cover big

Voel deze letters

Daniël Rovers

Over Ruw van Marie Kessels

De Bezige Bij, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 234 2986 9 / 207p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 09-11-2009

Bookmark and Share

Marie Kessels schrijft in haar jongste roman Ruw over een vrouw – Gemma Rosseel heet ze – die door een ongeluk met blindheid wordt geslagen. Ze moet nu niet alleen leren lopen met een uitschuifbare stok van glasvezel, maar ook leren lezen en schrijven in het brailleschrift. Dat werd in de negentiende eeuw door Louis Braille opgesteld en was geïnspireerd op het tactiele nachtschrift dat het Franse leger gebruikte. Ook voor Gemma is het een kwestie van overleven, dat wil zeggen: ‘Bliksemsnel veranderen én uit alle macht degene blijven die je altijd bent geweest.’

De roman Ruw biedt een inwijding in de finesses van het tactiele lezen, dat een geconcentreerde samenwerking vereist, zo schrijft Kessels, van de tastzin, het gehoor en het interpretatievermogen. Wie letters niet meer visueel kan waarnemen, heeft af te rekenen met een aantal beperkingen van technische en fysieke aard. Brailleboeken bevatten tamelijk veel drukfouten, wat interpretatie bemoeilijkt. De puntjes zijn bovendien vaak ongelijk in het papier gedrukt, wat nog een extra inspanning van de lezer vraagt. ‘Stel je een boek voor,’ schrijft Kessels, ‘waarvan de inkt zich op sommige plaatsen heeft opgehoopt, terwijl andere plaatsen inkt tekortkomen’. Van het vele tasten worden de vingers snel vermoeid en prikkelbaar. Gemma weekt daarom haar handen bij lectuuraanvang in sodawater, zodat de vingertoppen langer zacht en gevoelig blijven. Vervolgens is het zaak de vingers schoon te houden, want het kleinste beetje vuil, bijvoorbeeld het vet van een koekje, kan de ontcijfering van de perforatiepuntjes al ernstig bemoeilijken.

En dan is er natuurlijk de moeilijkheid van het brailleschrift zelf. Om te beginnen de leestekens, die maar minimaal afwijken van de lettertekens. Leestekens zijn dus niet op de eerste tast te onderscheiden als ‘dienende kleintjes,’ zoals Kessels schrijft. Omdat leestekens in het raster van zes puntjes waaruit een brailleletter is opgebouwd altijd de onderste vier posities innemen, negeert Gemma die onderste regio vaak in zijn geheel. Het nadeel daarvan is dat een tekst zo al snel dreigt te ontsporen. Gemma ziet echter ook voordelen. Een dorre, grammaticaal risicoloze tekst kan in haar lectuur veranderen in een opwindend avant-gardistisch schrijfsel. Naast de leestekens stellen de getallen Gemma voor problemen. Getallen komen overeen met de eerste letters van het alfabet, maar worden voorafgegaan door een speciaal teken. Gemma past hier dezelfde strategie toe waarmee ze de leestekens te lijf gaat: zoveel mogelijk negeren.

Met de komst van het luisterboek kan het lezen van een brailleboek als een volkomen achterhaalde bezigheid worden beschouwd. Marie Kessels stelt zich in Ruw – ook verkrijgbaar als brailleboek – tegen deze opvatting teweer. Lezen blijkt toch een volkomen andere bezigheid dan luisteren. Het brengt niet dezelfde eenwording met de tekst teweeg. Kessels’ personage Gemma gaat het om de ‘verwikkeling’ in een boek, ‘tot je er met ontelbaar veel draden mee verbonden bent’. Dat vergt tijd en overgave, waarvoor een tamelijk grote inspanning vereist is. Daarom zijn ook ziende lezers in feite inwoners van het land der blinden. Ze kunnen, zoals Kessels schrijft, hooguit ‘de stralenkrans van de dingen aanraken, niet de dingen zelf’. Ze staren naar de pagina en moeten hun uiterste best doen om in het zwart-wit van de tekens hele werelden van kleur te zien.

Een belangrijk onderliggend thema in Ruw is het (beter) leren lezen van literatuur. Meer bepaald: het beter leren zien van de stijl van een schrijver. Omdat de ontcijfering van de afzonderlijke letters Gemma voor problemen stelt, is het erg belangrijk voor haar dat ze snel vertrouwd raakt met de stijl van een auteur. Ze wil bij het lezen ‘een paar stappen’ vooruit kunnen denken. Ze wil metaforen, zinswendingen, versnellingen en vertragingen als het ware aan kunnen zien komen. Alleen zo rijgen de afzonderlijke zinnen zich tot een echte leeservaring – een verhaal – aaneen. Binnen het patroon – we zouden het de auteursfiguur kunnen noemen – kunnen er vervolgens verrassingen ontstaan. Dergelijke kunstgrepen van de schrijver worden ‘direct door de huid geregistreerd’: een plotse perspectiefwisseling of tijdsprong brengt een schok van verwarring of tinteling van nieuwsgierigheid bij de lettertaster teweeg. Dit nu heet de erotiek van het lezen.

