cover big

Woorden verdwijnen, ruimtes verschijnen

Samuel Vriezen

Over De zon in de pan van F. van Dixhoorn

De Bezige Bij, Amsterdam, 2013,
ISBN 978 90 234 7512 5 / 32p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 11-03-2013

Bookmark and Share

Hoe houd je een poëzieliefhebber oneindig lang bezig? Je geeft hem of haar een briefje met aan allebei de kanten het opschrift ‘z.o.z.’ Of je geeft hem het nieuwe gedicht van F. van Dixhoorn, De zon in de pan. Daarin zal hij of zij een situatie aantreffen die vergelijkbaar is met het kindermopje. Op een pagina staan de volgende regels:

om
de ene na
de andere
om

Slaat de lezer de pagina om, dan staat er:

om
de ene na
de andere
om

Zoals poëziecriticus en Van Dixhoorn-kenner Rutger Cornets de Groot ooit opmerkte, is Dix (zoals de dichter ook wel genoemd wordt) met zo’n geste eigenlijk helemaal niet meer de minimalist waarvoor hij altijd wordt gehouden. Je moet zo’n pagina immers eigenlijk eindeloos omslaan, en dus oneindig lang lezen. Met twee pagina’s neemt de dichter een oneindige ruimte in. Cornets de Groot deed deze observatie in 2005, ter gelegenheid van de presentatie van een eerdere versie van De zon in de pan, in een uitgave in kleine oplage van uitgeverij 234-117. Pas nu, acht jaar later, is deze tekst uitgewerkt tot een volwaardig gedicht en uitgebracht bij De Bezige Bij, waar vijf eerdere boeken van Dix zijn verschenen. In vergelijking met de eindeloosheid waar Cornets de Groot toen op wees is dat eigenlijk niet zo’n heel lange tijd, maar naar de normen van de gemiddelde Nederlandse dichter is het natuurlijk vreselijk lang. Zeker als je bedenkt dat het uiteindelijke werk voor het overgrote deel bestaat uit verdere herhalingen van deze vier regels: er lijkt in de tussentijd bijna niets te zijn veranderd.

Een mysterieuze drie-eenheid

En toch is alles anders. Waar de oerversie in een boekje stond dat het werk van twee dichters (naast Van Dixhoorn ook Arjen Duinker) bundelde in één klein uitgaafje, daar is nu sprake van één gedicht in twee kleine bandjes. Wie De zon in de pan aanschaft en het oranje omslag opent treft daarin twee boeken: een groen boekje getiteld De zon in de pan en een blauw boekje getiteld 4. De zon in de pan. Is dit al ongebruikelijk, het lezen van de poëzie wordt helemaal een complexe, verwarrende ervaring.

Dat begint al bij de ondertitels van de boekjes. Zowel het groene als het blauwe boekje zetten onder de titel het woord ‘Gedicht’, net zoals het geval was bij de vorige twee titels van Van Dixhoorn bij De Bezige Bij: Dan op de zeevaartschool (2003) en Twee piepjes (2007). Bij Van Dixhoorns drie eerdere bundels stonden op de omslag de namen van alle gedichten die erin waren opgenomen, en daaronder het woord ‘Gedichten’. Bij de latere boeken is er sprake van één ‘Gedicht’. Wie nu denkt met de twee boeken van De zon in de pan ook twee gedichten in huis te halen heeft het mis: de omslag om beide boeken heen zegt óók dat het hier om één ‘Gedicht’ gaat. De hele opzet weigert te zeggen of het om een of om twee gedichten gaat, of misschien zelfs drie: De zon in de pan is zo een drie-eenheid in gedichten, niet minder mysterieus voor wie het gedicht leest dan de bekendere drie-eenheid uit de theologie.

