cover big

Vanuit de duisternis

Peter van Lier

Over Een uil in de zon van Hans Dekkers

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789028423268 / 64p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 18-01-2010

Bookmark and Share

Steeds meer poëzie lijkt voor de voordracht geschreven. Het zijn gedichten die na één keer lezen volkomen helder en begrijpelijk zijn en moeten zijn. Hans Dekkers doet daar niet aan mee. Andere bundels getuigen van een verregaande fragmentatie in denken en voelen. Poëzie die pas na meerdere keren lezen begrip opwekt. Maar Hans Dekkers ervaart de wereld nog als een geheel.

Dekkers schrijft onmodieuze poëzie, gedichten die ook in andere tijden geschreven hadden kunnen zijn. In 2006 verscheen Banjoman en begin 2010 komt Een uil in de zon uit. Gedichten die aan de Metamorfosen van Ovidius herinneren door hun ongrijpbare verloop en de klassiek aandoende stijl, maar ook aan de droomachtige somberte van Georg Trakl (1887-1914). Meteen maar een voorbeeld van Dekkers’ taalgebruik, een gedicht waaraan de titel van zijn tweede bundel is ontleend:

De wedergeboorte

Uit het diepst van mijn slaap komen ze tevoorschijn:
de stichters van een nieuwe generatie. In mistige poelen
en moerassen, in een heksensoep
van padden en zwavel verwekken zij de toekomst.
In nevel zie ik dromen en droomgezichten,
een mycelium van scheppingen. Dolende geesten
tikken op deuren. In dit late uur kloppen zij vergeefs,
als een hart zonder lichaam. Het schelle licht
verblindt de slapenden en wekt hen uit het duister van de eeuwen.
Het is het uur van de uil die in de zon vliegt.

Donkerte, mist en moerassen zijn de ingrediënten van de oncomfortabele wereld waarin Dekkers ons onderdompelt, treffend omschreven met ‘heksensoep’. Als een slaapwandelaar verlangt de dichter naar het licht van de dag. In het gedicht ‘Roland de Lassus’ uit de eerste bundel gaf Dekkers al zonder blikken of blozen aan wat voor hem de rol van poëzie is: ‘Poëzie is de stilte vanwaar ik aanroep. / Poëzie is de nacht waaruit ik de wereld peur.’ Aanroepen en peuren zijn de bezigheden van de dichter, gevoed door het verlangen om de wereld, als door een wedergeboorte, in het volle licht te mogen aanschouwen.

In Banjoman zoekt de dichter hulp door zich met het werk van grote componisten (Ockeghem, Roland de Lassus en Sweelinck) in te laten. En uiteindelijk ook door de anonieme banjoman kannibalistisch tot zich te nemen. De laatste regel van het desbetreffende gedicht, niet toevallig ook de slotregel van de bundel, is: ‘Ik eet de banjoman.’ Bij het horen van de banjo schrijft Dekkers: ‘Kijk hoe het brandmerk gloeit en gloeit.’ Door de banjoman te verorberen maakt de dichter zich de vaardigheden eigen om de wereld op te laten lichten. 
 
Een uil in de zon oogt meer zelfverzekerd dan de eerste bundel. Bewonderde voorgangers heeft de dichter hier niet meer nodig. Uitsluitend de eigen verbeelding wordt in stelling gebracht in zijn zoektocht naar het licht. Hoewel: in het laatste gedicht noemt hij William Blake (1757-1827). Diens Het huwelijk van hemel en hel lijkt model te staan voor de gedichten van Dekkers, waarin enerzijds een nachtelijke realiteit en anderzijds een verlangde wereld van licht in een spanningsvolle verhouding staan. Met de droom als het verbindende element tussen slaap en ontwaken. In het zojuist geciteerde gedicht worden scheppingen ons als mycelium voorgesteld. Op dat ondergrondse netwerk van schimmeldraden zouden, net als paddestoelen, werelden zich moeten ontwikkelen. Maar al te hoopvol is Dekkers niet. ‘Dolende geesten’ tikken in zijn dromen wel op deuren, maar zij kloppen ‘vergeefs’. En de status van de wedergeboorte in het gedicht blijft onduidelijk. Wie wekt uit het duister door te verblinden toont ons niets reëels. Het slotbeeld van een uil die in de zon vliegt zou daarom wel eens een visioen kunnen blijven.
 
