Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Bestaat het: een romanpersonage dat eindelijk leren leven heeft? Jackie Wernet, de verteller in de recentste roman van Marie Kessels, is monter en zelfzeker. De titel van het boek verwijst naar haar besluit om een kantoorbaan vaarwel te zeggen en kledinghersteller te worden. Jackie’s keuze bestaat uit negen hoofdstukken met een materiaal als titel (plaksel, grafiet, chitine, briefpapier, leer, krijt, steenwol, ijzerbeslag en vinyl). De ongenummerde hoofdstukken zijn ook van een datum voorzien: 25, 26 en 27 september (twee keer na elkaar), en 1, 2, 4, 5 en 7 oktober. Om welk jaar het gaat blijft onvermeld, en als Jackie’s keuze een dagboek is, dan is het wel heel idiosyncratisch. Pagina’s lang zijn er anderen aan het woord, in lange monologen, en wat Jackie vertelt, speelt zich niet altijd af op de dag waarvan sprake is.
De roman vangt bijvoorbeeld aan op 25 september met een terugblik op een periode waarin Jackie op zoek was naar een onderkomen: ‘In die tijd, vorig jaar maart, hadden mijn gedachten een spanwijdte van niets. Telkens kwamen ze weer uit bij hun beginpunt: een ander huis!’ Een adres werd haar aan de hand gedaan door Fred, die ze kent van toen ze lid waren van de Emma Goldman Kring, een fictief collectief genoemd naar een Amerikaanse anarchiste en feministe. Dankzij Fred kan Jackie in het huis van zijn ex Elena een kamer huren, die ze gebruikt als leef-, werk- en als slaapruimte, en waar ze de klanten ontvangt wier kleren ze kan herstellen, terwijl ze er ook een winkeltje houdt. ‘Erg is dat niet’, zo verzekert ze de lezer en meteen ook zichzelf.
Het beklemt me niet dat ik ook slaap in mijn winkel, al was dat wel iets waar ik in het begin, rond de verhuizing, tegen opzag. Dankzij het hoge plafond heb ik nooit dat gevoel van krapte waar ik in vorige huizen nog wel eens door terneer werd gedrukt, ook als ik er niet met elke meter ruimte hoefde te woekeren. Omdat de twee ramen al even genereus hoog zijn, verspreidt het binnenvallende daglicht zich al naargelang de weersgesteldheid in een waaier van de meest fantastisch sproeiende geeltinten door de winkel vanaf de vroegste dageraad. Een beetje goeie hoosbui kondigt zich al ruim van tevoren aan in een dik mosterdgeel druipspoor van licht langs de muren omlaag.
Materialisme
Jackie’s beroep is op het eerste gezicht eigentijds en ecologisch. Ze maakt hergebruik mogelijk: dankzij haar worden kledingstukken hersteld en opnieuw gedragen in plaats van weggegooid. Het beroep dat ze kiest wil ze echter vooral uitoefenen om met ‘materie’ bezig te zijn – met echte dingen, met stoffen die niet glad en gewillig zijn, maar vaak ongehoorzaam en onbuigzaam, en die letterlijk gemanipuleerd moeten worden. Jackie’s keuze is gevuld met scènes die van een materialistische levenshouding getuigen – van een bewuste, bijna sculpturale omgang met materialen, net als van de overtuiging dat enkel daaraan, op een heel dagelijks en banaal niveau, verwondering en zin valt te ontlenen. Geregeld gaat dat, uiteraard, om de beroepsbezigheden van Jackie, maar vaak genoeg worden er materialen beschreven die als het ware ten onder gaan. Elena, bijvoorbeeld, nodigt jonge muzikanten uit om samen te spelen en om grammofoonplaten te beluisteren – ‘Hier willen ze hun eigen schermpje wel voor in de steek laten’ – die ze vervolgens in iets anders laat transformeren.
