cover big

Perfectie op de korte baan

Laurent De Maertelaer

Over Nachtpassagier van Maurice Pons (vert. Mirjam de Veth)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2017,
ISBN 9789078627371 / 94p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-02-2018

Bookmark and Share

Het is een uitdaging om Nachtpassagier (1960) van Maurice Pons (1927-2016) niet in één ruk uit te lezen, zo’n vaart zit er in deze feilloze ‘road novelle’. Dat het verhaal zich grotendeels afspeelt tijdens een nachtelijke autorit met een snelheidsduivel als chauffeur jaagt vanzelfsprekend het denderende ritme aan, maar het zijn vooral de zuinige, beheerste stijl en de krachtige, filmische beeldtaal die het lezen van dit vergeten kleinood tot een heuglijke belevenis maken. De twee jongemannen in de wagen – een Fransman en een Algerijn – zijn ten tijde van het vreselijke conflict dat hun beider landen verscheurt onvrijwillig op elkaar aangewezen. Hoewel niets hen verbindt, groeit hun wederzijds vertrouwen én hun politiek bewustzijn naarmate ze de nacht inrijden.

Pons en Algerije

Maurice Pons is in de eerste plaats bekend als de auteur van de cultroman Les saisons (1965), in 2007 vertaald door Mirjam de Veth voor uitgeverij Coppens & Frenks. De seizoenen, voor velen Pons’ magnum opus, was tot voor kort enkel nog antiquarisch te verkrijgen. In februari 2018 bracht uitgeverij Vleugels echter een herdruk van De Veths vertaling opnieuw in roulatie. Maar Pons was meer dan de auteur van die ene meesterlijke roman. Terwijl latere werken zoals Rosa (1967), La passion de Sébastien N. (1968) en Mademoiselle B. (1973) in de fantastische sfeer van De seizoenen blijven en zijn eerste geschriften uit de jaren vijftig eerder psychologiserend van aard zijn, met een mild ironische toon (Métrobate, 1951; La mort d’Éros, 1954 en de verzameling novelles Virginales, waarvan François Truffaut een onderdeel verfilmde als Les mistons) groeit Pons’ politieke bewustzijn, net als bij zoveel andere Franse intellectuelen, wanneer de politieke crisis in Algerije hallucinante proporties begint aan te nemen.

Een eerste manifestatie van Pons’ politieke engagement, nog voor Nachtpassagier, was de autobiografische en subversieve roman Embuscade à Palestro, verschenen in 1958 als Le cordonnier Aristote om de censuur te omzeilen (de oorspronkelijke titel verwees te direct naar een bloedig treffen tussen Fransen en Algerijnen). Hierin vertelt Pons welke impact de Algerijnse oorlog op een jonge schrijver heeft, puttend uit zijn eigen ervaringen en observaties. Het recht om over het Algerijnse conflict als ‘een oorlog’ te spreken en niet als ‘een pacificatie’ zoals het officieel werd genoemd, is een belangrijk thema.

Een andere mijlpaal in Pons’ politiek bewustzijn is het ondertekenen in 1960 van het spraakmakende Manifeste des 121, de oproep tot desertie en het recht op dienstweigering in de Algerijnse oorlog, onderschreven door een grote groep Franse intellectuelen en gepubliceerd in het wijdverspreide magazine Vérité-Liberté. Bij de eerste ondertekenaars zaten enkele grote namen zoals Simone de Beauvoir, Maurice Blanchot, Marguerite Duras, Jean-Paul Sartre, Alain Resnais, Claude Simon en Nathalie Sarraute. De meesten onder hen werden gearresteerd, geboycot, gecensureerd of beschuldigd van landverraad, zo ook Pons.