De zon in de pan is dus een gedicht dat zichzelf opsplitst in twee gedichten. Die twee gedichten weerspiegelen elkaar: opbouw van de twee boekjes is zeer vergelijkbaar, met allebei zestien pagina’s poëzie en veel overeenkomsten in vorm en tekst. Alsof je de bovenkant en onderkant van één gedicht leest. Zoals elk vel in twee pagina’s uiteenvalt, valt hier ook nog eens het hele gedicht in tweeën uiteen. En zoals in de wereld van Dix de twee kanten van het vel naar elkaar verwijzen, zo doen ook de twee boekjes dat. Het geheel wordt daarmee een soort spiegelpaleis, een systeem van voorkanten en achterkanten en van verdubbelingen, waarin je nooit weet in welk gedicht je precies aan het lezen bent, het ene of het andere of allebei tegelijk, of in welke volgorde je moet lezen, of wanneer je het gedicht überhaupt gelezen hebt. Je weet niet meer wat de tijd is. En dat in een werkje dat je letterlijk in drie minuten uit kunt hebben.

Dan hebben we het nog niet over de tekst zelf gehad. Die is minstens zo mysterieus. Veruit het grootste deel van de tekst bestaat uit herhaling van de vier regels die ik hierboven al aanhaalde. In De zon in de pan staan de vier regels op elke pagina, soms voorafgegaan door een losse regel. Dit mechanische procedé wordt doorbroken in 4. De zon in de pan. Daar is het kwatrijn plotseling weg op pagina 13 en 14, om daarna weer te verschijnen, maar nu soms tussen haakjes. Op pagina 19 en 20 is het dan weer vervangen door twee terzinen:

telkens na de
4. wat verandert
4. als er niets verandert

en

bedoelde u
wat verandert
als er niets verandert

De losse regels, verspreid over de oneven pagina’s van de twee boekjes, bestaan ook al uit bijna niets meer: een flard van een opmerking, of een enkel getal. In totaal zijn er maar dertien van zulke regels, waarvan er bovendien nog enkele herhaald worden. ‘Nog mooier’ staat er een paar keer: in combinatie met de titel van het gedicht brengt dat Duinkers tweestemmige De zon en de wereld in herinnering, waarin de zin ‘De zon schijnt mooi’ eindeloos wordt herhaald en gevarieerd. Dix bereikt een vergelijkbaar effect op minder meeslepende, maar wel subtielere wijze.

Hoe dan ook is het tekstmateriaal waar Van Dixhoorn in dit gedicht mee werkt zeer karig. Alle elementen waarmee hij zijn eerdere bundels samenstelde zijn aanwezig: de getallen. Het typografische wit dat deel uitmaakt van de constructie. De obsessie met compositie. De pakkende korrelige zinnetjes, pregnante taalflarden die je overal zou kunnen horen (en waarvan je, zoals in Twee Piepjes, kan zeggen: ‘Dat is er een!’). De herhalingen met al of niet subtiele variaties (‘steeds hetzelfde niet / vergelijkbaar’, heette dat al aan het begin van het eerste gedicht van Van Dixhoorn, Jaagpad).

Maar meer nog dan in alle eerdere bundels lijken de elementen tot een grens te zijn gevoerd. Dix werkt met minder dan ooit: geven de kenmerkende herhalende getallenreeksen in zijn eerste bundels een soort meditatief metrum aan een lange tekst mee, hier komen de getallen nog maar uiterst spaarzaam voor: een paar vieren, één drie, één twee, en geen enkele een (op de een in “de ene na/de andere” na, uiteraard). Wat eerst een kunstmatig metrum was is verijld tot zwevende, singuliere coördinaten. Ook de zinsflarden zijn op de rand gebracht van wat nog zelfstandig bestaan heeft. Had een spreektalig zinnetje als ‘iedereen lachen natuurlijk’ uit Dan op de zeevaartschool nog wel iets uitgesprokens, hier moeten we het doen met regels als ‘hoor je dan’ of ‘denk voor de zomer’. Dat is meer dan terloops, het is alsof bijna alleen het terloopse van de spreektaal zelf nog over is.