Voor en na demonstreert Elena hun ook met plezier wat er gebeurt met een lp die lang in de volle zon heeft gelegen. Het is dé hit van een samenspeeldag, om achter elkaar drie, vier smetteloos ogende platen uit Elena’s verzameling krom te zien trekken tot er niet meer dan een klompje ondefinieerbare materie van over is. Pluksgewijs stormen ze dan mijn winkel in, hikkend van het lachen nadat ze stoere Elena weer een stuk of wat van haar mooiste platen naar de filistijnen hebben zien helpen.
Nog sprekender en indrukwekkender is wat Jackie samen met Fred doet: in een leegstaande villa een vuurtje maken, gewoon voor het plezier ervan – het ‘verrukte stoken van een fik ter bevrijding van ons dagelijkse ik uit de strik waar het zelf zijn hoofd in gestoken heeft’.
Maar we beleven ook wel een diep geluk telkens wanneer we die eerste wilde vlam rakelings langs ons heen omhoog zien schieten en tegelijk een dikke hittekolom tegen onze huid voelen drukken, alsof we niet meer zijn dan een randje franje in een onbarmhartige kosmos die ons in minder tijd dan het mij kost om een knoop aan een vestje te naaien restloos in zijn kolkende materie heeft verteerd.
Een mens voelt zich mens dankzij de stoffelijkheid van het eigen lichaam en van alles waarmee dat lichaam in aanraking komt. Het is de mogelijkheid tot het veranderen van die materie die een motief wordt in Jackie’s keuze. Handelen is immers letterlijk iets in je handen nemen en het transformeren. Dat wordt in deze roman ook op een meer figuurlijke manier werkelijkheid: mensen moeten iets doen, ze kunnen nu eenmaal niet anders. Bewust, doelgericht en indien mogelijk in harmonie met anderen moeten ze iets fabriceren, vormgeven aan de omgeving, bezig blijven – werken, met andere woorden. In de ochtend van 5 oktober noteert Jackie: ‘En onvermoeibaar slaat deze donzen zweep genaamd ‘arbeidsethos’ me vooruit. Mileedie Werkdrift, pronkjuweel onder de harddrugs.’
Die nadruk op werk kan hard en kapitalistisch lijken, alsof produceren en winst maken het enige is wat mensen te doen staat. Jackie is een zzp’er die het financieel erg moeilijk heeft, en bij vlagen geeft ze dat ook toe.
Ik was moe ineens. Mijn rug voelde zwaar, maar moe, doodmoe, was ik toch vooral van dat voortdurende schouderophalende wegkijken van alle nog te betalen rekeningen thuis. Hoe goed had ik me er niet in geoefend om mijn scheepje tijdens de overtocht ruim water te laten maken zonder ook maar eén keer in de verleiding te komen ‘Help! Help!’ te roepen.
Anarchisme
De oefeningen om niet kopje onder te gaan bestaan dus vooral uit arbeid, maar het is werk – en dat is cruciaal – dat niet verricht wordt in loondienst en dat niet de rijkdom van een ander vergroot. Eerder dan het leven van de kleine zelfstandige te verheerlijken, wijst Jackie’s keuze op de mogelijkheid je arbeidsomstandigheden zelf te organiseren, met de hulp van enkele anderen. Materialisme gecombineerd met anarchisme – dat zijn de twee pijlers van Jackie’s levensfilosofie. Het resultaat: nostalgie en zelfmedelijden krijgen geen kans; wie klaagt, wordt daar uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Essentieel is, opnieuw, dat het om een besluit gaat dat je zelf neemt, zonder dat het je wordt opgelegd. Je besluit zelf om geen genoegen te nemen met wat reeds bestaat. ‘Bij deze’, zegt Jackie in het hoofdstuk ‘Grafiet’, ‘wil ik een liefdevol schijnwerpertje richten op elk ongetrimd individu dat, met zijn eenvoudige middelen, al ingrijpt in de zo onwrikbaar lijkende orde der dingen. Goed gedaan!’ Haar strategie bestaat erin vooruit te kijken en los te laten, vooral als het tegenzit. ‘Zodra een plan, een vast voornemen van me in het honderd loopt, erg in het honderd, dan laat ik de controle ook gemakkelijk los, in eén keer, waarna ik achteloos de sprong in het diepe waag.’ Of nog beknopter, in een van de vele aforismeachtige uitspraken in dit boek, die ook altijd iets bezwerends hebben, alsof Jackie zichzelf bij de les wil houden: ‘Door ervaring wijs geworden stond ik het mezelf simpelweg niet toe om met smart achterom te kijken.’