Sommige schrijvers vallen bij deze intensieve leeswijze al snel door de mand. Dat geldt voor de auteur van De stad der blinden, José Saramago, die de lezer met de ‘stalen vuist van zijn gemeenplaatsen’ door de roman jaagt. Andere auteurs schrijven zo nauwkeurig en zintuiglijk dat hun werk wel een oorspronkelijke brailletekst lijkt. In Ruw worden verschillende voorbeeldige auteurs genoemd, onder meer Francis Ponge, Marija Čudina, Maurice Gilliams. Die laatste laat complexe zinnen lezen waarbij ‘het lichaam kruipt en de gedachte vliegt’. Het lichaam, dat wil zeggen de tastende leesvinger, probeert de gedachten bij te houden die de letters teweegbrengen, ‘in een eeuwig streven naar eenheid’. In de onuitputtelijkheid van het schrift schuilt het ware leesavontuur.

Gemma leert beter blind te lezen door ook in braille te schrijven. Dat doet ze op een ambachtelijke manier. Ze brengt de letterpuntjes aan met behulp van een schrijfnaald waarvan de punt bot is en de greep ‘ruw’, opdat de stift niet uit de hand glijdt. Het schrijven vordert zo erg langzaam, en verbeteringen achteraf zijn amper in te passen.

De aandacht die in Ruw op het schrijfambacht en de schrijfstijl wordt gevestigd, richt de aandacht op de stijl van de roman zelf. Die lijkt niet heel veel anders dan de stijl van zijn voorganger, Niet vervloekt (2006). Ruw bevat veel typische Kessels-zinnen: zorgvuldig geweven draden die zich als een web in de werkelijkheid uitstrekken om ervaringen en gevoelens te kunnen vangen. De structuur is echter, zeker in vergelijking met de afgemeten verzameling korte essays, Het nietigste (2002), veel losser. De roman verzamelt verschillende aantekeningen en notities. Zo bevat het boek een aantal schetsmatige portretten van de vrienden van de verteller. De lezer dient zich tastend een weg langs de diverse onderwerpen te banen.

In Ruw is een blinde aan het woord die niet tot de aristocratie van de blinden behoort. Kessels spreekt van ‘blindenadel’: de groep die bestaat uit mensen die blind werden geboren. Gemma daarentegen heeft een leven van zien achter de rug, waaruit met name in het hoofdstuk ‘Herinnering’ geput wordt. Hierin staat niet haar eigen leven centraal, maar het leven van haar onlangs overleden moeder. Gemma schrijft als het ware een appendix bij de begrafenisplechtigheid, waarop ze zo graag had willen zeggen: ‘Moeder was een moeilijke vrouw’. Het levert een mooi portret op van een vrouw, die, zoals de hele familie Rosseel eigenlijk, ‘flink [was] in de grote dingen, en klein in de kleine’. Een vrouw die altijd zo bang is geweest voor het exces dat door haar dwingende bezweringen daarvan iedereen alsnog aan het exces herinnerd werd. Wat doen we bij de aanblik van onze overleden ouders? Kessels schrijft, bondig, ontroerend: ‘De een huilt, de ander gelooft haar ogen niet’.

‘Herinnering’ heeft geen duidelijke plaats binnen de roman, die het toch al niet van de sterke verhaalontwikkeling moet hebben. Ruw begint en eindigt met de uitgebreide omschrijving van een wandeling door de nachtelijke straten van Den Bosch. Zo loopt de lezer met Gemma door de schuifdeuren naar de ‘Koekjesfabriek’, van de ruisende regen buiten tot in het schijnbaar vacuüm gezogen ‘niemandsland tussen de twee deuren in’, waar zelfs de ‘herinnering aan regen onmiddellijk werd uitgewist’, tot de tweede deur openschuift met een golf van geroezemoes. Dit soort beschrijvingen, wellicht noodzakelijk om een indruk te geven van het duister dat een blinde omgeeft, weten de aandacht niet altijd vast te houden. Ikzelf gaf me tijdens menige nachtelijke wandelpassage over aan de privileges die een ziende lezer zich kan veroorloven, namelijk afdwalen en in slaap vallen. Een blinde lezer hoeft dat niet te proberen, heb ik uit Ruw geleerd, want dan raakt hij meteen de draad kwijt.

Aan de roman Ruw ligt een levenslange fascinatie ten grondslag: hoe te overleven in een omgeving die jou wel ziet maar die jij niet ziet? Als Gemma met haar blindenstok een café inloopt voelt ze de ogen van andere bezoekers op zich gericht. Ze ervaart nieuwsgierigheid, maar ook medelijden en zelfs enige wrok. Wrok omdat iedere ziende die een blinde opmerkt volgens haar in zijn ‘eergevoel’ geraakt wordt. De neiging om hulp aan te bieden moet onderdrukt worden. Gemma vraagt zich af hoe ze in hemelsnaam een drukke ruimte moet inlopen zonder opzien te baren. Het antwoord op die vraag wordt in de roman niet gegeven. Het probleem ligt natuurlijk bij degenen die de blinden kunnen zien. Op de achterflap van Ruw staat geschreven dat het boek een ode is aan ‘alle anonieme blinden, die nooit ophef maken’. Dat is een behoorlijk romantische claim. En een goed uitgangspunt voor een tastende roman.

1 reacties

Deze roman ontvangt de F. Bordewijkprijs 2009.

  • Door Patrick Bassant
  • gepost op
    11-12-2009, om 3:44:37

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?