Met de reekstitel ‘Limbus’ typeert de dichter de toestand waarin de wereld zich voor hem bevindt. Dit voorgeborchte is een plaats tussen hemel en hel in en de enige activiteit die zich daar afspeelt is wachten. Hoewel Dekkers in het eerste gedicht uit de reeks ons nog wel ‘seringenserum uit de oudste tuin’ en ‘de nevel van een gedroomde kus’ voorspiegelt, besluit hij mismoedig met: ‘niets zal de verrotting kunnen verjagen / die dit verloren oord uitwalmt.’ In het tweede gedicht drijft een lege fles voorbij, maar ‘hoe zou ik mijn brief / moeten beginnen met niets dan / karkassen in het vizier?’ En opnieuw besluit hij weinig hoopvol: ‘Ik weet niet meer wat groter is: / het verlangen of het vergeten?’
 
Aan mij is deze monomane somberte wel besteed, maar toch ben ook ik blij dat de dichter zich in deze bundel hieruit probeert te bevrijden. De poëzie komt erdoor onder spanning te staan, waarmee het gevaar van zelfgenoegzaamheid of berusting bezworen blijft. ‘Hemelvaart’, ‘Die wolfram eet’ en ‘De stormlampen, de lichtkogels’ zijn reekstitels die openingen doen vermoeden in een verstikkende, donkere wereld. (Wolfram is het metaal met het hoogste smeltpunt van alle metalen en wordt als gloeidraad gebruikt in lampen. Wie wolfram eet zou, net als een stormlamp of lichtkogel, een lichtbron in het donker kunnen zijn.)

Het verlangen naar verlichting, juist ook op het geestelijke vlak, duikt telkens weer op in de bundel. Enkele citaten: ‘een schaduw die dwars door bossen waaiend / de zomer binnenvlucht’, ‘De erker is een oog / waarin ik resideer’. ‘De zomer nestelt zich in mijn klieren’, ‘Onder mijn capuchon kraakt het licht’. ‘Vermomd in onszelf nog / zoeken we naar een scheur in de nacht’ en ‘Toch gloeit in die nacht een genadelicht’.

Om het licht te kunnen zien, om verlicht te worden, is het nodig dat wij mensen onze geest daarvoor openstellen. Veel oplossingen die ons via de traditionele godsdienst worden aangereikt voldoen niet meer. ‘De relikwieën die ik verzamel / zijn aangevreten door zeveraars’ en ook ‘Een cirkelgang rond totempalen / van een vermolmd geloof’ geeft ons geen fiducie. Maar aan de basis van het geloof of de religieuze ervaring zoekt Dekkers wel degelijk naar verlossing uit de duisternis: ‘Nog ben ik een bedding die bidt / om de glans die ik in beslagen ruiten zag’. In ieder geval neigt hij naar een meer ervaringsgerichte dan verstandelijke benadering van het probleem.

Uiteindelijk moet het normale verstandelijke denken worden gebroken. Het leven dat zich in formules heeft vastgelegd wordt door Dekkers bijna klaaglijk omschreven met: ‘aldoor het vaagsel van bepalingen, / het fixum, / de bakens, de knikkende woorden.’ Deze kennis omschrijft hij prachtig met het ‘koudvuur’ dat de woorden aanvreet, concluderend: ‘Ik ben het zuur beu.’ Daarom: ‘Die wolfram eet (...) / hij bidt zijn exorcisme’. Het koudvuur van de wetenschappelijke rationaliteit wordt hier met het niet-verstandelijke element van de religie, het bidden, bestreden. Merk op hoeveel spanning in deze queeste besloten ligt. Aan de ene kant de gedoemde wereld die verlicht moet worden, aan de andere kant de zachtheid en de overgave van het bidden gecombineerd met de hardheid van het wolfram eten. Toch is er de hoop dat er zal gebeuren wat de dichter wenst: ‘Gedachten stuiteren rond / vallen uiteen in brokken licht.’