Niet toevallig duikt op twee plaatsen, als een bliksemschicht, in Jackie’s keuze een Duitse zin op: ‘Aber ein Sturm weht vom Paradiese her.’ De eerste keer gaat het om mensen wier ‘tegenstribbelen uit nood is geboren’; de tweede keer vertelt Jackie over de zesjarige Joy die samen met haar dakloze moeder soms overnacht in het huis van Elena. ‘Maar een storm waait uit het paradijs’ – het is een citaat uit Walter Benjamins bekende tekst over de engel van de geschiedenis, die met gespreide vleugels onweerstaanbaar de toekomst in wordt gedreven, terwijl een stormwind de afstand tot een paradijselijk begin ieder moment groter maakt. De personages van Kessels zijn dergelijke engelen: ze beseffen dat hun leven door vele grotere, onmenselijke, want maatschappelijke krachten bepaald wordt, maar dat ze wel de keuze hebben hoe ze zich door die stormwind laten voortdrijven. Als Jackie er alles aan doet om de ‘niet-alledaagse kledingwensen’ van een klant in te willigen, gebeurt er dit: ‘Opeens krijg ik mijn werken onder hoogspanning dan voor niets, ik vlieg op, spreid mijn vleugeltjes. Vlieg hoog.’ En dit is een passage die volgt op een lange monoloog van Elena, die net een nacht heeft doorgewerkt met het schikken van allerlei spullen in haar eigen tweedehandswinkeltje:
Ineens ongeduldig, buiten adem van alle door de nacht heen verzette werk, gaf ze me een teken dat ze dringend moest bellen. Een adviseur die rekende op haar telefoontje: geluidloos vormde ze met haar mond de letters, goed duidelijk leesbaar, alsof ze het gewoon was zich te plooien naar de eisen van de vierentwintig-uurseconomie. Met bedauwde vleugels stijgt de werkwillige op om haar potentie tot volle wasdom te laten komen.
De ‘adviseur’ – vermoedelijk iemand van de gemeente die het ‘traject’ van Elena wil checken – wordt door haar dus te woord gestaan, maar op een listige manier, zonder dat ze haar echte bezigheden verklapt. De verzorgingsmaatschappij, of wat er nog voor moet doorgaan, is in Jackie’s keuze vooral een controlemaatschappij die nooit echt ‘helpt’ – Jackie spreekt ergens van de ‘huisartsenposten en wijkteams en ander bemoeizorggeboefte uit mijn kinderjaren’, die ze – een ander facet van haar keuze – achter zich heeft gelaten door kleermaker te worden.
Seksisme
Jackie’s keuze is dus een roman over hedendaagse thema’s – hergebruik, geldnood, precariaat – die echter op een even oneigentijdse als ongewone manier worden behandeld. Er zijn nog ‘actuele topics’ die worden aangepakt, zij het op een allesbehalve voor de hand liggende wijze. In dit fictieve universum regent het bijvoorbeeld vaak en veel. Soms leidt het tot niets minder dan een lokale zondvloed: ‘Onze straat was verdwenen in eén lange watermassa die het grofvuil van de winkels en woonhuizen versplinterd en wel meesleurde.’ De klimaatcrisis wordt echter al snel onderdeel van een groter geheel, als een omstandigheid die niet spectaculair nieuw of anders is en waar mensen ook gewoon mee moeten dealen – als een ander facet van dezelfde storm. In haar woning hoort Jackie die storm ‘woest’ tekeergaan.
