfilosofie, is dat Europa een baken, een lichtpunt of koploper is in de immer op vooruitgang gerichte vaart van de Geschiedenis. Het niet-Europese deel van de wereld was verondersteld te zwijgen en te leren van het gidsende continent en zich met dwang te modelleren naar de politieke en culturele idealen die Europa hoog in het vaandel hield. Ik hoef niet uit te leggen dat een dergelijk opgepompt Europees zelfbeeld niet alleen ten diepste verbonden was, maar ook regelrecht voortkwam uit koloniale dominantie en exploitatie. Exceptionalisme, het idee een uitzonderlijke positie te bekleden in de geschiedenis, eindigt altijd in orgieën van geweld. We kunnen Israël noemen – waarvan Pfeijffer het genocidale geweld overigens, voor alle duidelijkheid, expliciet verwerpt –, maar evengoed de VS. Er valt ook heel wat voor te zeggen om de massaslachtingen van beide Wereldoorlogen en de Holocaust te lezen als de bloedige uitkomsten van eeuwenlang Europees exceptionalisme; een conclusie die onder meer werd getrokken door Aimé Césaire in zijn meer dan ooit lezenswaardige Discours sur le colonialisme. Kortweg gezegd, exceptionialisme is wat ons op deze donkere plaats gebracht heeft. Dus het laatste wat we nodig hebben is meer van hetzelfde kwaad.
Dit geldt misschien nog meer voor de roep om Europa uit te bouwen als globale militaire macht. Militarisering is altijd de kortste weg naar oorlog. Dat bewijst de geschiedenis ten overvloede. Militarisering is tevens een synoniem voor autoritarisme. Want wanneer het productieve vermogen van een samenleving wordt afgestemd op de uitbouw van een militair apparaat volgt daaruit onvermijdelijk dat de verhoudingen binnen de productie en de samenleving als geheel militariseren en een autoritaire vorm aannemen. Onderschikking, geweld, homogenisering, disciplinering en dwang worden dan de heersende normen, en dat moet ook, omdat haast niemand uit vrije wil een wereld van dood en vernietiging nastreeft. Om dergelijk geweld te plegen is de dwingende structuur van een apparaat nodig dat opereert in naam van de Vlag, van het Land, van Waarden en de Geschiedenis. En wanneer jonge, bevende lichamen zich wederom begeven in de ijzeren storm van kogels, granaten, raketten en drones worden we als vanouds, en op straffe van beschuldigingen van verraad, aangemaand om het mannelijkheid, heldendom, opoffering, eer, weerbaarheid en trots te noemen. Eenmaal we op dat punt beland zijn, en misschien zijn we daar al beland, zal van recht, democratie, mensenrechten of vrijheid allang geen sprake meer zijn.
Een adagium dat tegenwoordig te pas en te onpas, niet het minst door mensen met enig belang in de wapenindustrie, wordt georeerd: ‘Wie vrede wil moet zich voorbereiden op oorlog’. Wat daar niet bij wordt gezegd, omdat het meteen de vermeende waarheid van het adagium meedogenloos onderuithaalt, is dat geen enkele oorlog ooit tot vrede heeft geleid. Oorlogen dwingen een bestand af, wat betekent: ze dwingen gewapenderhand een stand van zaken af. Of dat deden ze. Want in deze tijd is zelfs een dergelijk slotakkoord ons zelden gegund. Wapentechnologie is zo ver gevorderd dat we de hele wereldbevolking en de wereld zelf vele malen achtereen kunnen vernietigen. En één van de gevolgen daarvan is dat oorlogen geen nieuwe machtsbalansen meer teweegbrengen maar slechts uitdijende chaos en vernietiging die we ondertussen onder vele namen kennen: Gaza, Congo, Libië, Irak, Afghanistan, Libanon.
Wie dus vrede wil, bereidt best de vrede voor. En vrede is iets anders dan de opgelegde verhouding van het bestand. Vrede is een ingesteldheid, een manier van omgaan met elkaar die naar mijn mening aan de basis ligt van alles wat Pfeiffer waardevol vindt: gelijkheid, vrijheid, het recht, kritiek. Door deze bedenking kom ik aan het einde van deze al iets te lang uitgevallen bespreking opnieuw aan bij Benda. Want als het over oorlog en vrede gaat, heeft Benda toch nog steeds een streepje voor op Pfeijffer. Misschien kan dat zijn omdat herinnering aan een wereldoorlog hem iets verser in het geheugen lag. Ik sluit graag af met een citaat uit Het verraad der klerken en kan enkel hopen dat Pfeijffer het opneemt in toekomstige meditaties: ‘De vrede, als die ooit bestaat, zal niet gebaseerd zijn op de vrees voor de oorlog maar op de liefde voor de vrede; ze zal geen onthouding zijn van een handeling, maar de realisatie van een staat van de ziel. In die zin, kan zelfs de minste schrijver haar dienen, terwijl de meest machtige rechtbanken niks kunnen verwezenlijken.’
Reacties
Robert van Leeuwen
Dank u zeer! Nu weet ik wat er vaag in mijn achterhoofd knaagde.
Eleonora Vander Elst
Bedankt voor artikel! Het een en het ander valt nu op zijn plaats.
Frank Nellen
Complimenten – wat een goed geschreven stuk zeg. Erudiet ook.
Frank Vande Veire
Heeft Pfeiffer geen gelijk als hij een pleidooi houdt voor een sterk en militair autonoom Europa? Of moeten we, uit angst kolonialistisch te zijn, gewoon braafjes blijven toezien hoe Oekraïne door het fascistische Rusland wordt ingenomen zoals Orbàn en co blijkbaar graag zien gebeuren?
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.