Dekkers’ bundel heeft een diepreligieuze inhoud, streeft verlichting na door te bidden, gestuurd door een alchemistische procédé, met wolfram als bron van het licht. Het kan zijn dat de hermetische thematiek velen afschrikt om zich met deze poëzie in te laten. Dat zou jammer zijn en onterecht, want de inhoud van deze bundel toont zich juist aan de oppervlakte van de wereld en Dekkers’ taal is daarop ook gericht. Zich identificerend met een jager, in het gedicht ‘Voelhoorn’, noteert de dichter: ‘In zijn verlangen zoekt hij naar huid’. En door honger het woud ingejaagd met de wind als gids, staat er geschreven: ‘Hij stopt zich vol met buitenkant’. In de reeks ‘Mijn lichaam’ worden onder andere buik, hoofd, knieholte, oog en hart in ultrakorte, drieregelige gedichten gewikt en gewogen op de mogelijkheid van verlichting. Geluk en gevaar houden elkaar daarbij stevig in een houdgreep, zoals in:

Buik

Wolbalzacht
gerimpeld
door een scheermes

Wat Een uil in de zon ook prettig leesbaar aan de oppervlakte houdt, is dat in elk gedicht toch gewoon een verhaaltje wordt verteld. Niet meteen volledig helder, maar de opeenvolging van gebeurtenissen maakt de bundel heel verleidelijk. En vele beelden zijn beschreven in een taal die ronduit pleziert. Wie glimlacht er niet als Dekkers de hoop uitspreekt: ‘Vanavond dans ik met mijn twaalf ingewanden / de tango van een apengodsdienst’? Elders typeert hij een boer macaber met de woorden: ‘Aan de muren / hangen foto’s van dode koeien / en filmsterren.’ Of hij bespot zichzelf in zijn zoektocht naar het licht met het volgende kraakheldere beeld: ‘In een auto knipoogt / een kale sjamaan.’ En wat te denken van: ‘een Duits echtpaar eet / paling uit glimmend, vetvrij papier’?

Van eenzelfde combinatie van diepte en oppervlakkigheid getuigt het boek Mindset (2007), geschreven door Jackie Reardon en Hans Dekkers. Ik stuit op deze titel op Dekkers’ website. Het boek is een mentale gids voor sport, lees ik, maar het gaat vooral over tennis. Het wordt door Richard Krajicek aangeprezen met de volgende woorden: ‘Tennis is méér dan tegen een bal slaan. Mindset laat zien hoe je jezelf en je tennis in balans kunt krijgen.’ Volgens de auteurs is het boek niet alleen toepasbaar op tennis of sport, maar op allerlei aspecten van het leven: ‘Wie bereid is zijn manier van denken te veranderen en anders naar de dingen te kijken, zal in staat zijn zijn sport en leven meer kwaliteit te geven.’ Rationalistisch denken wordt hier vervangen door ‘waarnemen, visualiseren en focussen op het hier en nu.’

Frappant is het om te zien hoeveel overeenkomsten er zijn tussen dit boek en Dekkers’ poëzie. Een mentaliteitsverandering is nodig om de wereld waarin je leeft aanvaardbaar of succesvol te maken. Misschien dat alle sporters en coaches die Mindset hebben gelezen (en dat zijn er heel wat, blijkt op de site) ook Dekkers’ gedichtenbundels eens moeten gaan lezen. Een goede tennisser zou zich tot een briljante kunnen ontwikkelen. Of, voor een sporter uiteindelijk niet minder belangrijk, hij weet hierdoor te voorkomen dat hij in een zwart gat valt na zijn sportcarrière.

Dekkers poëzie getuigt van een diepgaande bekommernis om de wereld of, misschien beter uitgedrukt, om de kwaliteit van de wereld in de menselijke ervaring. Poëzie die zich met de condition humaine bezighoudt, gaat wat mij betreft dieper dan poëzie die zich conformeert aan de oproep tot engagement die de laatste tijd aan alle kunsten wordt voorgehouden. Onafhankelijk van tijdgebonden constellaties van de maatschappij zoekt Dekkers naar een beter contact tussen mens en wereld. Ik beweerde al dat Hans Dekkers onmodieuze poëzie schrijft. Op deze plaats wil ik dat omschrijven met: zijn betrokkenheid is van alle tijden. Het belang van deze poëzie is wat mij betreft daarmee aangegeven.

Een uil in de zon verschijnt op 22 januari.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?