Maurice Nadeau negeerde de censuur en reageerde met een speciaal nummer van Lettres Nouvelles, waarin hij alle ondertekenaars een korte bijdrage liet leveren. Die van Pons was het korte verhaal ‘La vallée’, de oerversie van Les saisons. Nog in datzelfde jaar, 1960, schrijft Pons Nachtpassagier, een novelle die door enkele parlementariërs als anti-Frans werd geklasseerd, maar desondanks aan de censuur wist te ontsnappen en gretig werd gelezen, onder meer in de gevangenis van Fresnes waar veel leden van het Front de Libération Nationale (FLN) in de cel zaten. Het is in deze politiek explosieve sfeer dat Pons zijn passagier de nacht instuurt.

Mobiel huis clos

Achter het stuur van de bolide zit Georges, een onbezorgde schrijver en journalist met een passie voor vrouwen, het goede leven, snelheid en autorijden. Op een avond in 1959, midden in de Algerijnse oorlog, neemt Georges, om een vriendin een plezier te doen, een hem onbekende man mee van Parijs naar Champagnole, in de Jura. Daar is een filmploeg een van zijn kortverhalen aan het verfilmen. Zijn passagier is een Algerijnse arts, een jongeman van weinig woorden die krampachtig een blauwe linnen tas bij zich op schoot houdt. Technisch gesproken loopt alles op wieltjes, terwijl Georges met zijn open sportwagen, de wind in het haar, vinnig laverend en luid claxonnerend, door het Franse nachtlandschap scheurt:

Ik luisterde aandachtig naar het geruststellende geluid van de motor. Bij dat geluid volgde ik inwendig het harmonieuze op en neer gaan van de zuigers in de cilinders, de regelmatige beweging van de kleppen en het vertrouwde draaien van de nokkenas. Nu en dan meende ik zelfs ineens een druppeltje benzine te horen verdampen dat uit een van de carburateurs op het motorblok viel. […] Op de meter van de toerenteller stond de witte wijzer iets boven de verticale streep; de accu laadde bij, de binnentemperatuur was normaal, de oliedruk ook: alles wees op een voorspoedige reis.

Georges is duidelijk een kenner en vindt zichzelf een topchauffeur. Dat laat hij graag blijken: zijn technische uitweidingen neigen meer dan eens naar poëzie, de ronkende lyriek van mechaniek en techniek. Hoewel Georges niet echt gehaast is, duwt hij het gaspedaal flink in, naar eigen zeggen omdat zijn auto niet van langzaam rijden houdt, want ‘daar krijgt hij de hik van’. De ‘nachtpassagier’ wijst Georges beleefd op zijn roekeloze rijstijl. Voor een autofreak als Georges werkt die opmerking, hoe kan het anders, als olie op het vuur: ‘Ik werd dronken van de snelheid en de wind.’ Hij doet er zelfs nog een schepje bovenop en lapt meerdere verkeersregels aan zijn laars.

Insijpelende realiteit

De wantrouwige blikken van de Algerijnse passagier doen echter vermoeden dat er meer aan de hand is. Georges krijgt het op zijn heupen (‘Ik nam het mezelf kwalijk dat ik zo’n onaangename passagier had meegenomen; hij dreigde mijn reis te vergallen.’) en heeft er geen goed oog in, zeker wanneer zijn passagier hem vraagt om te doen alsof ze elkaar niet kennen in het geval ze door instanties zouden worden tegengehouden: ‘Het beviel me niets om zonder te weten waarom verstrikt te raken in een web van leugens, waarvan ik geen idee had wat erachter school.’

De absolute gruwel van ‘de oorlog waarover men niet spreken mocht’ sijpelt langzaam en uiterst subtiel Nachtpassagier binnen. Een eerste keer in een café op het plein in Sens, een honderdtal kilometer van Parijs. Nog maar net heeft de jonge Algerijn verteld over zijn artsenopleiding aan ‘de racistische universiteit van Montpellier’ of een voorval van rassenhaat doet zich voor. Wanneer de twee het café binnengaan krijgen ze van de serveerster een vijandige blik toegeworpen. De Algerijn reageert laconiek: ‘Ze mogen ons niet zo, weet u.’ In de krant van een caféganger leest Georges met een schuinse blik dat alle toegangswegen naar Parijs afgesloten zijn omdat er een aanslag is gepleegd op de Algerijnse ambassadeur. In Sens blijkt meteen ook hoe verschillend de reisgezellen zijn. Zo drinkt Georges een rum bij zijn koffie en rookt pijp (‘een uitstekende melange Virginiatabak’ die zijn ex-vriendin uit Amerika meebracht), terwijl de jonge arts geen alcohol drinkt en vasthoudt aan zijn Algerijnse Bastos-sigaretten.