Bijna niets is heel veel

Toen Dan op de zeevaartschool net was verschenen had ik eens een discussie met een mededichter, over de vraag of het werk van Van Dixhoorn steeds meer naar het niets aan het toewerken was, of dat het juist steeds meer en steeds complexer werd. Toen al rukte per bundel het wit op de pagina steeds verder op, lazen we pagina’s waarop alleen nog maar ‘een boot’ genoteerd stond (en ook toen al was het met zulke pagina’s prijsschieten voor Nederlanders die zich wilden verlustigen aan de nationale hobby van het niet-onder-de-indruk-zijn-van-zulke-fratsen.)

Mijn gesprekspartner zag de poëzie van Dix alleen maar verder verdwijnen en minder worden. Zelf zag ik juist het tegengestelde. Hoe meer de woorden verdwenen en het wit oprukte, hoe meer compositorische elementen ik zag verschijnen in de poëzie. Plaatsing op de pagina wordt dan in toenemende mate een expressief gegeven, de precieze ritmering van een woordherhaling of een getal krijgt steeds groter gewicht. Woorden verdwijnen, maar ruimtes verschijnen, vol spiegelingen, resonanties, werking.

Met name sinds zijn derde bundel, Takken molenwater/Kastanje jo/Hakke tonen/Hakke tonen/Uiterton/Molen in de zon, is die complexiteit van wat je compositorisch met een zeer beperkt repertoire kunt doen alleen maar toegenomen. Elke volgende bundel leek complete dimensies aan het repertoire van Van Dixhoorn toe te voegen, zodat je je bij elke bundel weer kon afvragen of dit oeuvre nog wel verder zou kunnen worden ontwikkeld. En ja, dat bleek te kunnen. Er zitten steeds langere tussenpozen tussen het verschijnen van titels, maar nog steeds verrast Dix door een totaal nieuwe architectuur en vorm te vinden voor zijn minieme taalingrepen. Ook daarom is acht jaar nauwelijks een lange tijd te noemen voor de voltooiing van een gedicht.

Wederom drijft Van Dixhoorn zijn poëtische vorm in De zon in de pan verder op de spits. Er staat minder dan ooit, en tegelijkertijd lijkt de compositie geraffineerder dan ooit. Daarbij benadert de poëzie zowel het ‘bijna niets’ dat mijn gesprekspartner er tien jaar terug al in meende te zien, als de grote ruimtelijkheid die ik erin zag. Bijna niets is heel veel. Zoals het gedicht ons aanspoort: vier wat verandert als er niets verandert. Deze poëzie is in al zijn minimalisme bij uitstek positief, bevestigend. Hoe vaag ook, het zijn nog steeds de stemmen van mensen die in dit handjevol regels blijven klinken.

Melancholie

Tot slot iets over de toon. Naar mijn indruk is die duidelijk romantischer, tegelijk levenslustig maar ook meer melancholiek dan in eerdere bundels. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de oneindigheid, die al in het refrein-kwatrijn zit. Maar zeker ook met de avond die steeds maar ‘nog mooier’ wordt (‘want zo’n avond is het’). In de ene bundel wordt die schoonheid eindeloos gevierd, in de andere bundel wordt ze onderbroken, in perspectief gebracht en verschijnt de vraag naar wat er verandert. Twee houdingen tegenover hetzelfde, die bij elkaar horen, en geen van tweeën heeft voorrang op de andere. De lezer blijft, na drie minuten of na een oneindigheid, achter met de vraag wat er is gebeurd, of er iets is gebeurd.

Zoals bij alle gedichten blijven bij herlezing nieuwe verbanden, betekenissen en mogelijkheden opduiken; uitzonderlijk is hier de manier waarop de compositie je tot herlezen en heroverwegen verleidt. Ik heb nu al een veelvoud van het aantal woorden gebruikt dat Dix in heel het gedicht gebruikt, maar er valt dus nog veel, veel meer over deze paar woordjes te zeggen. Laat ik voorlopig hiermee besluiten: De zon in de pan is de meest buitengewone en aangrijpende poëzie die ik in jaren heb gelezen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?