Juist dit kletteren van de regen tegen de twee hoge ramen heeft mijn eerste indruk van de nieuwe kamer heel sterk bepaald. Vooral het lawaai: eén stuwende roffel die klonk of ik er welkom werd geheten door een compleet team van partners, op voorwaarde dat ik het moreel hooghield zolang ik hier woonde. Een paar ogenblikken later hadden zich al machtige watergeulen gevormd op het glas. […] Het kantelpunt waarop een ontketende menselijke beschaving ook ons als vermicelli zou meesleuren naderde ras, dacht ik kitschig bij het zien van alle regengeweld.
Het is niet niks, wat hier staat. Schuift Kessels bij monde van Jackie niet de gehele theorie van het ‘antropoceen’ aan de kant? Dat de menselijke beschaving als dominante kracht de aarde en het klimaat ingrijpend heeft beschadigd of zelfs onherroepelijk kapot heeft gemaakt – vast wel, maar wat moet die schadelijke wereldbevolking daarmee, op een dagelijks niveau, iedere ochtend bij het ontwaken, wanneer er weer een dag gevuld moet worden, terwijl de uren niet vanzelf voorbijgaan en de rekeningen niet betaald worden als je niks meer doet? De combinatie van anarchisme en materialisme is bij Kessels ook een vorm van humanisme, niet als een idealistische verheerlijking van de soort, maar eerder omdat de individuele mens niet het slachtoffer moet zijn van wat de mensheid in het geheel heeft aangericht.
Nog een thema dat Kessels impliciet aan bod laat komen om het vervolgens te ondergraven, is de verhouding tussen man en vrouw. Jackie rekent, opmerkelijk genoeg, bijna uitsluitend mannen tot haar cliënteel, die ze benoemt als haar ‘band of guys’, ‘these extra special guys of mine’ of gewoonweg ‘my guys’. ‘Guy’, zo zegt ze, ‘is mijn koosnaam voor een jongen die er ver uitspringt, of die mijn hart heeft gestolen’. Het opmerkelijke is dat Jackie sympathie lijkt weg te dragen voor bijna alle mannen die haar pad lijken te passeren. Van misandrie is er op geen enkel moment sprake (tenzij in een enkele passage over haar vroegere baas), en van misogynie trouwens ook niet. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat ze haar leven zodanig heeft ingericht dat ze zich met gelijkgezinden kan omringen. Maar dan nog beschikt Jackie over een bijna messianistische goedheid die haar in staat stelt het lijden van anderen te voelen, zodat ze net daarom hun strategieën om met die ellende om te gaan kan waarderen.
Ik mag in de vier jaar sinds ik dit werk doe nog zo veel geleerd hebben over garens, patroonknippen, het vervangen van voeringen, over jeans van een stevige stof, kapotgewassen in drie weken – wat me pas echt grijpt is die gedrevenheid waarmee ‘mijn jongens’ een dicht rookgordijn van spannende verhalen voor me optrekken omdat ze er absoluut geen zin in hebben me aan mijn neus te gaan hangen hoe erg ze vanbinnen lijden. Goed van jullie, guys! Zo sluw als jullie opereren om breeduit op het voortoneel te staan in de hoofdrol, als truc om mijn aandacht maar af te leiden van jullie zorgen, van jullie pijnen, van jullie malaise, van jullie stress, van jullie weggesijpelde energie die, vooralsnog, niet aan de oplader kan.
Vooral zijn het deze mannen die haar in staat stellen te werken, iets te maken, iets van haar leven te maken, zoals ze indringend beseft wanneer ze de instructies of ontwerpen bekijkt die ze ter voorbereiding op een papiertje hebben neergekrabbeld.
Na een korte blik op deze smachtende, zeer heldere schetsjes begrijp ik weer waarom ik zo sterk hecht aan de uitdrukking: voor mijn guys door het vuur gaan. Voor hen door het vuur willen gaan ook als mijn hoofd er misschien niet naar staat.