Diachronisch parcours

De scène in Sens en het feit dat ze kort daarna door gendarmes worden gecontroleerd, doen Georges onrechtstreeks denken aan Louis XVI op de vlucht en aan het stadje Sainte-Menehould. Hij ziet in de jonge Algerijn de onfortuinlijke koning. De route die Georges volgt, is historisch gesproken trouwens allesbehalve onschuldig. Nagenoeg alle haltes of steden die het tweetal passeert hebben een essentiële betekenis in de Franse geschiedenis, alsof we een schoolboek aan het doorbladeren zijn. In Dijon bijvoorbeeld, dat zijn glorietijd kende onder Filips de Stoute, Jan Zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute, toen het de hoofdstad was van het Franse deel van het Hertogdom Bourgondië, houdt Georges een pit stop. In Montbard, geboorteplaats van Buffon, gaat het duo iets eten in diens ‘geleerde schaduw’. Wanneer ze Alésia passeren moet Georges denken aan de Gallische koning Vercingetorix (een van de boegbeelden van de Franse identiteit). Frankrijk is overduidelijk het vaderland van Georges, maar is het dat ook voor zijn passagier?

Een volgende confrontatie met de actualiteit vindt plaats bij een tankstation, waar een Algerijnse pompbediende, onder de indruk van Georges’ chique wagen, zijn beste beentje voorzet. Totdat hij de passagier ziet:

Zijn uitdrukking veranderde abrupt: ik zag eerst verrassing op zijn gezicht en direct daarna onmiskenbare haat, dodelijke haat. […] Alleen al door zijn blik had hij de stilte drukkend en beladen gemaakt, alsof hij ons van de anonieme, ietwat tijdloze wereld van een tankstation ineens had meegesleurd in de werkelijke wereld van mannen en broedermoorden.

De pompbediende beschouwt de passagier als een verrader, die met de vijand heult en zo materiële voordelen geniet. Wat verder, net buiten Montbard, loopt het opnieuw bijna uit de hand, dit keer in de eetzaal van een plattelandshotel. Wanneer het tweetal binnentreedt valt –nauwelijks hoorbaar – enkele keren de naam Ben Bella, het zijn gefluisterde verwijzingen naar de aanslag in Parijs. De Algerijn blijft een onderscheid maken tussen ‘zij’ (de Fransen) en ‘wij’ (de Algerijnen). Georges komt zo tot een belangrijk inzicht:

Maar de stemming om ons heen was opeens zo omgeslagen dat ik de indruk had dat het een beetje gevaarlijk was om mijn metgezel alleen te laten bij die vijandige mensen. Ik heb het niet over een fysiek gevaar, maar ik had het gevoel, ten onrechte misschien, dat mijn aanwezigheid op zich hem beschermde tegen eventuele beledigingen. En wat de moeite van het noteren waard is, is in ieder geval dat ik bewust die beschermende rol op me nam tegenover iemand die ik volstrekt niet kende en die ik zelf, zoals ik zei, maar matig vertrouwde.