Het is de aandacht voor een van haar guys die de magische werking van haar werk mogelijk maakt. ‘Uiteindelijk’, aldus Jackie, ‘is dat het fundament waarop mijn vak rust: deze prompte bereidheid tot luisteren, tot een vérgaand engagement op het moment zelf.’ In die overgave, in die combinatie van zowel autonoom als dienstbaar werk, komen mens en materie samen.
Jeunisme
En dan is er, tot slot, nog iets. Het is geen detail. Toch werd het in het nauwelijks handvol recensies dat aan dit boek is gewijd, door niemand in vraag gesteld: Jackie is 30 jaar oud. Ze geeft dat een aantal keer zelf aan, bijvoorbeeld in deze passage:
Van het vooruitzicht ooit nog eens te mogen reïncarneren als Jimi Hendrix de zoveelste kan ik het nu, op mijn dertigste, nog steeds warm krijgen. Een liefde van die intensiteit slijt niet gemakkelijk.
Als we ervan uitgaan dat Jackie’s keuze zich afspeelt in 2025, het jaar waarin het boek is verschenen, dan is het hoofdpersonage geboren in 1996, wat haar nog net tot een millennial maakt – niet bepaald de generatie die en masse hoog oploopt met Jimi Hendrix. Marie Kessels, daarentegen, is van 1954 en dus werd ze vorig jaar 71, wat haar tot een volbloed boomer maakt. Kan dat zomaar? Discussies over toe-eigening gaan meestal over cultuur, gender en ras: wat je als auteur niet hebt meegemaakt, daar moet je over zwijgen. Het grote leeftijdsverschil tussen auteur en hoofdpersonage maakt Jackie’s keuze wat dat betreft tot een experiment, maar het is ook een wezenlijk onderdeel van het boek. Het verschil tussen generaties – en dus het generatieconcept zelf – wordt er enerzijds door gerelativeerd, maar anderzijds ook door bevestigd. Moeilijke vraag: is Jackie’s keuze niet ook te lezen als een kritiek van de millennial, of van het dominante beeld ervan – van de carrièregerichte digital native, zonder geduld, met slechts aandacht voor de eigen persoonlijke groei? Dit boek getuigt niet van jeunisme, want dan zou Kessels zich moeten laten leiden door wat alleen ‘jongeren’ vandaag willen en weten. En tegelijkertijd doet ze dat natuurlijk net wel, want het mens- en wereldbeeld van Jackie’s keuze wordt uitgedragen en neergeschreven door een dertigjarige vrouw.
De manier waarop Jackie dat doet is de stijl van deze roman, en die strookt ook niet bepaald met wat onder millennialliteratuur wordt verstaan. Dit zegt Jackie daar zelf over:
Door deze bladzijden te schrijven, los uit de hand met een schetspotlood op dunne printvellen, wil ik me oefenen in het afremmen en tegenwerken van die heel menselijke hebbelijkheid om pijlsnel kant-en-klare conclusies uit de hoge hoed te toveren. Nu grijpt dit schrijven met de hand op zichzelf al behoorlijk diep in mijn leven in, ongeoefend in het handschrijven als ik ben.
Het leidt tot een stijl die ook taal als materie ziet – als iets dat taai is, stug, met eigen wetten, die echter voortdurend geschonden dreigen te worden. ‘Arme maatschappij,’ schrijft Jackie, ‘die stukje bij beetje steeds verder uit elkaar viel omdat zij het niet opgebracht kreeg om haar woorden zorgvuldig uit te spreken.’ Het maakt haar, samen met haar bezigheden, haar ideeën en haar leeftijd, tot een even ongewoon als consequent hoofdpersonage, in een even ongewoon als consequent boek. De taaiheid van de lectuur ervan is een gevolg van een haast perfect evenwicht tussen inhoud en vorm.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.