In Dijon besluiten de twee toch door te rijden, maar niet zonder een opkikkertje voor Georges in een café. Bij zijn terugkeer redt hij zijn Algerijnse kompaan uit de klauwen van twee gendarmes. Hoewel de Algerijn hem kort bedankt, hebben de reisgezellen toch een stevige discussie achteraf. Wanneer Georges op de man af vraagt of zijn passagier wordt gezocht door de politie schiet de Algerijn uit zijn krammen:

‘U wilt het niet begrijpen,’ antwoordde hij onverwachts bruusk. ‘We worden allemaal voortdurend gezocht, in de gaten gehouden, verdacht, gecontroleerd en gearresteerd door uw politie. We zijn met een half miljoen Algerijnen in Frankrijk. Een half miljoen gijzelaars.’

De jongeman klapt uit de biecht en maakt van zijn chauffeur een ingewijde. Georges wordt overvallen door ‘een verwarrend gevoel van bewondering’ en beseft dat hij misschien ‘met de duivel had gereisd’. Gedreven door ‘de irrationele kracht van het kwaad en het gevaar’ besluit Georges de jonge arts te helpen, omdat die hem ‘zonder angst of haat het gezicht had laten zien van de Algerijnse oorlog.’

Historisch bewustzijn

Terwijl het Franse nachtlandschap voorbijglijdt, groeit het historisch bewustzijn van Georges. Hij beseft dat zijn kleine, alledaagse problemen (minimale malaise op zijn job, strubbelingen met zijn vriendin) in het niets vervallen vergeleken met de opoffering van zijn jonge medereiziger. In 1958 kwam Charles de Gaulle aan de macht en vestigde de Vijfde Republiek, terwijl een Algerijnse regering in ballingschap zich vestigde in Caïro. Twee jaar later werd een aantal leden van het zogenaamde ‘réseau Jeanson’ gearresteerd, een groep Franse militanten die hun steun betuigden aan het FLN en onder de leiding stonden van de linkse filosoof Francis Jeanson. Het netwerk fungeerde als een vijfde kolonne en hielp FLN’ers en dienstweigeraars vanuit Parijs clandestien aan papieren, geld of huisvesting. De leden van het netwerk gebruikten guerrillatechnieken en smokkelden hun waar op alle mogelijke manieren. Hun bijnaam was ‘porteurs de valises’. De nachtelijke passagier is een kofferdrager.

Plots ziet Georges het grotere plaatje. Zijn passagier verwijt hem geen ‘oprechte democraat’ te zijn en verderop klinkt het: ‘We kunnen elkaar niet begrijpen’. De Algerijnse oorlog, een strijd die voor veel Fransen aanvankelijk ver van hun bed werd gestreden, kwam steeds dichterbij en werd vrij snel een bikkelharde realiteit, die tot in alle gelederen van de maatschappij doordrong. Zo ook voor Georges die en route almaar meer beseft dat de onverbiddelijke koloniale politiek van zijn vaderland zowel zijn passagier als hemzelf in een heden werpt met heel weinig toekomst. Pons’ novelle is finaal een bikkelharde afrekening met dat onverteerde koloniale verleden. Tegelijkertijd is het brandend actueel in zijn prangende en confronterende vraagstelling rond heikele thema’s als nationale identiteit, racisme en vooroordelen.

Ondanks de beladen thematiek is het lezen van Nachtpassagier een waar plezier. En dat heeft veel te maken met de luchtige en rechttoe rechtaan verteltrant die Pons meegeeft aan Georges, de memorabele ik-verteller van zijn novelle. Onmiddellijk neemt die de lezer voor zich in door zijn openhartigheid en ongedwongenheid. Pons trekt al zijn stilistische registers open en laat Georges’ stijl moeiteloos variëren van speels en frivool tot prakkiserend en bevragend. Zijn beeldrijke taal sorteert een maximum aan dramatisch effect, maar het zijn vooral de heftige, levendige dialogen tussen Georges en zijn passagier die de gestaag aanzwellende dreiging en spanning oprekken tot een ei zo na onhoudbare intensiteit. De Veths meer dan geslaagde vertaling brengt Pons’ stilistische souplesse glansrijk, onversneden en met het grootste naturel over. Met Nachtpassagier zal deze geweldige auteur zijn lezers onverdroten een geweten blijven schoppen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?